Gupta's

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gupta's
 Westelijke Satrapen
 Kushanrijk
280 – 550 Hephthalieten 
Chalukya's 
Maitrakadynastie 
Maukharidynastie 
Pushyabhutidynastie 
Varmandynastie 
Kaart
400
400
Algemene gegevens
Hoofdstad Pataliputra
Talen Sanskriet
Religie(s) hindoeïsme (brahmanisme, shaivisme), boeddhisme
Regering
Regeringsvorm keizerrijk
Staatshoofd o.a. maharajadhiraja ("keizer")
Voorgaande en opvolgende staten
 Westelijke Satrapen
 Kushanrijk
Hephthalieten 
Chalukya's 
Maitrakadynastie 
Maukharidynastie 
Pushyabhutidynastie 
Varmandynastie 

De Gupta's (Sanskriet: gupta) waren een dynastie in het noorden van Voor-Indië ("India") van de laat derde tot zesde eeuw. In de 4e en 5e eeuw regeerden ze een rijk dat vrijwel het hele noorden van India besloeg. Ze wisten hun macht gedurende een kortere periode bovendien over het Indisch Schiereiland uit te breiden. Hoewel hun rijk nooit zo groot was als het eerdere Mauryarijk of het latere Mogolrijk, worden de Gupta's als een van de belangrijkste dynastieën in de Indische geschiedenis beschouwd, vooral vanwege de maatschappelijke en culturele ontwikkelingen onder hun heerschappij. In de periode voor de Gupta's hadden invallen van volkeren uit het noordwesten politieke instabiliteit, maar ook culturele uitwisseling gebracht. Onder de Gupta's beleefde India twee eeuwen van relatieve vrede. De handel met het Middellandse Zeegebied, China en Centraal- en Zuidoost-Azië bracht welvaart. De wetenschap, nijverheid, literatuur en kunsten bloeiden. Met name op het gebied van beeldhouwkunst en literatuur vormde de Guptaperiode een hoogtepunt. De Guptakeizers zelf stimuleerden een groeiende interesse in oude Vedische teksten en brahmanistische rituelen. Tegelijkertijd ontstonden nieuwe cultusvormen gebaseerd op persoonlijke devotie. Beide ontwikkelingen stonden aan de basis van het ontstaan van het moderne hindoeïsme. In de Guptaperiode had India een grote culturele invloed op andere delen van Azië. Indische ideeën en religieuze concepten werden geïntroduceerd in Centraal-Azië, Zuidoost-Azië en China. De kunst en architectuur uit de Guptatijd zette de toon voor latere ontwikkelingen in India zelf, en de politieke en religieuze instituten van de Indische maatschappij zouden vanaf de Gupta's tot de 13e eeuw ongewijzigd blijven.

Achtergronden[bewerken]

Historische bronnen[bewerken]

In vergelijking met de klassieke periode en Middeleeuwen in Europa is dit deel van de geschiedenis van India slecht gedocumenteerd. Vaak is precieze informatie over jaartallen, veldslagen of de precieze omvang van staten en staatjes verloren gegaan. Rond de belangrijkste figuren hebben zich bovendien legendes gevormd, waarvan onduidelijk is hoeveel historische waarde ze hebben. Desondanks kan uit de schaarse informatie een goed beeld van de algemene ontwikkelingen worden gereconstrueerd.

De belangrijkste bronnen over de politieke gebeurtenissen zijn inscripties die de heersers lieten optekenen. Het doel was de bevolking van informatie over de macht van de heerser en zijn daden te voorzien. Deze bronnen noemen vrijwel uitsluitend positieve gebeurtenissen als militaire overwinningen. Omdat de inscripties van verschillende dynastieën uit dezelfde periode elkaar soms tegenspreken, moet soms aan de betrouwbaarheid worden getwijfeld.[1] De meeste bronnen uit de Guptatijd zelf zijn geschreven in het Sanskriet, dat in de eerste eeuwen n.Chr. de taal van de religieuze en politieke elite geworden was. Het alfabet dat gebruikt werd is het Brahmischrift. In veel inscripties over de daden van de Guptaheersers worden jaartallen genoemd. De Gupta's gebruikten daarbij een eigen jaartelling, die begon bij het jaar 319 n.Chr., het moment waarop Chandragupta I de troon besteeg.

Een belangrijk deel van de historische bronnen uit de Guptatijd zijn epische of religieuze teksten en literaire dramastukken. De achttien Purana's zijn hindoeïstische heilige teksten, waarvan aangenomen wordt dat ze in de Guptaperiode hun definitieve vorm aannamen. In deze teksten komen op sommige plekken korte verwijzingen voor naar historische gebeurtenissen in het Guptarijk. Onder literaire bronnen zijn de werken van de dichter Kalidasa en de dichteres Visakhadatta. Beiden leefden waarschijnlijk in de Guptatijd. Hoewel onder andere Visakhadatta's Kaumudi-Mahotsava niet langer verondersteld wordt op historische gebeurtenissen gebaseerd te zijn, geven deze bronnen een indruk van de sociale en economische omstandigheden binnen het rijk en de hiërarchie, intriges en etiquette aan het hof. Soms wordt in dit soort teksten bovendien terzijde naar gebeurtenissen verwezen waarvan bekend is dat ze wel degelijk een historische achtergrond hebben. Andere literaire bronnen zijn heldendichten die de daden van de Guptaheersers bezingen.

Er zijn ook enkele historische kronieken die de Gupta's behandelen, maar deze zijn van later datum. De belangrijkste zijn Banabhatta's Harshacharita uit de 7e eeuw en de kronieken van het mahayanaboeddhisme, de Manjusri Mulakalpa, die geacht worden rond de 6e eeuw samengesteld te zijn. Daarnaast zijn er verslagen van Chinese monniken die India bezochten op zoek naar boeddhistische heilige geschriften. Voor de Gupta's is het belangrijkste reisverslag dat van Fa Xian, die India bezocht tijdens de regering van Chandragupta II.[2] Andere Chinese reisverslagen zijn na de val van het Guptarijk geschreven en blikken terug op de gebeurtenissen.

Historiografie[bewerken]

Het historisch onderzoek naar de Indiase geschiedenis ontstond in de vroege 19e eeuw. Met name in de vroege koloniale periode heerste onder de Britse overheersers een soort romantisch oriëntalisme, waaruit een grote hoeveelheid onderzoek in de geografie, cultuur, bevolking en geschiedenis van India voortkwam. Een belangrijke stap was de ontcijfering van het Brahmischrift in 1837 door James Princep. Dit maakte de weg vrij om archeologische vondsten in een chronologisch kader te zetten, zoals gedaan werd door Alexander Cunningham (1854) en John Faithfull Fleet (1888). Veel van de aannames van deze historici zouden later onjuist blijken. De eerste historicus die de Gupta's een belangrijke plek in de Indiase geschiedenis toeschreef was V.A. Smith in 1904.[3] Tegelijkertijd zorgden archeologische ontdekkingen voor nieuw bronmateriaal. Ondanks de groeiende kennis over de Gupta's waren de Britse koloniale historici verre van onbevooroordeeld. Britse politieke doeleinden bepaalden vaak hoe de Indiase geschiedenis geportretteerd werd. Op teleologische wijze werd de geschiedenis beschreven als een lange ontwikkeling met Britse heerschappij als logisch eindresultaat. De Gupta's werden gepresenteerd als vertegenwoordigers van een "zuivere" Indiase cultuur, uit een periode voor moslims het Subcontinent veroverden - moslims waarvan India door de Britten bevrijd "moest" worden.

