Hanns-Martin Schleyer
Hanns-Martin Schleyer (Offenburg, 1 mei 1915 - onbekende plaats in Noord-Frankrijk, 18 oktober 1977) was een Duits manager en econoom. Hij ging de geschiedenis in toen hij in 1977 ontvoerd werd door de Rote Armee Fraktion en werd vermoord nadat de kopstukken van de RAF in hun cel zelfmoord pleegden.
Biografie [bewerken]
Na zijn middelbareschooltijd ging Schleyer studeren aan de universiteit van Heidelberg. Hij werd er lid van het studentencorps Suevia, waar hij bij het schermen een litteken opliep. Tevens was Schleyer van 1933 tot 1945 lid (nr. 221.714) van de SS. Schleyer bekritiseerde het Corps Suevia in 1935 omdat het joodse oud-leden niet uit de vereniging zette. Daarop stapte hij over naar de nationaalsocialistische studentenbeweging in Heidelberg en vanaf 1941 was hij leider van de nationaalsocialistische studentenbeweging in Praag. In zijn hoedanigheid van "Beauftragter des Sicherheitsdienstes (SD) der SS für den Universitätsbereich" was hij betrokken bij de vervolging van linkse studentenleiders. Vanaf 1943 was hij in het protectoraat Bohemen en Moravië verantwoordelijk voor de controle over en plundering van de industrie in het bezette land ten gunste van nazi-Duitsland.
Na zijn vrijlating uit krijgsgevangenschap werd Schleyer bij de denazificatie als meeloper gekwalificeerd. Aldus niet meer gehinderd door zijn naziverleden bouwde Schleyer een carrière op in West-Duitsland. Vanaf 1973 was hij voorzitter van de Duitse werkgeversorganisatie Bundesvereinigung der Deutschen Arbeitgeberverbände.
Op 5 september 1977 werd hij door het zogenoemde Kommando Siegfried Hausner ontvoerd. Deze groep bestond onder andere uit Peter Jürgen Boock, Willy Peter Stoll, Sieglinde Hofmann en Stefan Wisniewski. Aanvankelijk werd Schleyer 11 dagenlang op een adres (Zum Renngraben 8) in een buitenwijk van Keulen gevangengehouden. Vanaf 16 september 1977 werd Schleyer enkele dagen verborgen gehouden in een woning aan de Stevinstraat 266 in Scheveningen, waar ze na enkele dagen spoorslags moesten verdwijnen nadat de politie het RAF-lid Angelika Speitel betrapte op het huren van een auto onder een valse naam en er een vuurgevecht volgde, waarbij ze wist te ontkomen. Ze waarschuwde de ontvoerders in de Stevinstraat die Schleyer dezelfde dag nog overbrachten naar een statig pand in de Brusselse plaats Sint-Pieters-Woluwe. Daar werd Schleyer vastgehouden tot hij uiteindelijk op 18 oktober werd vermoord[1].
Tijdens zijn ontvoering werd Schleyer gedwongen mee te werken aan een voor hem vernederende video, waarin hij de Duitse regering opriep hem te ruilen voor elf in de gevangenis zittende RAF-leden. Om deze vrijlating nog wat meer te forceren werd terzelfder tijd Lufthansa-vlucht 181, een Boeing 737 (de Landshut), gekaapt op een vlucht van Mallorca naar Frankfurt (door Palestijnse strijders die op dat moment samenwerkten met leden van de RAF). De kapers werden evenwel te Mogadishu door leden van de Duitse antiterreureenheid GSG 9 uitgeschakeld. Op 18 oktober 1977 werden in de gevangenis van Stammheim de lijken aangetroffen van de gevangen zittende kopstukken van de RAF (Andreas Baader, Gudrun Ensslin en Jan-Carl Raspe). Een vierde terroriste, Irmgard Möller, werd met steekwonden aangetroffen.
Daags na de dood van de RAF-kopstukken van Baader, Ensslin en Raspe werd Hanns-Martin Schleyer dood aangetroffen te Mulhouse. Na een tip van de RAF vond men op 19 oktober 1977 zijn lijk in de kofferruimte van een groene Audi 100.
Een van de betrokken ontvoerders, Christian Klar, is op 19 december 2008 na 25 jaar gevangenschap op vrije voeten gesteld. Hij geeft niet meteen de indruk de toenmalige acties te betreuren.
Het nazi-verleden van Schleyer is in Duitsland lange tijd onderwerp van controverse geweest en was vooral in de eerste jaren na de ontvoering en moord onbespreekbaar. In een ARD-documentaire uit 2002 heeft het televisiepubliek kennis kunnen nemen van zijn gedragingen in de oorlog.
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Zie de categorie Hanns Martin Schleyer van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |