Haviltex
| Haviltex | ||
| Datum | 13 maart 1981 | |
| Partijen | Ermes/Haviltex | |
| Zaak | 11647 | |
| Instantie | Hoge Raad | |
| Rechters | Ras, Drion, Snijders, Haardt, Royer | |
| Adv-gen | Franx | |
| Soort zaak | civiel | |
| Procedure | cassatie | |
| Onderwerp | uitleg overeenkomsten | |
| Vindplaats | NJ 1981, 635; VN 1983, 2211; LJN AG4158 | |
Het arrest Ermes/Haviltex tegenwoordig kortweg bekend als Haviltex (13-03-1981, NJ 1981, 635),[1] is een arrest van de Nederlandse Hoge Raad. Haviltex is een gevleugeld begrip geworden in het civiele recht waar het de uitleg van een bepaling in een overeenkomst of contract betreft, zoals Lindenbaum/Cohen dat lange tijd was voor de onrechtmatige daad.
Het arrest bepaalde dat bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst het niet genoeg is om enkel naar de taalkundige betekenis van de tekst te kijken, maar dat ook gekeken moet worden welke betekenis de partijen aan de tekst gaven en wat ze over en weer van elkaar mochten verwachten.
Deze uitleg wordt sindsdien ook gebruikt om niet schriftelijke overeenkomsten te interpreteren en wordt in beide gevallen ook wel aangeduid als de Haviltex-formule of -maatstaf.
Het arrest heeft grote maatschappelijke gevolgen - niet alleen op het overeenkomstenrecht - maar ook op het bestuursrecht. Voor rechterlijke instanties (rechtbank, gerechtshof, bezwaar- en beroepscommissies van bijvoorbeeld het CIZ, UWV, e.d.) betekent dit een onderzoeksplicht naar de intentie van partijen ten tijde van het sluiten van een overeenkomst of ten tijde van een aanvraag voor een indicatie. Het is een misvatting dat het Haviltex-arrest niet zou gelden voor het bestuursrecht.
[bewerken] Overweging
In dit arrest formuleerde de Hoge Raad de zogenaamde Haviltex-formule (pp.=partijen):
Dit citaat staat in de tweede overweging omtrent het middel.
[bewerken] Haviltex "with a twist"
Op 18 oktober 2002 heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen die beide betrekking hebben op de vraag of bij de beoordeling van een geschil omtrent een clausule in een overeenkomst de Haviltex-maatstaf dan wel de objectieve uitlegmethode moet worden toegepast: HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 503, m.nt. Du Perron en HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 258, m.nt. MMM.
In zijn annotatie wijst Du Perron erop dat aan het toepassen van de objectieve methode in ieder geval waarin derden bij de overeenkomst betrokken raken, het nadeel is verbonden dat hierdoor de verwachtingen van partijen kunnen worden geschaad nu voor hen de overeenkomst in beginsel immers de betekenis heeft die volgt uit de Haviltex-maatstaf. Hij betoogt dat men niet naar het zware middel van de objectieve uitlegmethode behoeft te grijpen, nu de gewenste resultaten ook kunnen worden bereikt met wat de "genuanceerde uitlegmethode" kan worden genoemd, in welke methode bij het toepassen van de Haviltex-maatstaf gewicht toekomt aan de omstandigheid dat de betrokken overeenkomst naar haar aard derden raakt die verwachtingen op de overeenkomst zullen baseren. Sprekend van "Haviltex with a twist" verwijst Du Perron in dit verband naar dat tweede arrest van 18 oktober 2002: de rechten die een werknemer kan ontlenen aan een pensioenreglement van de werkgever telden mee bij de uitleg van een verzekeringsovereenkomst die de werkgever ten behoeve van hem met een verzekeraar had gesloten. Afgewacht moet worden welke plaats dan overblijft voor de objectieve methode. Du Perron meent dat de kernvraag is of bij de uitleg van de overeenkomst ten opzichte van anderen dan de ontstaanspartijen geen betekenis kan toekomen aan hetgeen zich enkel tussen die partijen heeft afgespeeld. Volgens hem zal dat een uitzondering blijven, bestemd voor overeenkomsten die de rechtspositie van een groot aantal personen op uniforme wijze beogen te regelen. Concluderend dat kennelijk niet de keuze van de methode of maatstaf maar die van de relevante omstandigheden het uitlegresultaat bepaalt, besluit Du Perron "dat er meer is tussen zuivere Haviltex en objectieve uitleg dan denkers in afgebakende categorieën voor mogelijk houden".
| Referenties |