Werk van Indiase historici van de vroege 20e eeuw kenmerkt zich door een sterke focus op de politieke geschiedenis. De hindoenationalisten van de vroege 20e eeuw plaatsten net als de Britse kolonialisten de Gupta's in een te positief daglicht. Voor hen was de Guptatijd een "Gouden Eeuw" waarin hindoes India bestuurden, een situatie die ze zelf ook nastreefden. Pas in de jaren 60 van de vorige eeuw, lang na de onafhankelijkheid, begonnen minder bevooroordeelde duidingen van de Indiase geschiedenis in zwang te raken.[4]

Enige tijd was een marxistische interpretatie in zwang, waarin het eerste millennium gezien werd als een periode van groeiende feodalisering. De Indiase maatschappij en economie zouden zich steeds meer van de stad naar het platteland verplaatst hebben, wat politieke regionalisering en versnippering tot gevolg had. Het Guptarijk werd beschouwd als een van de laatste grote rijken, die gedoemd waren op te delen in kleinere staatjes. Ook deze manier om de Indiase geschiedenis te duiden is niet langer gangbaar. Dankzij werk van onder andere de Duitse indoloog Hermann Kulke in de jaren 80 ziet men de regionalisering tegenwoordig juist als een gevolg van staatsvorming, zij het op regionaal niveau. Tijdens de Gupta's en de erop volgende eeuwen kregen plaatselijke machthebbers door middel van lenen steeds meer macht over het land, wat ten koste ging van de macht van de steden en hogere machthebbers.[1]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Rijken die het gehele Subcontinent omvatten zijn in de Indiase geschiedenis eerder uitzondering dan regel. Het Subcontinent was simpelweg te groot om door een enkele macht bestuurd te worden. De periode van de Gupta's was een van de uitzonderingen, maar niet de eerste. Die eer gaat naar het Mauryarijk, dat in de 2e eeuw v.Chr. vrijwel heel India besloeg. De Mauryakeizer Asoka verspreidde het boeddhisme over India, waarmee een einde kwam aan de dominantie van het brahmanisme. Na de val van het Mauryarijk volgden vijf eeuwen van politieke versnippering en fragmentatie. Deze versnippering werd verder in de hand gewerkt door invallen van volkeren uit Centraal- en Zuidwest-Azië.

Een boeddhistisch reliëf uit het Kushanarijk. Van links naar rechts een Kushana, de bodhisattva Maitreya, de historische Boeddha, de bodhisattva Avalokitesvara en een boeddhistische monnik. Gandhara, 2e of 3e eeuw n.Chr..

De eerste van deze invallers waren de Macedonische legers van Alexander de Grote in de 4e eeuw v.Chr. geweest. In zijn kielzog hadden zich Indo-Griekse kolonisten in het noordwesten van India gevestigd. Deze Indo-Grieken vestigden in de 2e eeuw v.Chr. een rijk in het noorden van India, maar waren niet de laatste "vreemde" invallers: in de eerste eeuw v.Chr. volgden Indo-Scythen, een volk uit Centraal-Azië; in de eerste eeuw n.Chr. de Indo-Parthen uit het zuidwesten van Azië; en tenslotte de eveneens van de Centraal-Aziatische steppes afkomstige Kushana's. De laatsten stichtten een groot rijk, dat deels in het noorden van India en deels in Centraal-Azië lag. Indo-Scythische dynastieën heersten in dezelfde periode over grote delen van centraal- en westelijk India. De belangrijkste van deze dynastieën waren de zogenaamde westelijke satrapen in Gujarat en de noordelijke satrapen in Malwa en rond de stad Mathura. De laatsten waren door de Kushana's tot vazallen gemaakt.

De assimilatie van al deze nieuwe groepen volgde een vergelijkbaar patroon, waarbij de nieuwelingen geleidelijk aangepast raakten aan hun nieuwe thuisland. Zo bekeerden veel Indo-Grieken en Kushana's zich tot het boeddhisme, een van oorsprong Indische godsdienst. De culturele en technologische uitwisseling verliep echter in twee richtingen. Inscripties uit de tijd laten zien hoe een koning van een oorspronkelijk Centraal-Aziatisch ruitervolk de Vedische regengod Indra aanbad; de munten die Indo-Scythische en inheems Indische heersers lieten slaan waren gebaseerd op Griekse ontwerpen.

Hoewel de oorspronkelijke bevolking de nieuwkomers aanvankelijk als onreine vreemdelingen ("mleccha's") beschouwde, wisten ze in de loop van de eeuwen in India's ingewikkelde sociale stelsel van kasten en jati's te integreren. Naast politieke fragmentatie en oorlogen vond culturele uitwisseling plaats, met een ongekende opbloei van nieuwe stijlen in kunst, ambachten en literatuur tot gevolg. Daarnaast bloeide de handel dankzij de toenemende vraag naar Indische specerijen in het Romeinse Rijk. Het Kushanarijk maakte een handelsverbinding met Centraal-Azië mogelijk, waar vandaan over land naar China en Europa verder kon worden gereisd over de Zijderoute.

In het zuiden van India en de Dekan (centraal-India) hadden de invallen vanuit het noorden nauwelijks invloed. Hier heersten lokale dynastieën zoals de Satavahana's en Vakataka's in de Dekan en de Chera's en Pallava's in het uiterste zuiden.

In het begin van de 3e eeuw n.Chr. verdween de macht van de Kushana's over het noorden van India. De nieuwe Sassanidendynastie uit Perzië wist de Kushana's te verslaan en hun thuisland (Bactrië en Gandhara) te onderwerpen. Lokale heersers in de Indusvlakte zagen daarna de kans schoon zich van de overheersing van de Kushana's te ontdoen.[5] Ook in de Gangesvlakte, waar de Gupta's oorspronkelijk waarschijnlijk onbeduidende vazallen van de Kushana's waren, viel het gezag van de Kushana's geleidelijk weg. Wat overbleef in het noorden van India was een mozaïek van lokale staatjes en vorstendommen. Een van die staatjes werd geregeerd door de stamvader van de Guptadynastie.

Politieke geschiedenis[bewerken]

Gouden munt met de afbeelding van Chandragupta I en zijn vrouw Kumaradevi. Kumaradevi was een prinses van de Licchhavidynastie en een belangrijke factor achter de opkomst van de Guptakeizers.

Begin van het Guptarijk[bewerken]

De Gupta's hadden een nederige oorsprong als lokale heersers over een klein gebied in de centrale Gangesvlakte. Waarschijnlijk waren ze lid van de vaishyakaste. Waar hun oorsprongsgebied precies lag is onbekend, maar het moet ergens in het oosten van het huidige Uttar Pradesh zijn geweest. Aan de onbeduidendheid kwam een einde met de regering van Chandragupta I. Er zijn van deze vorst twee voorgangers bekend. De oudste van die twee, Sri Gupta, wordt genoemd als benefactor van boeddhistische pelgrims in Sarnath, dat zeer waarschijnlijk in zijn gebied lag.[6] Hij moet in de tweede helft van de 3e eeuw geregeerd hebben. Mogelijk was hij een van de lokale machthebbers die na het wegvallen van de macht van de Kushana's zelfstandig werden. Zijn opvolger, Ghatotkachagupta, was mogelijk een zoon. Beide worden "maharaja" (letterlijk: "grote koning") genoemd, terwijl Chandragupta zich "maharajadhiraja" ("koning der koningen", oftewel "keizer") liet noemen. Hoewel wel gesuggereerd is dat de eerste twee Guptaheersers de Kushana's nog als opperheer erkenden, is hier geen bewijs voor.

Rond 308 n.Chr. huwde prins Chandragupta een prinses uit de machtige Licchhavidynastie. De Licchhavi's waren een als republiek georganiseerde verzameling clans (een zogenaamde gana-sangha), die een gebied in het noorden van het huidige Bihar en oosten van Nepal bestuurde. Zijn huwelijk in deze machtige familie hielp Chandragupta erkend te worden door de lokale heersers en bestuurders in de gehele oostelijke Gangesvlakte.[7] De band met de Licchhavi's was zo belangrijk, dat Chandragupta munten liet slaan waarop hij samen met zijn vrouw, Kumaradevi, staat afgebeeld. Zijn opvolger Samudragupta noemde in inscripties zijn afstamming van moeders zijde, niet die van zijn vaders zijde. Dit was zeer ongebruikelijk en laat zien dat de connectie met de Licchhavi's een beslissende factor was bij de opkomst van de Gupta's.

Het jaar waarin Chandragupta I de troon besteeg was waarschijnlijk 319,[8] en daarna moet hij nog meer gebied veroverd hebben, hoewel geen verslagen van deze militaire successen bewaard zijn. De Purana's suggereren echter dat hij onder andere Magadha, Prayaga (Allahabad) en Saketa (Avadh) onderwierp. Bij de dood van Chandragupta I in 335 besloeg het rijk daarom de gehele centrale Gangesvlakte en eraan grenzend gebied in Nepal en Bihar.

Het rijk op zijn hoogtepunt[bewerken]

Chandragupta's opvolger Samudragupta was een zeer succesvol veroveraar. Samudragupta liet een inscriptie over zijn overwinningen na in de pilaar van Prayaga, die Asoka vijf eeuwen eerder had laten oprichten. De inscriptie geeft een opsomming van heersers die door Samudragupta werden onderworpen. Hoewel veel namen niet identificeerbaar zijn, is duidelijk dat Samudragupta zijn rijk in het westen tot aan Mathura uitbreidde. Hij zou een opmerkelijke veldtocht dwars door Orissa naar het zuiden hebben geleid, waar hij tot aan Kanchipuram, de hoofdstad van de Pallava's kwam. Om zijn overwinningen te vieren en zijn status als keizer te bevestigen liet hij het brahmanistische paardenoffer uitvoeren, een ritueel dat in de eeuwen sinds Asoka onder invloed van het boeddhisme in ongebruik was geraakt. Samudragupta was niet alleen een capabel militair leider, hij was ook een patroon van dichters, kunstenaars en geleerden, die hij naar zijn hof trok.[9]

Gouden munt met ruiterafbeelding van Chandragupta II.

Samudragupta lijkt met zijn campagnes de Vakataka's in de Dekan moedwillig met rust te hebben gelaten. Mogelijk zag hij in dat deze inheemse dynastie een natuurlijke bondgenoot tegen de machtige westelijke satrapen vormde.[10] Na zijn dood rond 375 werd hij mogelijk eerst opgevolgd door zijn oudste zoon Ramagupta, die de hoofdpersoon vormde in het toneelstuk Devichandragupta. Hoewel dit werk verloren is gegaan, is het plot uit latere commentaren bekend. Ramagupta zou een smadelijke nederlaag tegen een Sakische (Indo-Scythische) koning hebben geleden. Deze Sakische koning eiste daarop dat Ramagupta zijn vrouw aan hem overdroeg. Ramagupta's jongere broer Chandragupta II wist de Indo-Scythische koning te doden, nam de troon van zijn broer over en trouwde de vrouw. Hoewel weinig historische waarde aan het verhaal wordt toegekend, wordt Ramagupta genoemd in enkele inscripties uit de 9e eeuw. De mogelijkheid dat hij inderdaad kort over het Guptarijk geregeerd heeft kan daarom niet worden uitgesloten.[11]

Hoe dit ook zij, Chandragupta II (380 - 415) was een competente heerser en veroveraar. Het bondgenootschap met de Vakataka's werd bezegeld met het huwelijk van de Vakatakaprins Rudrasena II met Chandragupta's dochter, Prabhavatigupta. Daarop onderwierp Chandragupta II de twee overgebleven Indo-Scythische rijken in het noorden van India, de noordelijke satrapen in Malwa en de westelijke satrapen in Gujarat. Omdat Rudrasena II kort na zijn troonbestijging overleed en Prabhavathigupta als regent voor haar minderjarige zoontje optrad, werd het Vakatakarijk gedurende enkele decennia de facto aan het Guptarijk toegevoegd. Ook onder de directe opvolgers van Prabhavatigupta bleven de betrekkingen tussen de twee rijken innig. De Gupta's waren nu op het hoogtepunt van hun macht. Centraal- en noordelijk India waren onderworpen, en verschillende heersers in het zuiden zonden het Guptahof schattingen en bruiden. Van Meghavarna, de koning van Sri Lanka tussen 351 en 379, is bekend dat hij ambassadeurs naar het Guptahof in Pataliputra zond. De Chinese pelgrim Fa Xian bezocht Pataliputra ook in deze tijd en schreef over het grote aantal beambten in dienst van de keizer en de rijkdom die hij er aantrof. Naast Pataliputra onderhield Chandrugupta ook hoven in Ayodhya en Ujjain. Aan het laatste hof leefden de zogenaamde "negen edelstenen", negen dichters die tot de grootste van de Sanskritische literatuur worden gerekend. De bekendste van de negen is Kalidasa.[9]

Chandragupta's zoon en opvolger Kumaragupta (415 - 455) liet het paardenoffer uitvoeren, maar het is onbekend welke veroveringen hem die eer deden toekomen.[12] Zijn regering was vooral een vredige en rustige periode. Wel zijn er sterke aanwijzingen dat na zijn dood een strijd om de opvolging werd gevoerd tussen drie pretendenten, mogelijk allen zoons van de overleden keizer. De overwinnaar was Skandagupta (455 - 467), die als de laatste grote Guptaheerser wordt beschouwd. Tijdens het einde van de regering van Kumaragupta had hij de in de streek rond de Narmada wonende Pushyamitra's onderworpen, wat volgens zijn inscripties grote militaire inspanning vergde. Mogelijk overleed Kumaragupta terwijl Skandagupta deze veldtocht voerde, waardoor Skandagupta's broers de tijd hadden hun opstand voor te bereiden. Waarschijnlijker is dat Skandagupta een zoon van een van Kumaragupta's bijvrouwen was, en daarom zelf als een usurpator kan worden beschouwd. Latere inscripties vermelden zijn naam niet, ondanks dat hij een zeer capabel heerser lijkt te zijn geweest. In plaats daarvan wordt de naam van Purugupta genoemd, een van de halfbroers die hij versloeg.[13]

Inval van de Hunnen[bewerken]

Skandagupta vermeldt in zijn inscripties dat hij behalve de Pushyamitra's later ook de "Huna's" versloeg, invallers uit het noorden die hij "mleccha's" (onreine buitenlanders) noemde. Het ging om een nieuwe en serieuze bedreiging, die het Guptarijk uiteindelijk de das om zou doen.

De Hunnen of Xiongnu waren een nomadisch volk dat in de eerste eeuwen voor Christus van de Mongoolse steppes naar Centraal-Azië migreerde. In de 4e eeuw na Christus vielen vanuit dit gebied groepen Hunnen het Sassanidenrijk in Perzië binnen. Andere groepen staken in het westen de Wolga over, waar ze de aldaar wonende Gotische en Alaanse stammen verjoegen, wat de Grote Volksverhuizing in Europa in gang zette. In Bactrië en Arachosia (het tegenwoordige oosten van Oezbekistan en Afghanistan) hadden groepen Hunnen zich met andere nomadische volkeren en stammen vermengd. Deze Kidarieten zagen zich als de opvolgers van het Kushanarijk.[13] Ze vormden rond 455-460 de eerste golf Hunse invallers in India, waar Skandagupta mee afrekende. De vestiging van de Hunnen in Centraal-Azië bracht de Gupta's behalve militaire bedreiging ook economische tegenslag: de handelsroutes met Europa en China werden afgesloten.

Zilveren Hephtalitische munt met ruiterafbeelding uit de 5e eeuw. De Hephtalieten kopieerden in hun muntslag kenmerken van de munten van de Gupta's.

