Grote vuurvlinder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Zie voor de in Nederland voorkomende ondersoort het artikel Grote vuurvlinder (ondersoort).
Grote vuurvlinder
IUCN-status: Gevoelig[1] (1996)
Mannelijke grote vuurvlinder
Mannelijke grote vuurvlinder
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Lepidoptera (Vlinders)
Familie: Lycaenidae (Kleine pages, vuurvlinders
en blauwtjes)
Geslacht: Lycaena
Soort
Lycaena dispar
(Haworth, 1802)
Vrouwelijke grote vuurvlinder
Vrouwelijke grote vuurvlinder
Lycaena dispar01.jpg
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten

De grote vuurvlinder (Lycaena dispar) is een dagvlinder uit de familie Lycaenidae, de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes.

Kenmerken[bewerken]

De spanwijdte van de vlinder bedraagt tussen de 27 en 32 millimeter. Van de mannelijke vlinder zijn de vleugels bijna geheel oranjerood met een enkel zwart vlekje. De voorvleugels van de vrouwtjes zijn eveneens oranjerood maar zwart gevlekt en de achtervleugels grotendeels zwart.

Voorkomen[bewerken]

De grote vuurvlinder komt in heel Europa voor maar is in Nederland ernstig bedreigd en in België kwetsbaar. Op de Rode Lijst van de IUCN staat de grote vuurvlinder als "gevoelig". De soort is vermeld op de Nederlandse Rode Lijst voor dagvlinders als ernstig bedreigd en is opgenomen in bijlagen II en IV van de Habitatrichtlijn. De nominale ondersoort L. d. dispar, die voorkwam in Groot-Brittannië is uitgestorven sinds 1851. De in Nederland endemische voorkomende ondersoort L. d. batava is in Groot-Brittannië zonder succes geherintroduceerd.

Waardplanten[bewerken]

De waardplanten van de grote vuurvlinder zijn soorten zuring. De vlinder komt voor op matig voedselrijk grasland. In de meeste gebieden kent de soort twee generaties met een vliegtijd van mei tot en met augustus.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Bos, F. et al. (2006) De Dagvlinders van Nederland (Nederlandse Fauna, deel 7), Utrecht en Leiden, pp. 138-142.