Hasmoneeën

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De familie van de Hasmoneeën[1] heeft een belangrijke rol gespeeld in de Joodse geschiedenis kort vóór het begin van onze jaartelling. De familienaam gaat vermoedelijk terug op een voorouder met de naam Chasjmon/Hasmon.[2]

Makkabeeën[bewerken]

Judea aan het begin van de Makkabese opstand

De beroemdste leden van de familie van de Hasmoneeën zijn Mattathias en zijn vijf zonen, ook wel aangeduid als Makkabeeën. Mattathias en zijn zonen namen in het jaar 167 v.Chr. het initiatief voor de Makkabese opstand, waarbij Joden die de Thora wilden naleven rebelleerden tegen de Seleucidische overheerser Antiochus IV Epiphanes. Het begin en verloop van de opstand wordt beschreven in het boek I Makkabeeën, zij het vanuit een gekleurd (pro-hasmonees) perspectief.

Aanvankelijk leidde Mattathias de opstand, maar na zijn dood nam zijn zoon Judas de leidersrol op zich. Hij is ook degene die als eerste de bijnaam 'Makkabeeër' kreeg (Makkabeeër betekent 'moker'). Drie jaar na het begin van de opstand veroverde Judas de tempel op de Seleucidische troepen en wijdde deze opnieuw. Dit wordt door Joden nog jaarlijks herdacht in het Chanoekafeest.

Judas en drie van zijn broers (namelijk Johannes, Jonathan - die Judas als leider van de opstand opvolgde - en Eleazar) sneuvelden in de strijd. Onder Simon de Makkabeeër, de enige in leven gebleven Makkabese broer, ontstond een zelfstandige Joodse staat, waarvan Simon de eerste vorst was.

Stamboom[bewerken]

Leiders van de Makkabese opstand of koningen in de Hasmonese dynastie zijn dikgedrukt.

 
 
 
 
 
 
 
 
Mattathias
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Johannes Makkabeüs
 
Simon Makkabeüs
 
Judas Makkabeüs
 
Eleazar Makkabeüs
 
Jonathan Makkabeüs
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Judas
 
Mattathias
 
Johannes Hyrkanus
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aristobulus I
 
Antigonus
 
Alexander Janneüs
 
Salome Alexandra
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aristobulus II
 
Hyrkanus II
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Antigonus
 
Alexander
 
Alexandra
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Aristobulus III
 
Herodes I
 
Mariamne
 

Hasmonese dynastie[bewerken]

Toen Simon stierf, werd hij opgevolgd door zijn zoon Johannes Hyrcanus. Daarmee werd de Hasmonese dynastie gevestigd. Voor het eerst na de Babylonische ballingschap was er weer sprake van een zelfstandige Joodse staat.

De achtereenvolgende Hasmonese heersers over de Joodse staat waren:

Groei van het Hasmonese rijk[bewerken]

In de tijd van Judas Maccabeüs was Judea een klein tempelstaatje. Vooral de eerste Hasmonese koningen toonden zich echter grote veroveraars. Het Hasmonese rijk breidde zich snel uit, tot het de omvang had van het Israël van de koningen David en Salomo.

Oppositie[bewerken]

Hoewel de Makkabeeën tijdens de opstand op veel steun konden rekenen van de wetsgetrouwe Joden (in deze periode ook wel chasideeën genoemd), veranderde dat toen de onafhankelijke Joodse staat was ontstaan. Uit de werken van Flavius Josephus blijkt dat de Farizeeën en de Essenen, die beide voortkomen uit de chasideeën, gedurende heel de Hasmonese periode kritisch of zelfs afwijzend stonden tegenover de Hasmonese heerschappij. De reden hiervoor was tweeledig.

Eerst en vooral hadden zij er bezwaar tegen dat de Hasmoneeën het koningschap en het hogepriesterschap in zich verenigden. Dit was, meenden zij, in strijd met de Thora: de koning moest afkomstig zijn uit de stam Juda, terwijl de hogepriester moest stammen uit de stam Levi, meer specifiek uit het geslacht van Aäron.

In de tweede plaats namen de Hasmonese vorsten in toenemende mate de hellenistische cultuur over, terwijl Essenen en Farizeeën zich vastklampten aan de Joodse tradities waar, naar hun gevoel, de Makkabeeën voor gestreden hadden.

Het boek I Makkabeeën lijkt geschreven te zijn met de bedoeling de binnenlandse oppositie te overtuigen van de rechtmatigheid van de Hasmonese heerschappij.

Einde van de dynastie[bewerken]

De broers Hyrcanus II en Aristobulus II waren na de dood van hun moeder Salome Alexandra in een hevige strijd om de opvolging gewikkeld. Aan hun beider ambities kwam een einde toen de Romeinen in 63 v.Chr. Jeruzalem innamen. De Romeinen stelden Hyrcanus II aan als hogepriester over het Joodse land, dat nu een vazalstaat van de Romeinen was geworden. Hyrcanus' gebrek aan ruggengraat gaf zijn raadsheer Antipater - de gouverneur van Idumea - de kans in toenemende mate een belangrijke politieke rol voor zich op te eisen.

In 40 v.Chr. kwamen de Parthen onder Orodes II en zijn zoon Pacorus I op het toppunt van hun macht en wisten zij grote delen van Syrië te veroveren. Antigonus, de zoon van Aristobulus II, sloot een bondgenootschap met hen en met hun hulp wist hij voor korte tijd de macht over te nemen en de Hasmonese staat in ere te herstellen (40 v.Chr.-37 v.Chr.). De Parthische opleving hield echter niet lang stand en daarmee was feitelijk ook Antigonus' lot bezegeld. Herodes, de zoon van de inmiddels overleden Antipater, heroverde Jeruzalem met hulp van de Romeinen en kreeg het koningschap over het Joodse land. Om zijn heerschappij ook in Joodse ogen legitiem te maken, trouwde hij met de Hasmonese prinses Mariamne, maar haar politieke invloed was nihil. Ook Mariamnes broer Aristobulus III speelde geen rol van betekenis meer, doordat hij – kort nadat hij onder internationale politieke druk het ambt van Hogepriester had gekregen – om het leven kwam bij een door Herodes bevolen moordaanslag.

De familie van de Hasmoneeën bleef nog wel geruime tijd populair onder de Joden, maar heeft Herodes en de door hem gestichte nieuwe Herodiaanse dynastie niet meer van de heerserspositie kunnen verdringen.

Referenties[bewerken]

  1. De dynastie wordt zo aangeduid door Flavius Josephus, onder meer in Joodse Oudheden, XIV 490. In de Misjna en in latere Rabbijnse literatuur wordt gesproken over "de zonen van חשמונאי [Chasjmôn'aj]" (m.Middot I 6).
  2. De familienaam van de dynastie van de Hasmoneeën komt volgens Josephus van een voorvader, genaamd Ἀσαμωναῖος (Asamônaios of Asmoneüs) (zie Flavius Josephus, Joodse Oudheden XII 265), waarvan gezegd wordt dat hij de overgrootvader van Mattathias was, maar waar verder niets over bekend is.