Na de dood van Skandagupta in 467 brak een strijd uit tussen de zoons van Skandagupta en de zoons van zijn halfbroer Purugupta. Deze werd uiteindelijk gewonnen door Budhagupta (467 - 497), een zoon van Purugupta. Hoewel de regeerperiode van Budhagupta lang en relatief vreedzaam was, had de burgeroorlog zijn tol geëist. Lokale machthebbers hoefden de militaire macht van de Gupta's niet langer te vrezen en Budhagupta's opvolgers (zijn broer Narasimhagupta en diens zoon en kleinzoon) beheersten in de 6e eeuw een aanzienlijk kleiner gebied. Wat precies gebeurde is onduidelijk, maar muntvondsten doen vermoeden dat er rond 510 verschillende heersers in het oosten en westen van het rijk regeerden. Mogelijk heeft naast deze opdeling het boeddhisme een rol gespeeld bij de interne verzwakking van het Guptarijk. De Guptakeizers vanaf Budhagupta werden sterk beïnvloed door de leer van geweldloosheid en anti-materialisme van het boeddhisme, wat hun militaire acties kan hebben beïnvloed.[14]

Ondertussen had een andere Hunse groep, de Hephtalieten of Witte Hunnen, in Bactrië de Kidarieten onderworpen. Onder hun koning Toramana vielen ze daarop het Guptarijk aan, wat door de politieke instabiliteit militair verzwakt was geraakt. Ze veroverden Kasjmir, de Punjab, het huidige Rajasthan en het westelijk deel van de Gangesvlakte, om daarna tot in Malwa door te dringen, waar ze in 510 bij Eran de Guptaprins Bhanugupta versloegen. De zoon en opvolger van Toramana, Mihirakula, vestigde zijn hoofdstad in Sakala (Sialkot). Opvallend is dat alle contemporaine bronnen grote wreedheden beschrijven bij de Hunse veroveringen. Steden werden vernietigd en uitgemoord en centra van religie, kunst, handel en wetenschap verdwenen.[15] De Hunse heerschappij over het noordwesten van India was van korte duur, maar maakte een einde aan de bloei van de handel en kunst in het gebied.

Het gebied van de Gupta's was ten koste van de Hunnen geslonken tot het oosten van de Gangesvlakte, Kalinga en Bengalen. Hier bleven afstammelingen van Budhagupta tot rond 550 aan de macht. Typerend voor de achteruitgang van de macht van de Gupta's, was het niet de Guptakeizer die de Hunnen versloeg. Yashodharman, de vorst van Malwa en mogelijk een opstandige gouverneur van de Gupta's, verdreef Mihirakula's Hunnen rond 530 uit Malwa en omstreken. Yashodharman stierf rond 540 en liet geen duidelijke opvolger na, maar hij was niet de enige lokale machthebber die de Guptakeizer niet langer erkende.

Latere Gupta's[bewerken]

Met het wegvallen van de macht van de Gupta's halverwege de 6e eeuw ontstonden nieuwe, kleinere staten. In de praktijk kwam het erop neer dat aan de Gupta's onderworpen lokale dynastieën onafhankelijk werden. De Varmandynastie van Kamarupa (Assam) had zich aan het einde van de 5e eeuw al van het Guptarijk losgemaakt. De Vakataka's van de Dekan waren nooit meer dan de zwakkere partner in een bondgenootschap geweest, die in de 6e eeuw weer zelfstandig van de Gupta's handelde. Ook Nepal en Bengalen raakten weer zelfstandig. Andere nieuwe staten waren de Maitraka's in Gujarat, de Maukhari's in het westen en centrale deel van de Gangesvlakte en de Latere Gupta's in Magadha (het oostelijk deel van de Gangesvlakte) en delen van Malwa. De laatste dynastie droeg dan wel de naam Gupta, maar voor een dynastieke band met de Guptakeizers is geen bewijs. Mogelijk namen ze de naam Gupta slechts aan vanwege het prestige dat dit bracht.[16]

Uit inscripties zijn de namen en daden van de heersers uit de Latere Guptadynastie bekend, hoewel het lastiger is daar jaartallen bij te plaatsen. Jivitagupta (rond 525 - 545) voerde militaire campagnes in de heuvels die de opmaat van de Himalaya vormen en in Bengalen. Mogelijk diende hij nog als vazal de Guptakeizer. Zijn zoon en opvolger Kumaragupta (rond 545 - 560) regeerde echter als zelfstandig vorst. De Latere Gupta's voerden in het midden van de 6e eeuw een serie oorlogen tegen de Maukhari's in het westen, waarbij zowel Kumaragupta als zijn opvolger Damodaragupta sneuvelden. Damodaragupta's opvolger Mahasenagupta boekte een militair succes in het oosten door rond 575 de koning van Kamarupa (Assam) te onderwerpen.

Mahasenagupta kon echter niet lang van zijn overwinning genieten. In de laatste decennia van de 6e eeuw vielen de Chalukya's het noorden van India binnen. De Chalukya's waren een dynastie in de Dekan, waar ze de plaats van de Vakataka's hadden ingenomen. Chalukyaheerser Kirtivarman (567 - 597) veroverde Maghada en verdreef de Latere Gupta's naar Vidisha.

In de eerste helft van de 7e eeuw wist Harsha (606 - 647), een verre verwant van de Latere Gupta's, het noorden van India echter opnieuw te verenigen. Hij stelde een zoon van Mahasenagupta aan als gouverneur over Magadha. Hoewel Harsha een rijk veroverde dat qua omvang niet veel voor dat van de Guptakeizers van de 4e en 5e eeuw onder deed, was de politieke situatie veranderd. Ten tijde van de Gupta's waren er geen andere rijken in India die met hun macht konden wedijveren. Harsha had echter te maken met het machtige Chalukyarijk, dat aan hem gewaagd bleek. Een vijandige vorst in Bengalen wist Harsha bovendien lange tijd van de onderwerping van dat gebied af te houden.[17]

Na Harsha's dood viel zijn rijk weer uiteen en werden de Latere Gupta's weer onafhankelijk. Adityasena (rond 650 - 675) regeerde een aanzienlijk gebied, dat een groot deel van de Gangesvlakte en delen van Malwa en Bengalen besloeg. Dit koninkrijk werd nog een eeuw lang geregeerd door heersers die de naam Gupta droegen. De laatste van de Latere Gupta's, Jivitagupta II, wist gebied in het westen te veroveren, maar sneuvelde tegen Yasovarman van Kannauj (725 – 752). Aangezien hij geen erfgenaam had kwam een einde aan de dynastie van de Latere Gupta's.[18]

Bestuur[bewerken]

Gouden munt van keizer Kumaragupta I (rond 415 - 455), waarop een paard staat afgebeeld om diens paardenoffer te herdenken. Het paardenoffer, dat als rituele bevestiging van het koningschap diende, was een Vedisch ritueel dat door de Gupta's in ere hersteld werd.

De keizer en zijn hof[bewerken]

Aan het hoofd van het Guptarijk stond de keizer, die zich "koning der koningen" ("maharajadhiraja") liet noemen. Aanvankelijk bevond het Guptahof zich in Pataliputra (het tegenwoordige Patna), maar vanaf Chandragupta II waren er ook hoven in Ujjain en Ayodhya. Onder de Gupta's van de 5e eeuw werden deze verder naar het westen gelegen steden vaker gebruikt als hoofdstad, wellicht ook omdat het makkelijker was van hieruit de verdediging tegen invallen uit het noordwesten te organiseren.

De Guptakeizers zagen het koningschap voornamelijk in het licht van het brahmanisme. Zulk gedeeltelijk religieus bepaald koningschap werd bevestigd door Vedische rituelen, zoals het paardenoffer ("ashvamedha"). De koning kon zich dan de rol van chakravartin ("beweger van de kosmos"), toe-eigenen. De titel "maharajadhiraja" was overgenomen van de Kushana's, die hun keizers "shahanshah" noemden. De titel was oorspronkelijk afkomstig van Perzische dynastieën als de Achaemeniden.

De toewijding aan het brahmanisme uitte zich ook in de schenking van grote stukken land in leen aan brahmaanse families en gemeenschappen. Boeddhisten en jainisten werden eveneens gesponsord, maar hadden in vergelijking met voorgaande eeuwen veel meer concurrentie van de brahmanen als het aankwam op de gunst van de keizer.

