Hans Ras

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hans Ras

Johannes Jacobus (Hans) Ras (Rotterdam, 1 april 1926 - Warmond, 22 oktober 2003) was een Nederlandse taalkundige op het gebied van de Indonesische en de Javaanse taal.

Van 1961 tot 1964 was hij docent aan de Universiti Malaya (in het Engels: University of Malaya). Vanaf 1964 was hij verbonden aan de Universiteit Leiden waar hij van 1985 tot 1992 hoogleraar was in de Javaanse taal- en letterkunde. Van 1969 tot 1971 was hij tevens in Jakarta het eerste hoofd van de vertegenwoordiging van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV). Tot aan zijn emeritaat in 1992 was hij ook diverse malen bestuurslid van dit instituut.

Jeugd[bewerken]

Als scholier in 1935

Ras werd geboren als derde zoon in een familie met vier kinderen. Zijn vader had een groothandel in suikerwaren, de firma Ras, en alle kinderen moesten meehelpen in de zaak. In principe zouden ze naar de mulo gaan, zoals gebruikelijk was. Maar toen de oudste na eigenwijs gedrag naar de hbs werd verbannen, volgden de anderen in zijn spoor.

Na Ras’ eindexamen begon de Tweede Wereldoorlog. Hij dook onder terwijl zijn broers bij de Arbeitseinsatz waren. Toen al had hij belangstelling voor taalstudie, met name Javaans en Arabisch. Maar met zijn hbs-diploma was een letterenstudie in die tijd onmogelijk.

Studie, reizen[bewerken]

In 1946 startte hij met de studie indologie, maar de gang van zaken in Indonesië deed hem al spoedig beseffen dat er geen toekomst was voor een Nederlandse bestuurder in dat land. Na een korte switch naar de economiestudie vertrok hij naar Frankrijk. Hij vond werk bij een stuwdam in aanbouw. Daar kwam zijn kennis van het Arabisch opgedaan bij de Indologie-studie, hem goed van pas, want de meeste arbeidskrachten waren Noordafrikanen. Het reizen beviel hem goed en hij reisde door naar Libië, Egypte en Aden.

In Nederland teruggekomen vervulde hij zijn militaire dienst, waarna hij, 24 jaar oud, solliciteerde bij de Rotterdamse handelsonderneming Internatio (het huidige Internatio-Müller). Hij werd uitgezonden naar Indonesië en te werk gesteld in Batavia. Later werd hij geplaatst als agent in Banjarmasin, in Zuidoost-Kalimantan, met de opdracht om bevolkingsrubber op te kopen. Dat bleek in die jaren, waarin de verhouding met Indonesië heel precair was, een hachelijke zaak. De lokale linkse vakbonden waren fel tegen het koloniale kapitaal waarvan zij Internatio als een typische vertegenwoordiger zagen. In felle acties werd Ras herhaaldelijk ook persoonlijk bedreigd. Zo schakelden ontslagen werknemers doekoens in om zijn huis te beheksen. Tenslotte bleek verder werken daar onmogelijk en keerde hij terug naar Nederland.

Maar het verblijf op Borneo had Ras’ interesse voor Indonesië in al zijn facetten versterkt. De toenmalige hoogleraar Maleis, Drewes, raadde hem aan om het toen net ingestelde diploma tolk-vertaler Indonesische taal te behalen. In 1959 behaalde Ras dit diploma, waarmee hij kon worden toegelaten tot de universitaire studie.

Op het examen ontmoette hij Widjiati Soemoatmodjo. Widjiati werkte op de Indonesische ambassade in Den Haag en werd in 1960 naar Brussel overgeplaatst. Dat betekende veelvuldige trips tussen Leiden en Brussel, in weer en wind op de scooter. Zelfs een zwaar ongeluk waaraan hij een hersenschudding overhield, weerhield hem hiervan niet.

Intussen wijdde Ras zich met grote ambitie aan de studie, inclusief het verplichte Arabisch en Sanskriet. Aan de muren in zijn kamer hing hij lijsten met woorden en uitdrukkingen, die hij zelfs tijdens het scheren in zijn hoofd probeerde te prenten.

University of Malaya[bewerken]

Al in 1961 behaalde hij cum laude zijn doctoraalexamen, trouwde met Widjiati en samen vertrokken ze naar Kuala Lumpur, waar hij - nog voor hij geslaagd was – tot "lecturer" (docent) was benoemd aan de Universiti Malaya. Professor Roolvink, later hoogleraar in Leiden, was daar toen "Head of Department". Ras zette zich naast zijn onderwijstaak aan het schrijven van zijn dissertatie over de Hikayat Banjar, de Maleise geschiedenis van Banjarmasin.

Promotie, KITLV[bewerken]

Het stel kreeg daar een zoon en toen na drie jaar het contract erop zat, ging het gezin terug naar Leiden, waar Ras benoemd werd tot wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep Talen en Culturen van Zuidoost-Azië en Oceanië.

In 1966 kreeg hij een dochter en in 1968 promoveerde hij cum laude op een omvangrijke dissertatie; niet alleen een tekstuitgave van de Hikayat Banjar maar ook een beschouwing van de tekst in breder literair en cultuur-historisch verband. Kort na de promotie vertrok het gezin Ras naar Jakarta, voor de voorbereiding van de oprichting van een Indonesische vertegenwoordiging van het KITLV aldaar.

Ondanks grote politieke en bureaucratische hindernissen bracht Ras dit tot een goed einde. Dankzij zijn werk werd de solide basis gelegd voor een wetenschappelijke samenwerking die tot vandaag de dag voortduurt.

Rijksuniversiteit Leiden, publicaties[bewerken]

Na zijn terugkeer in 1971 bleef Hans Ras werkzaam in de Leidse vakgroep. Hij heeft zich steeds meer op het Javaans gericht, en verzorgde als naaste medewerker van professor E.M. Uhlenbeck ook een deel van diens onderwijstaak. Na Uhlenbecks emeritaat was Ras dan ook de aangewezen persoon om hem op te volgen. In 1985 werd hij benoemd tot hoogleraar in de Javaanse taal- en letterkunde.

Voor het onderwijs schreef hij een Javaanse grammatica, met een uitgebreide bloemlezing van hedendaagse Javaanse teksten. Wetenschappelijk belangrijk zijn vooral een aantal uitvoerige en diepgravende studies op het gebied van de Javaanse cultuur en literatuur: twee aspecten van die cultuur hadden zijn speciale belangstelling. Hij verdiepte zich in de wajang en zijn historische ontwikkeling. Hij vertaalde ook een wajang toneeltekst in het Nederlands: De schending van Soebadra. En niet minder belangrijk zijn zijn studies over de wording, de structuur, de functie en de betrouwbaarheid van de Javaanse historische teksten, in het bijzonder de Babad Tanah Jawi. De belangrijkste studies van Ras zijn in 1992 herdrukt in het boek The Shadow of the Ivory Tree.

In de laatste jaren van zijn leven heeft Ras zich gezet aan een nieuwe uitgave van de Pararaton, filologisch en literair-historisch gezien één van de ingewikkeldste Oud-Javaanse teksten, die zijn aandacht al had getrokken in de tijd dat hij aan de Hikayat Banjar werkte. De Pararaton werd eigenlijk eerder al in 1898 door J.L.A. Brandes uitgegeven en vertaald in het Nederlands. Daarnaast werd deze tekst in het Engels vertaald in 1996 door I Gusti Made Phalgunadi. Brandes’ editie is echter onbevredigend en Phalgunadi’s editie is filologisch gezien onaanvaardbaar. Vandaar dus dat Ras een nieuwe editie verzorgde. Door zijn gezondheidstoestand bleef dit werk onvoltooid.

Wel publiceerde Ras nog zijn conclusies uit een vergelijking van de Pararaton uit 1481 met respectievelijk de Sanskriet-inscriptie van Canggal uit het jaar 732, de inscriptie van Śivagŗha uit het jaar 856, de Calcutta-steen van 1041 en de Babad Tanah Jawi van 1836. Hij constateert duidelijke overeenkomsten in karakter, structuur en functie van deze teksten. Ook is er overeenkomst met teksten uit de Maleise geschiedschrijving. Op grond hiervan stelt hij voor, uit het gehele Indonesische gebied een specifiek type teksten bijeen te plaatsen in één literair genre, de ‘rijkskroniek’ of het 'koningsboek’: geschiedschrijving in dienst van de legitimiteit van het koningschap.

Ras nam met ere zijn plaats in de Leidse traditie van Indonesische studies in. Zijn publicaties munten uit door minutieus feitenonderzoek, vaak van handschriften, gecombineerd met brede wetenschappelijke ontwikkeling, kritische zin en scherpe intelligentie, aldus zijn promotor A. Teeuw, Leids emeritus hoogleraar in de Maleise en Indonesische taal- en letterkunde.

Enthousiast docent, boeiend en beeldend[bewerken]

Maar daarnaast, aldus zijn leerling en opvolger Ben Arps, was hij een enthousiast docent, die boeiend en beeldend college gaf. Een performer. Dat hield ongetwijfeld verband met het feit dat hij, anders dan de meeste van zijn collega’s, sterke belangstelling had voor volkstheater, voor populaire cultuur, voor wat je zou kunnen noemen in de Latijnse betekenis des woords: de vulgaire, dus volkse aspecten van de Javaanse beschaving.

Hoewel hij een geleerde van de oude stempel was, en een zekere afstand bewaarde van zijn studenten, probeerde hij hen toch actief te betrekken bij het vak; bijvoorbeeld door een college op te zetten als een seminar met papers, met voordrachten en discussie, iets wat in die tijd binnen de vakgroep niet erg gebruikelijk was, en door bovendien bij tijd en wijle bij hem thuis lezingen voor studenten te laten houden.

Hij bracht zijn liefde voor de cultuur en de mensen van Java over, op wetenschappelijk en ander gebied. Hij was zeer geïnteresseerd in mensen met belangstelling voor de Indonesische en met name de Javaanse cultuur. zoals Rien Baartmans, de veel te vroeg overleden poppenspeler uit Haarlem, die niet alleen Nederlands poppenspel opvoerde maar ook prachtig de Javaanse wajang kon vertonen en heel beroemd was, vooral bij kinderen, door zijn opvoeringen van de Wajang-Kantjil verhalen, de verhalen over het dwerghertje. En zijn goede vriend Ger van Wengen, die zich in het Rijksmuseum voor Volkenkunde bezig hield met het populariseren van wetenschap. Ger profiteerde van gegevens die Hans Ras hem verstrekte – zoals zijn boek De schending van Soebadra - en Hans leerde weer van Ger.

Oude dag[bewerken]

In 1992 ging Ras, 66 jaar oud, met pensioen. Dat beviel hem maar matig. Hij miste zijn werk en zijn gezondheid liet hem gaandeweg in de steek. Rond de millenniumwisseling werd hij grootvader, maar de ziekte van Parkinson speelde hem steeds meer parten. In 2002 kwam hij met een longontsteking in het ziekenhuis terecht. Langer thuis wonen was onmogelijk geworden. Vanaf augustus 2002 verbleef hij in een verpleegtehuis in Warmond, waar hij, tot het einde door Widjiati’s zorg omringd in de herfst van 2003 op 77-jarige leeftijd overleed.

Na Ras’ emeritaat in 1992 heeft de Javanistiek in Leiden zich verder ontwikkeld langs de paden die Hans Ras belopen of zelfs gebaand heeft. De aandacht voor teksten, geschreven teksten, die de Leidse Javanistiek natuurlijk ook al vóór Ras kenmerkte, blijft de rode draad in de vakbeoefening. De traditionele geschiedschrijving, een van zijn specialismen, raakte op de achtergrond, maar met zijn aandacht voor contemporaine populaire cultuur heeft Hans Ras de basis gelegd voor de serieuze wetenschappelijke bestudering daarvan die nu plaats vindt.

Hans Ras, aldus Arps, zal ongetwijfeld waardering hebben gehad voor de eenvoud, de schoonheid en de wijsheid van het Javaanse gezegde Urip iku mung mampir ngombé - vertaald: het leven is slechts een bezoekje om wat te drinken.
'Mampir' is een belangrijk begrip in de Javaanse cultuur. 'Mampir' betekent onderweg eventjes bij mensen thuis langs gaan, bij vrienden, familie of buren. Indische Nederlanders gebruiken in dit verband nog wel het woord 'aankeren'.

Bibliografie[bewerken]

