Egyptische kronen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Hadjet)
Ga naar: navigatie, zoeken

De Egyptische kroon bestaat uit een aantal kronen die op het hoofd van farao of een god te zien was. Deze kronen hadden functies of waren symbolen voor landen.

Egyptische kronen[bewerken]

In de Oud-Egyptische kunst zijn er veel kronen te zien. De meeste goden werden met zo'n kroon getooid omdat ze een bepaalde stad in Egypte verkondigen of omdat ze de vorst (lees:Farao) verkondigen zoals Horus. Ook koningen droegen de kronen, voor sommige kronen hebben we nog de Oud-Egyptische naam maar voor sommige niet. Er wordt vermoed dat de kroon ook in het graf werd meegegeven voor na de dood. Raar genoeg zijn deze kronen nooit fysiek in graven gevonden, dit omdat ze meestal waren geplunderd voordat de archeoloog het graf ontdekte.

Rode kroon[bewerken]

De rode kroon

De rode kroon of Desjret is het symbool voor Beneden-Egypte. De kroon bestaat uit een rode mijter die doorloopt aan de achterkant, aan de voorkant springt er een strook schuin omhoog die eindigt in een krul. De kroon werd beschermd door Wadjet, een slangengodin die meestal als uraeus te zien was aan de voorkant. Deze kroon is al gesignaleerd sinds de predynastieke periode in Opper-Egypte, waarschijnlijk is het ingevoerd tijdens de koningschap van Narmer. De kroon wordt gebruikt in het hiërogliefen-schrift waar het de letter n voorsteld.

Witte kroon[bewerken]

De witte kroon of Hadjet is een langwerpige muts die zich toespitst aan het einde en eindigde in een knobbel. De kroon werd gedragen als de vorst zich als een heerser van Opper-Egypte wou voordoen. De kroon stond onder bescherming van de gierengodin Nechbet.

Dubbele kroon[bewerken]

De dubbele kroon of Psjent was een combinatie van de witte en de rode kroon. Er bestaan twee varianten van deze kroon. Zowel beide varianten werden gebruikt in de schilderkunst als in de beeldhouwkunst. Deze kroon stond onder invloed van de twee godinnen van Egypte die soms als beide godinnen te zien zijn. Men beschouwt deze kroon ook als kroon van verenigd Egypte. De varianten zijn:

  • De rode kroon zit aan de buitenkant en de witte kroon zit daar binnen in.
  • De witte kroon heeft een strook die schuin omhoog springt en eindigt in een krul.

Oorlogskroon[bewerken]

De chepresj is een blauwe helm die lijkt op een oorlogshelm die militairen droegen. De blauwe helm is een mijter die voorzien is van een gouden rand en gouden rondjes of belletjes. De kroon raakte in de mode in het nieuwe rijk o.a. Ramses II en Seti II droegen massaal de oorlogskroon. Van deze kroon is zeer weinig bekend.

Atef-kroon[bewerken]

Osiris met zijn atef-kroon.

De atef werd gedragen door mythische eerste koning: Osiris. Osiris was ook god van de vruchtbaarheid en op zijn kroon prijkte een witte kroon met plantenstengels en struisvogelveren. Deze kroon werd tijdens het nieuwe rijk verfraaid met ramshoorns.

Hemhem[bewerken]

Een kroon die de atef combineert met heilige symbolen zoals zonnen en ramshorens. Onderaan begonnen de ramshorens en dan kwamen er drie atef-kronen waar tussenin de zonnen stonden. De kroon werd gedragen door godheden en koningen. De hemhem kwam in de mode rond de late tijd en de ptolemaeen (dit is de naam van de uit Macedonië stammende koninklijke dynastie die regeerde van 305 v.Chr. tot 30 v.Chr.).

Nemes[bewerken]

Is eigenlijk niet echt een kroon maar een doek. De standbeelden van koningen worden er vaak mee getooid en soms in combinatie met de psjent. Het doek werd rondom het hoofd en de schouders neergelegd en er was een tegengewicht bij de nek zodat de doek niet van het hoofd afviel.

Gierenkap[bewerken]

Egyptische koninginnen, gemalinnen of godinnen droegen vaak een gierenkap. Koningin Tetisheri was de eerste van de 18e Dynastie van Egypte die er een droeg. Deze dynastie greep terug naar de oudste traditie. De gierenkap duikt voor het eerst op bij de moeder van Menkaura, en vormt reeds een iconografisch element voor de Egyptische koningin moeder in de 4e tot de 6e Dynastie van Egypte.[1] Het is een kap in de vorm van de gier, die aan het voorhoofd kon worden opgezet, het haar kon naast de vleugels van de gierenkap worden gedrapeerd langs de oren. Bij de staart kwamen de overige haren eruit en vielen langs de schouders. Onder Pepi II duikt ook de met gierenkap verbonden uraeuscobra in verschillende voorstellingen van zijn gemalinnen op. Roth besluit daaruit dat deze combinatie vanaf dan een typisch attribuut van de Koninklijke vrouwe wordt.[2] De gier was het patroondier van verschillende godinnen maar zeker Nechbet die de koningin, gemalin of godin beschermde.

Noten[bewerken]

  1. Roth, (2001) pp. 57-58
  2. Roth, Silke (2001): Die Königsmütter des Alten Ägypten von der Frühzeit bis zum Ende der 12. Dynastie. Wiesbaden , p. 280

Illustrerende afbeeldingen[bewerken]

Zie ook[bewerken]