De Guptakeizer werd bijgestaan door een raad van adviseurs of ministers. Aan het hoofd van deze raad stond de "pradhana manty", een soort eerste minister. Enkele van de ministersposten waren die van een opperbevelhebber, een hoofd van de ordedienst, een hoofd van de paleiswacht, een hoofd van de cavalerie en een hoofd van de krijgsolifanten. De militaire aard van deze functies laten zien dat verdediging en ordehandhaving de primaire taken van het centrale bestuur waren.[19]

Lokaal bestuur[bewerken]

Koperen plaatje met een verordening van keizer Budhagupta, laat 5e eeuw.

De omvang van rijken als dat van de Gupta's kan op het eerste gezicht groot lijken, maar in de praktijk viel hun politieke invloed over de verder van de hoofdstad gelegen gebieden tegen. Uit de inscripties en koperen plaatjes met verordeningen uit de Guptaperiode blijkt dat het rijk was opgebouwd uit drie schillen. In de buitenste schil, ver van het centrum van het rijk af, lagen vazalstaten en bondgenoten, zoals de Vakataka's. De Guptakeizer had in deze gebieden weinig invloed op het bestuur.

De tweede schil bestond uit gebieden waar de heersers al dan niet met militaire middelen onderworpen waren. Na een succesvolle veldtocht werd een verslagen heerser meestal opnieuw aangesteld als gouverneur. Van de onderworpen gebieden (zogenaamde "samanta's") werd verwacht dat ze de keizer erkenden en schatting afdroegen. De lokale machtsstructuur werd gewoonlijk ongemoeid gelaten. Als het Guptarijk een periode van interne instabiliteit doormaakte, zoals bij sommige machtswisselingen, konden de onderworpen heersers besluiten de betalingen van schattingen te stoppen. De nieuwe Guptaheerser moest deze gebieden dan opnieuw onderwerpen.

De binnenste schil was het gebied rondom Magadha en de oostelijke Gangesvlakte, de machtsbasis van het rijk, waar het gezag van de Guptakeizer sterker was. Waarschijnlijk kwam dit kerngebied ongeveer overeen met de gebieden onderworpen door Chandragupta I. Inscripties gevonden in West-Bengalen laten zien dat het kerngebied in provincies verdeeld was, die "bhukti's" of "desa's" genoemd werden. De gouverneurs van deze provincies ("kumaramatya's") werden direct door de keizer benoemd en werden bijgestaan door een raad van assistenten, vergelijkbaar met de ministers die de keizer adviseerden. De provincies waren weer onderverdeeld in districten ("pradesha's" of "vishaya's"). Ook deze bestuurslaag werd bestuurd door een raad van beambten, met aan het hoofd een "ayuktaka" of "vishayapati", de hoofdman van het district.[19] De ayuktaka's waren naast het dagelijks bestuur ook verantwoordelijk voor de rechtspraak in het district. Bestuurders van districten dichtbij de hoofdstad werden waarschijnlijk door de keizer zelf benoemd, bij districten verder van de hoofdstad vandaan werden ze benoemd door de gouverneur van de betreffende provincie. De laatste benoemde ook de leiders en bestuurders van steden en dorpen in zijn gebied. Deze lokale bestuurders vormden de onderste bestuurslaag en werden opnieuw geadviseerd door een dorps- of stadsraad, waarin vertegenwoordigers van de lokale families, kasten en gilden zaten. De raden werden bijgestaan door klerken.[20]

Uit inscripties blijkt dat de Guptakeizer geregeld vertegenwoordigers naar dorpen en agrarische gemeenschappen stuurde, maar wat hun taak precies was is onduidelijk. Mogelijk konden deze afgezanten toezicht houden op de uitvoering van bevelen of handhaving van de orde.[21]

Decentralisatie[bewerken]

Het Guptarijk wordt, na de woelige periode van uitheemse dynastieën, gezien als een blauwdruk voor de staatkundige opzet van de Indiase rijken van de Middeleeuwen. Het Guptarijk verschilde met zijn gedecentraliseerde bestuursstructuur sterk van het eerdere Mauryarijk. Het Mauryarijk was sterk gecentraliseerd en volgt daarin de beschrijvingen in de Arthashastra, het klassieke Indische werk op het gebied van staatkunde. De verdeling van politieke macht in het Guptarijk kan echter voorgesteld worden als een piramide. Boerengemeenschappen vormden de onderste bouwstenen; de keizer de top. Daartussen bevonden zich de kumaramatya's en ayuktaka's. Een regionale machthebber kon opklimmen in de piramide, maar de horizontaal gelaagde structuur van de piramide veranderde niet. Een dergelijke maatschappelijke orde kenmerkt zich door een zwak centraal gezag. De heerser aan de top had nauwelijks invloed op het leven van zijn onderdanen onderin de piramide. Andersom zullen die onderdanen vooral gehoorzaam aan hun dorpsoudste zijn geweest en zich nauwelijks met de (wisselende) heersers hoger in de hiërarchie verbonden hebben gevoeld.

Het centrale gezag was er vooral om de orde en veiligheid te handhaven en de staat te beschermen. Belangrijkste beslissingen over lokale problemen werden meestal gemaakt in de onderste, lokale bestuurslaag, de dorpsraad.[20] Voorafgaand aan de beslissingen werd overlegd door de raad, zodat vertegenwoordigers van de belangrijke groepen in de lokale gemeenschap medeverantwoordelijk waren voor de beslissingen.

Deze medeverantwoordelijkheid in de laagste bestuurslagen zorgde voor een sterk pluralistische samenleving. Het zwaartepunt van de Indiase samenleving verschoof van de steden naar het platteland. Niet alleen maakte dit de opkomst van regionale cultuursverschillen mogelijk, ook de staatsvorming op het Indisch Subcontinent had in het eerste millennium een toenemend regionaal karakter. Deze toenemende regionalisatie was vermoedelijk een belangrijke factor achter de langdurige periode van politieke versnippering na de val van het Guptarijk.[19]

Religie en maatschappij[bewerken]

Heropkomst van het hindoeïsme[bewerken]

Een hindoe voert het pujaritueel uit voor een lingam, een symbool voor de god Shiva, in een dorpstempel in West-Bengalen. Puja is een vorm van aanbidding waarbij de interventie van een priester niet noodzakelijk is. Dergelijke persoonlijke vormen van verering kwamen in de eerste eeuwen n.Chr. op. Lingams en andere idolen gingen een grotere rol in hindoeïstische rituelen spelen.

Tijdens de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling vond in India een herrijzing van het hindoeïsme plaats, hoewel de nieuwe vorm van verering weinig gelijkenis vertoonde met de Vedische godsdienst uit het eerste millennium v.Chr.. De wederopkomst van het hindoeïsme wordt verklaard door de sociale veranderingen in de Indische maatschappij. De stedelijke elite, vaak aanhangers van het boeddhisme of jainisme, verloor aan relatief belang. De in stamverband levende gemeenschappen op het platteland werden belangrijker. Binnen deze gemeenschappen bloeiden nieuwe vormen van verering op, zoals de Bhagavata, een vorm van verering van Krishna; en het shaivisme, de verering van de god Shiva. Deze goden waren in de Vedische religie onbelangrijk geweest. Ze verschilden bovendien van de Vedische vorm waaruit ze geleidelijk evolueerden. Tegelijkertijd verloren goden die in de Vedische tijd belangrijk waren aan belang, zoals de vuurgod Agni en de regengod Indra.

De nieuwe sekten baseerden zich op de Purana's, heilige teksten die in de eerste eeuwen na Christus hun definitieve vorm aannamen. De Purana's beschrijven elk afzonderlijk de rituelen ter verering van een bepaalde godheid, en vormen zo elk de blauwdruk voor een afzonderlijke cultus. Deze cultussen waren een stuk minder rigide georganiseerd dan het brahmanisme uit de Vedische tijd. Volgens de Purana's wordt een god aanbeden door middel van persoonlijke devotie. De interventie van een priester of het offeren van een dier is daarbij, in tegenstelling tot het brahmanisme, niet noodzakelijk. Het Vedische offersritueel maakte plaats voor "puja", het ritueel dat ook tegenwoordig nog de kern van het religieuze leven van hindoes vormt. Een belangrijk verschil is dat de god bij puja wordt gerepresenteerd door een standbeeld, dat wordt gehuisvest in een tempel (of mogelijk door een abstracter object, zoals een lingam in het geval van Shiva). Deze ontwikkeling had grote invloed op de Indische kunst en architectuur.