  • Hikayat Banjar. A study in Malay historiography. (1968, Den Haag uitgeverij Nijhoff, Bibliotheca Indonesica 1)
  • Lange consonanten in enige Indonesische talen. Dubbel geschreven mediale consonanten. (1968, BKI 124: blz. 521-541)
  • The Panji romance and W.H. Rassers' analysis of its theme (1973, BKI 129: blz. 411-456)
  • De schending van Soebadra Javaans schimmenspel volgens Soerakartase traditie bewerkt door ki Kodiron. Vertaald uit het Javaans en van toelichtingen voorzien. (1976, Amsterdam uitgeverij Meulenhoff, De Oosterse Bibliotheek 1)
  • The historical development of the Javanese shadow theatre. Review of Indonesian and Malayan Affairs (1976, hoofdstuk 10.2 blz. 50-76)
  • De clownfiguren in de wayang (1978, BKI 134: blz. 451-465)
  • Javanese literature since independence. An anthology. (1979, Den Haag uitgeverij Nijhoff, VKI 88, ISBN 90-247-2309-4)
  • Inleiding tot het modern Javaans. (1982, Den Haag uitgeverij Nijhoff, ISBN 90-247-6176-X) (1994: 3e druk: ISBN 90-6718-073-4)
  • The social function and cultural significance of the Javanese wayang purwa theatre. (1982, Indonesia Circle 29: blz. 19-32)
  • The main characters of the Wayang Poerwa, thirty-seven colour plates, with a summary of the Pandawa cycle, (1985, Foris Publications Dordrecht, Reeks Indonesische herdrukken, ISBN 90-6765-069-2 in map)
  • Het ontstaan van de Babad Tanah Jawi. Herkomst en functie van de Javaanse rijkskroniek. Rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in de Javaanse taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden op vrijdag 25 oktober 1985 door Dr. J.J. Ras.
  • The Babad Tanah Jawi and its reliability. Questions of content, structure and function. In: C.D. Grijns en S.O. Robson (eindredactie), Cultural contact and textual interpretation. Papers from the Fourth European Colloquium on Malay and Indonesian Studies, held in Leiden in 1983 (1986, Dordrecht, Cinnaminson: Foris. VKI 115, blz. 246-273)
  • Hikayat Banjar and Pararaton. A structural comparison of two chronicles. In: C.M.S. Hellwig en S.O. Robson (eindredactie), A man of Indonesian letters (1986, Dordrecht, Cinnaminson: Foris VKI 121, blz. 184-203) ISBN 90-6765-206-7
  • Hofdichters op Java in de Hindu-Javaanse tijd (negende tot zestiende eeuw) (1986, in De Bruyn, Idema en Van Oostrom, Dichter en hof. Verkenningen in veertien culturen. Utrecht: HES. blz. 225-243)
  • Betekenis en functie van de Babad Tanah Jawi. In: W.L. Olthof, Babad Tanah Jawi. Javaanse Rijkskroniek. W.L. Olthofs vertaling van de prozaversie van J.J. Meinsma, lopende tot het jaar 1721 (1987, Dordrecht: Foris. 2nd, rev. ed. met een introductie door J.J. Ras KITLV Indonesische Herdrukken, blz. ix-liv. Tekst ISBN 90-6765-219-9. Vertaling ISBN 90-6765-218-0.)
  • The genesis of the Babad Tanah Jawi. Origin and function of the Javanese court chronicle. (1987, BKI 143: blz. 343-356)
  • Javanese tradition on the coming of Islam. In: W.A.L. Stokhof en N.J.G. Kaptein (eindredactie), Makalah-makalah yang disampaikan dalam rangka kunjungan menteri agama R.I.H. Munawir Sjadzali, M.A. ke Negeri Belanda (31 oktober - 7 november 1988) (1990, Jakarta: INIS, Seri INIS 6, blz. 147-178)
  • Siti Hawa Salleh, Hikayat Banjar. Johannes Jacobus Ras. Penterjemah Siti Hawa Salleh. Dewan Bahasa dan Pustaka. Kementerian Pendidikan Malaysia. (1990, Kuala Lumpur, ISBN 983-62-1240-X)
  • In memoriam Professor C.C. Berg, 18-12-1900 tot 25-6-1990 (1990, BKI 147-1 (1991): blz. 1-11)
  • Variation, transformation and meaning. (1991, 242 pages, Leiden, VKI 144, ISBN 90-6718-027-0)
  • De beoefening van het Javaans in Indonesië en Nederland. Rede uitgesproken op vrijdag 8 mei 1992 ter gelegenheid van het afscheid als gewoon hoogleraar in de Javaanse taal- en letterkunde. Prof. dr. J.J. Ras.
  • The Shadow of the Ivory Tree. Language, literature and history in Nusantara. (1992, Semaian 6. Vakgroep Talen en Culturen van Zuidoost-Azië en Oceanië, Rijksuniversiteit te Leiden. ISBN 90-73084-07-5.)
  • Geschiedschrijving en de legitimiteit van het koningschap op Java (1994, BKI 150-3 (1994): blz. 518-38)
  • Sacral kingship in Java. In: Marijke J. Klokke & Karel R. van Kooij (eds.), Fruits of inspiration. Studies in honour of Prof. J.G. de Casparis, retired Professor of the Early History and Archaeology of South and Southeast Asia at the University of Leiden, the Netherlands, on the occasion of his 85th birthday, pp. 373-388. Groningen: Egbert Forsten, 2001. [Gonda Indological Studies 11.] ISBN 90-6980-137-X geb

Externe links[bewerken]