Harald Klak

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Harald Klak was een Deense koning in Jutland in verschillende perioden tussen 812 en 827. Hij werd in 852 vermoord door edelen uit Saksen en bewakers van de Deense grens op beschuldiging van verraad.[1]

Zoals zijn vader Halvdan hoorde hij tot de frankisch-vriendelijke partij in Denemarken. Hij werd in 813 verjaagd door de zonen van Godfred, die in 810 in Friesland door zijn eigen lijfwacht was vermoord. Harald zocht in 814 zijn toevlucht bij Lodewijk de Vrome. In 819 liet Lodewijk de Saksen Denemarken binnenvallen. Twee van Godfreds zonen accepteerden Harald als mederegent, twee andere zonen gingen in landsvlucht. In het jaar 826 liet Harald zich in Mainz dopen, samen met zijn vrouw en met zijn zoon Godfred. Harald keerde naar Denemarken terug, maar werd in 827 door zijn mederegenten verdreven. Hij vestigde zich in de Friese gouw Rüstringen, dat hem door Lodewijk als leen gegeven was. Na 829 zwijgen de bronnen over deze Harald, tot dat in 852 wordt vermeld dat een Harald, die jaren eerder voor Koning Rorik vluchtte en vele jaren trouw onder de Franken leefde, door de Frankische edellieden die het grensgebied bestuurden, werd gedood vanwege een verdenking van verraad.

De broers Harald en Rorek waren waarschijnlijk oomzeggers van Harald Klak en dus neven van Godfred Haraldson.

Literatuur[bewerken]

  • D.J. Henstra, Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer, pag. 57