Sekten als Bhagavata, Pashputina en shaivisme worden wel "Puranisch hindoeïsme" genoemd. Ze kenden geen stichter maar evolueerden tijdens de eerste eeuwen na Christus geleidelijk uit diverse oudere rituelen en gebruiken. Deels waren dat elementen uit het brahmanisme, maar andere zaken kwamen voort uit volksgeloof en stamrituelen die soms haaks op het brahmanisme stonden.

Tegenwoordig worden de Puranische sekten onder de belangrijkste groeperingen binnen het hindoeïsme gerekend, maar de idee dat al deze groepen en sekten samen met het brahmanisme een geheel vormden is pas na de komst van islamitische heersers in India ontstaan. Daarom is bij de klassieke periode en middeleeuwen spreken van "hindoeïsme" in feite een anachronisme.[22] Er bestond geen besef van eenheid, maar net als de boeddhisten en jaina's bezaten de hindoeïstische groepen een grote tolerantie voor andere vormen van verering. Als conflicten tussen verschillende cultussen ontstonden ging dat meestal om de gunst van heersers of handelsgilden.

Boeddha in de dharmachakramudra, Sarnath, hoogte ongeveer 160 cm. Typisch voor de Guptaperiode is de grotere verfraaiing, bijvoorbeeld in het aureool.

Ontwikkeling van het boeddhisme en jainisme[bewerken]

Hoewel de Gupta's aanhangers van het brahmanisme waren, tolereerden en sponsorden ze soms ook de instituten van andere religieuze stromingen. De meest prominente daarvan was wellicht het boeddhisme, dat onder de Gupta's terrein verloor ten koste van het brahmanisme. Tegen de persoonlijke Puranische aanbidding van de nieuwe stromingen staken de abstracte leerstellingen van het boeddhisme bovendien schril af, wat een daling van het aantal volgelingen tot gevolg had. De reactie was aanpassing: een persoonlijkere vorm van aanbidding van Boeddha en bodhisattva's werd mogelijk gemaakt; beelden werden gebruikt om de "goden" in kwestie te representeren. Deze ontwikkeling vond geleidelijk plaats in de loop van het eerste millennium. Ze hield op den duur de nekslag voor het boeddhisme in India in, omdat het op die manier niet langer verschilde van andere cultussen en kon worden geabsorbeerd in het hindoeïsme. De ideologische tegenstellingen tussen boeddhisme en brahmanisme verdwenen. De Boeddha werd uiteindelijk aangemerkt als avatar van de god Vishnu en opgenomen in het hindoeïstische pantheon, zodat niet langer sprake was van een aparte godsdienst.

In de Guptatijd verloor het boeddhisme aan belang ten gunste van hindoeïstische stromingen, maar er waren regionale verschillen. In het noordwesten van India (Gandhara, Punjab, Kasjmir) en het tegenwoordige Afghanistan bleef het boeddhisme dominant. Verder bleven er belangrijke boeddhistische centra bestaan in Mathura, Nalanda, Sarnath, Kanchi en de grottempelcomplexen in het westen van de Dekan. In zulke centra leefden en werkten honderden monniken. Sommigen van hen lieten bekende werken na, zoals de filosoof Dignaga (rond 480 - 540), wiens Hetuchakra een belangrijke bijdrage aan de oosterse logica vormde.

Jainisme ontstond in zijn huidige vorm met de leringen van de laatste tirthankara (religieuze leraar), Mahavira, die volgens de traditie in de 6e eeuw v.Chr. leefde. In de tijd van de Gupta's won deze religie vooral aanhangers onder handelslieden in het het westen en zuiden van India. In sommige gebieden sponsorden de lokale machthebbers jainistische kloosters en instituten. Aan het einde van de Guptaperiode vond het schisma plaats tussen de Svetambara- en Divambarasekten. De concilie van Valabhi, waar de Jaina Canon vastgelegd werd, vond plaats in de 5e of 6e eeuw. De uitkomst werd alleen erkend door de Svetambara's. Jainisten die de canon niet erkenden zouden later de Divambara's vormen.

Sociale orde[bewerken]

De wederopkomst van het brahmanistische gedachtegoed maakte dat de invloed van de Smirti's en Dharmashastra's (hindoeïstische wetteksten) op de ordening van maatschappij en dagelijks leven in de Guptatijd sterker werd. De hoeksteen van de samenleving is voor hindoes de grootfamilie, die bestaat uit verschillende mannelijke verwanten die met hun vrouwen en kinderen onder een dak leven.[23]

Fa Xian schreef dat de Indiase bevolking welvarend en gelukkig was en iedereen het recht had te gaan en staan waar hij wilde. Alleen degenen die het land van de keizer bewerkten dienden daarvoor belasting te betalen. Verder meldde Fa Xian dat lijfstraffen in het Guptarijk niet voorkwamen. Bij een overtreding werd slechts een boete opgelegd, zelfs voor zaken als moord of hoogverraad. Daarnaast viel de Chinese monnik de afwezigheid van slagerijen en veemarkten op, omdat een groot deel van de bevolking een vegetarisch dieet volgde. Ook alcohol was volgens Fa Xian afwezig. Scholen en ziekenhuizen werden in stand gehouden door de giften van weldoeners. De hoofdstad Pataliputra bezat een dergelijk ziekenhuis, waar patiënten gratis verzorgd werden. Langs de belangrijkste wegen waren herbergen voor reizigers en overal trof Fa Xian tot zijn genoegen welvarende boeddhistische kloosters aan. Wat hij niet door schijnt te hebben gehad was dat het boeddhisme in sommige gebieden op zijn retour was.

De beschrijvingen van de Indiase maatschappij door Fa Xian zijn waarschijnlijk te positief, omdat hij zijn landgenoten wilde tonen dat het heilige land van de Boeddha een soort paradijs was. Andere bronnen laten echter zien dat het leven voor de lagere sociale klassen niet makkelijk was. Banabhatta beschrijft hoe de olifanten van koning Harsha de hutten van de armen vertrappelden, en dat die daar niets tegen konden doen. De Dharmashastra's uit de tijd bevatten een groter aantal vermeldingen van slaven, wat doet vermoeden dat er meer slavernij voorkwam dan in andere perioden uit de Indische geschiedenis. Slaven waren meestal krijgsgevangenen of schuldenaars die niet in staat waren hun schuld te betalen. Katyayana meldt dat brahmanen van slavernij uitgesloten waren. Slaven bleven een klein deel van het totale aantal werkers uitmaken, zeker vergeleken met andere delen van de klassieke wereld. Vaker werd gebruikgemaakt van betaalde werkkrachten.[24]

Kastenstelsel[bewerken]

De wederopkomst van het brahmanisme en de grotere invloed van Vedische teksten leidde ertoe dat het kastenstelsel tijdens de Gupta's belangrijker werd, met name de scheiding tussen de vier hoofdkasten (de varna's). Hindoes werden steeds vaker geacht binnen hun eigen kaste te trouwen en met name huwelijken tussen verschillende varna's werden sterk ontraden.

De kaste bepaalde ook steeds vaker welk beroep een persoon koos. Brahmanen werden geacht als priesters, klerken of dichters te leven, maar in de praktijk werkten ze vaak in andere beroepsgroepen. Handelaren en ambachtslieden waren meestal kshatriya's of vaishya's. In de handel werkten ook veel boeddhisten en jainisten, die uitgesloten waren van het kastenstelsel. De landbouw was voornamelijk het terrein van shudra's en vaishya's. Shudra's werkten ook als loswerklieden in de steden.

Fa Xian meldde dat wanneer kastelozen door de straten liepen, ze een bel moesten luiden zodat de hogere kasten niet met hun onreinheid besmet konden raken. Kastelozen waren uitgesloten van veel beroepen, zodat ze een permanente bron van goedkope arbeid waren.

In met name het noordwesten en westen van India hadden zich in de eerste eeuwen n.Chr. Grieken, Perzen en Centraal-Aziaten gevestigd die buiten het kastensysteem vielen en soms vreemde goden aanbaden. In de ogen van hindoes konden gebieden waar veel vreemdelingen (mleccha's) woonden niet langer als Aryavarta, "puur land", beschouwd worden. Brahmaanse priesters vonden een oplossing: met een ritueel konden de mleccha's in de kshatriyakaste gewijd worden. De sociale druk moet dermate hoog zijn geweest dat de vreemde leiders en krijgslieden op die wijze geleidelijk in het kastenstelsel geabsorbeerd werden. Mogelijk waren ze de voorouders van de Rajputs, die een aantal eeuwen na de val van het Guptarijk voor het eerst in de Indiase geschiedenis opduiken.[25]

Muurschildering uit de grotten van Ajanta, 6e eeuws. Hoewel het huwelijk en de liefde in de kunst vaak sterk geïdealiseerd werden, verslechterde de positie van de vrouw tijdens de Gupta's.

Positie van de vrouw[bewerken]

Hoewel het beeld van de vrouw in de klassieke Indiase literatuur sterk geïdealiseerd werd, was de positie van vrouwen ondergeschikt. De algemene trend in het eerste millennium was dat deze positie eerder verslechterde, vooral als gevolg van een groeiende invloed van puriteinse religieuze regels, zoals die uit de Dharmashastra's. Zo hadden dochters en weduwen geen recht op een deel van de erfenis, als er zoons waren.[26]

Vrouwen uit hogere kasten konden een goede opleiding volgen, maar er werd niet van ze verwacht een leidinggevende positie te vervullen. Uiteraard zijn er enkele uitzonderingen, zoals de vrouw van Chandragupta I, Kumaradevi, die vermoedelijk enige invloed op het bestuur had; of de dochter van Chandragupta II, Prabhavatigupta, die als regent een aantal decennia lang het Vakatakarijk bestuurde.

Hoewel men gewoonlijk monogaam leefde, was het niet ongehoord dat een man meerdere echtgenotes had. Sommige Guptakeizers hadden bijvoorbeeld meerdere vrouwen. De vrouw werd geacht gehoorzaam te zijn aan haar vader of echtgenoot. De Smirti's achtten het wenselijk dat een meisje voor de puberteit uitgehuwelijkt werd ("prajapatya"). Vrouwen uit met name de hogere kasten werden daarom steeds vaker op jonge leeftijd uitgehuwelijkt. Er werden in sommige wetteksten echter uitzonderingen gemaakt, waarbij een jongeman de bruid van zijn keuze kon trouwen, of een meisje haar echtgenoot zelf kon uitzoeken. Huwelijken uit liefde, zonder toestemming van de ouders ("gandharva"), of huwelijken waarbij de bruid ontvoerd werd ("paisacha" of "rakshasa") bleven mogelijk.

Een ander verschijnsel dat onder invloed van de religieuze regels opkwam was weduwenverbranding ("sati"). Weduwen uit met name de kshattriyakaste werden soms geacht zichzelf op de brandstapel van hun echtgenoot te werpen, of daartoe gedwongen. De eerste historische vermelding van een weduwenverbranding in India dateert uit de Guptatijd, namelijk uit 510.[24] Uiteraard golden dit soort zaken niet of in mindere mate voor aanhangers van andere religies. Boeddhistische of jainistische vrouwen konden bovendien aan sociale beperkingen ontsnappen door in het klooster te gaan leven als non. Ook in bepaalde beroepsgroepen, zoals kunstenaars, handelaren en rondreizende toneelspelers genoten vrouwen bepaalde vrijheden waar ze in andere beroepen en kasten van waren uitgesloten.

Economie en handel[bewerken]

De ijzeren pilaar van Delhi werd opgericht door keizer Kumaragupta I rond 420. De inscriptie herdenkt de militaire successen van diens vader Chandragupta II. De pilaar bestaat uit 99,7% ijzer, en is bewijs voor hoge ontwikkeling van de smeedkunst onder de Gupta's.

Landbouw en nijverheid[bewerken]

De Gupta's verbeterden het wegennet tussen de belangrijkste steden en havens, maar een groot deel van het transport van goederen vond over rivieren plaats. In de eerste eeuwen n.Chr. was de algemene ontwikkeling dat ruwe materialen steeds verder getransporteerd werden naar de productiecentra als gevolg van het verbeterde wegennet. Eerder vestigden de handelaren zich vaak op de plekken waar het materiaal gewonnen werd; nu vestigden de handwerk- en ambachtslieden zich vaker dichtbij de markten. Dit had tot gevolg dat technieken en ambachten zich over het Subcontinent verspreidden. De introductie van de katoenboog bijvoorbeeld zorgde ervoor dat fijner katoen van hogere kwaliteit gesponnen kon worden.

In de heuvels en berggebieden van het Indisch Schiereiland werden diverse edelstenen en halfedelstenen gewonnen. Koper werd gedolven in het huidige Rajasthan, op de Dekan en in de uitlopers van de Himalaya. IJzer was afkomstig uit mijnen verspreid over het hele Subcontinent. Goud en zilver kwamen voornamelijk uit de gebergten in het noordwesten, maar zijn altijd slecht voorradig geweest in India. Steenzout was vooral afkomstig uit de Salt Range in het noordwesten, terwijl het zuiden van India ivoor, ebbenhout en parels leverde.

In de economie van het Guptarijk was de landbouw belangrijker ten opzichte van de handel dan in het eerdere Kushanarijk. De landbouw intensifieerde onder de Gupta's bovendien, als gevolg van de groeiende vraag onder de bevolking. De Gupta's lieten irrigatiewerken aanleggen en restaureren om de productie te verhogen. De belangrijkste gewassen waren rijst, graan, rogge, erwten, linzen, gember en diverse soorten fruit. Specerijen zoals peper, kardemom en sandelhout groeiden vooral in het zuiden. Uit de Indusvallei en Kasjmir kwam saffraan. Het bouwland was ofwel in handen van landeigenaren, ofwel in handen van de keizer. Om een stuk land te mogen bewerken moest belasting over de landopbrengst aan de eigenaar of keizer betaald worden.[27]

Gilden[bewerken]

Gilden (in India "sreni's" genoemd) hadden zowel een economische als maatschappelijke functie, de laatste enigszins vergelijkbaar met die van de jati's. Naast handelaren en geldwisselaars bestonden er gilden voor ambachtslieden, van wevers tot steenhouwers. De leden waren vaak afkomstig uit verschillende kasten. De gilden zamelden geld in en waren in staat investeringen te doen die individuele leden niet konden financieren. De leden kozen uit hun midden een bestuur dat beslissingen voor het gilde nam. Het gildebestuur kon bij geschillen tussen de leden zelfs een vorm van rechtspraak uitoefenen. De vertegenwoordigers van de lokale heerser of Guptakeizer lieten de gildes daarin normaal gesproken vrij, tenzij er de staat zelf gedupeerd was. De gilden genoten daarmee een vorm van immuniteit vergelijkbaar met die van gemeenschappen van brahmanen.[28]

Sommige gilden verspreidden hun activiteiten over een groter gebied dan een enkele stad. De belangrijkste gilden doneerden aanzienlijke bedragen aan tempels, ziekenhuizen en kloosters. Omdat handelaren vaker tot het boeddhisme of jainisme behoorden was een aanzienlijk deel van de begroting van kloosters afkomstig van gilden. Koperplaatjes met inscripties vermeldden zulke schenkingen en geven een gedetailleerd beeld van de rol die de gilden in het economische en sociale leven speelden.

Kaart van de belangrijkste handelsroutes en -centra door Azië in de eerste eeuwen n.Chr..

Buitenlandse handel[bewerken]

Hoewel de Gupta's zich nadrukkelijk als inheemse heersers profileerden, namen ze de behoefte aan buitenlandse luxegoederen van de Kushana's over. De handel met Centraal-Azië, China en het Middellandse Zeegebied bleef daardoor in stand.[29]

De handel met het Middellandse Zeegebied was in de eerste eeuw n.Chr. als gevolg van de grote vraag naar luxegoederen in het Romeinse Rijk explosief gegroeid. Tijdens de Kushana's waren nieuwe handelsroutes over Centraal-Azië ontstaan, maar het grootste deel van de handel met het westen vond plaats over zee. Romeinse, Griekse en Byzantijnse bronnen als Strabo, Ptolemaeus, Kosmas Indikopleustes en de Periplus Maris Erythraei laten zien dat Romeinse zeevaarders de westkust van India en de Coromandelkust uitstekend kenden. Er bestaan zelfs vage verwijzingen naar Zuidoost-Azië in Romeinse teksten. Omgekeerd waren de Indische handelaren en zeevaarders bekend met de Romeinse en Arabische wateren. Overigens vielen de havensteden in het zuiden van India buiten de politieke invloedssfeer van de Gupta's. De belangrijkste havenstad in het Guptarijk was Bharuch (Barygaza), in het tegenwoordige Gujarat.

De Indiërs importeerden uit het westen verfstoffen, wijn en edelmetalen, de laatste al dan niet in de vorm van muntgeld. De meeste vondsten van gouden Romeinse munten in Azië zijn gedaan in het zuiden van India, voornamelijk omdat de Kushana's en Gupta's in het noorden de gewoonte hadden Romeins goud om te smelten en er eigen munten van te slaan.[30] De Romeinse schrijver Plinius de Oudere klaagde over het handelstekort van de Romeinen met India. Hoewel de handel met het westen tijdens zowel de Kushana's als de Gupta's een belangrijke bron van inkomsten was, is niet geheel zeker of inderdaad sprake was van een handelstekort bij de Romeinen.

De handel met China was aanzienlijk gegroeid met de ontsluiting van de Zijderoute onder de Kushana's. Uit Centraal-Azië werden door de Indiërs vooral paarden en huiden geïmporteerd; uit China zijde. Dankzij betere technieken was de Chinese zijde van superieure kwaliteit aan wat men in India produceerde. Er was in India een onophoudelijke vraag naar Chinese zijde in boeddhistische kloosters (waar men de zijde gebruikte om cultusbeelden te bekleden) en onder de elite. De Chinezen waren op hun beurt aanvankelijk vooral geïnteresseerd in edelstenen, parels, peper en saffraan uit India.

De handel met Zuidoost-Azië kwam in de vierde eeuw op gang, voornamelijk omdat de vraag naar luxegoederen in het Romeinse Rijk afnam en de Indische handelaren op zoek moesten naar nieuwe bronnen van inkomsten. De belangrijkste havenstad voor handel met het oosten was Tamralipti in de Gangesdelta. De Indische handelaren stichtten handelskolonies langs de Andamanse kust, op het Maleisisch Schiereiland, en zelfs op Java en in de Mekongdelta in het huidige Cambodja.

Culturele uitwisseling[bewerken]

Minstens drie maal reisden politieke ambassadeurs uit India naar het Romeinse en Byzantijnse Rijk.[31] Veel invloed heeft dit niet gehad. Ondanks de grote omvang van de handel liet India in het Middellandse Zeegebied slechts een vage indruk van een ver, exotisch gebied achter.

Anders was het gesteld met de culturele uitwisseling met China en Zuidoost-Azië. Met de handelaren reisden ook boeddhistische monniken en brahmaanse asceten over de Zijderoute naar Centraal-Azië, om tenslotte China te bereiken. In de tijd van de Gupta's was het boeddhisme in China al diep geworteld. Chinese monniken reisden nu in tegengestelde richting over Centraal-Azië naar India om heilige teksten te kopiëren en plaatsen die met het leven van de Boeddha werden geassocieerd te bezoeken.

Net als bij de handel met China reisden de Indische asceten en monniken ook met de handelaren naar Zuidoost-Azië mee, om in het gebied een culturele omslag te veroorzaken. De Indische culturele invloed op Zuidoost-Azië was nog groter dan die op China en Centraal-Azië, maar dat wil niet zeggen dat het gebied cultureel tot India ging behoren. Hoewel de Indische religies (op het jainisme na) er een plek vonden mengden deze religies zich met elementen van plaatselijke mythologieën en cultussen, waardoor ze duidelijk gingen verschillen van hun tegenhangers in India. Ook sociaal-maatschappelijk gezien bleven Zuidoost-Azië en India gescheiden werelden. Het kastenstelsel vond in Zuidoost-Azië bijvoorbeeld nooit ingang.

Bronnen en verwijzingen

Voetnoten

  1. a b Singh (2008), p 474
  2. Mookerji (2007), p 1-2
  3. Sharma (1989), p 2
  4. Singh (2008), p 473
  5. Thapar (2004), p 223
  6. Agrawal (1989), p 86
  7. Avari (2007), p 155
  8. Mookerji (2007), p 15
  9. a b Avari (2007), p 158
  10. Sen (1999), p 243
  11. Sen (1999), p 213
  12. Sen (1999), p 217
  13. a b Kulke & Rothermund (2004), p 96
  14. Sen (1999), p 223 -citeert hierbij Goyal (1967), p 368
  15. Kulke & Rothermund (2004), p 97
  16. Sen (1999), p 247
  17. Kulke & Rothermund (2004), p 110-111
  18. Zie Sen (1999), p 247-248 voor een kort overzicht van de Latere Gupta's
  19. a b c Avari (2007), p 160
  20. a b Kulke & Rothermund (2004), p 95
  21. Stein (2010), p 90
  22. Thapar (2004), p 275
  23. Sen (1999), p 235-236
  24. a b Thapar (2004), p 303
  25. Stein (2010), p 96; Thapar (2004) oppert echter het idee dat de Rajputs afstammelingen van de Hunnen zijn
  26. Sen (1999), p 236
  27. Sen (1999), p 239
  28. Stein (2010), p 91
  29. Liu (2010), p 84
  30. Kulke & Rothermund (2004), p 108
  31. Sen (1999), p 234

Literatuur

  • (en) Agrawal, A.; 1989: Rise and Fall of the Imperial Guptas, Motilal Banarsidass, ISBN 8120805925.
  • (en) Avari, B.; 2007: India: The Ancient Past: A History of the Indian Sub-Continent from c. 7000 BC to AD 1200, Routledge, ISBN 9780203088500.
  • (en) Goyal, S.R.; 1967: A History of the Imperial Guptas, doctoral thesis.
  • (en) Kulke, H & Rothermund, D.; 2004: A History of India, Routledge (4th ed.), ISBN 0-203-39126-8.
  • (en) Liu, X.; 2010: The Silk Road in World History, Oxford University Press, ISBN 978-0-19-516174-8.
  • (en) Mookerji, R.; 2007: The Gupta Empire, Motilal Banarsidass, ISBN 8120804406.
  • (en) Sen, S.N.; 1999: Ancient Indian History and Civilization, New Age International, ISBN 8122411983.
  • (en) Singh, U.; 2008: A History of Ancient and Early Medieval India: From the Stone Age to the 12th Century, Pearson Education India, ISBN 9788131711200.
  • (en) Sharma, T.J.; 1989: A Political History of the Imperial Guptas: From Gupta to Skandagupta, Concept Publishing Company, ISBN 8170222516.
  • (en) Stein, B.; 2010: A History of India (2nd ed.), Blackwell, ISBN 978-1-4051-9509-6.
  • (en) Thapar, R.; 2004: Early India: From the Origins to AD 1300, University of California Press, ISBN 0520242254.