Heer Halewijn zong een liedekijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het lied 'Heer Halewijn zong een liedekijn' is een mondeling overgeleverde ballade, die waarschijnlijk stamt uit de middeleeuwen.

Inhoud lied[bewerken]

Het lied gaat over een prinses die naar de zingende Heer Halewijn in het bos wil gaan. Haar ouders verbieden het omdat nog nooit iemand daarvan teruggekomen is. Haar broer geeft haar toestemming om te gaan, als ze haar eerbaarheid maar bewaart. Zij ontmoet Heer Halewijn, die haar meeneemt naar een galgenveld met dode lichamen van vrouwen en hij kondigt aan haar te willen doden. Hij is echter onder de indruk van haar schoonheid en vraagt aan haar hoe ze gedood wil worden. Ze kiest voor het zwaard (de adellijke manier, i.t.t. de galg).

Dan blijkt echter dat de koningsdochter een list heeft bedacht: ze stelt voor dat Heer Halewijn zijn overkleed uittrekt, zodat het niet met haar bloed besmeurd zal raken. Terwijl hij zijn kleed uittrekt, grijpt zij haar kans en hakt zijn hoofd eraf. Ze stapt op haar paard en rijdt met het hoofd van Heer Halewijn naar huis. Onderweg komt ze de moeder van heer Halewijn tegen en vertelt haar dat het hoofd op haar schoot van haar zoon is. Ze keert terug naar huis. De koning is blij dat zijn dochter levend teruggekomen is en hij houdt een feestmaal.

Het thema van het "onweerstaanbare lied" is ook bekend van de sirenen uit de Odyssee en de Loreley. Er is echter een verschil: in het lied van Heer Halewijn wordt de slechterik verslagen.

Liedtekst[bewerken]

Heer Halewijn zong een liedekijn;
Al die dat hoorde wou bij hem zijn.

En dat vernam een koningskind,
Die was zoo schoon en zoo bemind.

Zij ging voor haren vader staen;
'Och vader, mag ik naer Halewijn gaen?'

'Och neen, gij dochter, neen gij niet!
Die derwaert gaen en keeren niet.'

Zij ging voor hare moeder staen:
'Och moeder, mag ik naer Halewijn gaen?'

'Och neen, gij dochter, neen gij niet!
Die derwaert gaen en keeren niet.'

Zij ging voor hare zuster staen:
'Och zuster, mag ik naer Halewijn gaen?'

'Och neen, gij zuster, neen gij niet!
Die derwaert gaen en keeren niet.'

Zij ging voor haren broeder staen:
'Och broeder, mag ik naer Halewijn gaan?'

't Is mij aleens waer dat gij gaet,
Als gij uw eer maer wel bewaert,
En gij uw kroon naer rechten draegt.'

Toen is zij op haer kamer gegaen
En deed haer beste kleeren aen.

Wat deed zij aen haeren lijve?
Een hemdeken fijnder als zijde.

Wat deed zij aen haer schoon korslijf?
Van gouden banden stond het stijf.

Wat deed zij aen haren rooden rok?
Van steke tot steke een gouden knop.

Wat deed zij aen haeren keirle? (overkleed)
Van steke tot steke een peirle. (parel)

Wat deed zij aen haer schoon blond haer?
Een kroone van goud en die woog zwaer.

Zij ging dan in haer vaders' stal,
En koos daer 't beste ros van al.

Zij zette haer schrijlings op het ros:
Al zingend en klingend reed zij door 't bosch.

Als zij te midden 't bosch moge zijn.
Daer vond zij mijn heer Halewijn.

'Gegroet!' zei hij, en kwam tot haer.
'Gegroet, schoon maegd, bruin oogen klaer!'

Zij reden met elkander voort
En op den weg viel menig woord.

Zij kwamen bij een galgenveld,
Daeraen hing menig vrouwenbeeld.

Alsdan heeft hij tot haer gezegd:
'Mits gij de schoonste vrouwe zijt,
Zoo kiest uw dood! Het is nog tijd.'

'Wel als ik dan hier kiezen zal,
Zoo kieze ik dan het zwaard voor al.

Maer trekt eerst uit uw opperst kleed,
Want maegdenbloed dat spreit zoo breed;
Zoo 't u bespreide het ware mij leed.'

Eer dat zijn kleed getogen was,
Zijn hoofd lag voor zijn voeten ras;
Zijn tong nog deze woorden sprak:

'Gaet ginder in het koren
En blaest daar op mijn horen,
Dat al mijn vrienden 't hooren.'

'Al in het koren en gae ik niet;
Op uwen horen en blaes ik niet.'

'Gaet ginder onder de galge
En haelt daer een pot met zalve
En strijkt dat aen mijn rooden hals!'

'Al onder de galge en gae ik niet;
Uwen rooden hals en strijk ik niet,
Moordenaers-raed en doe ik niet.'

Zij nam het hoofd al bij het haer
En waschte 't in een bronne klaer.

Zij zette haer schrijlings op het ros;
Al zingend en klingend reed zij door 't bosch.

En als zij was ter halver baen,
Kwam Halewijns moeder daer gegaen:
'Schoon maegt, zaegt gij mijn zoon niet gaen?'

'Uw zoon heer Halewijn is gaan jagen,
g'en ziet hem weer uws levens dagen

'Uw zoon heer Halewijn is dood;
Ik heb zijn hoofd in mijnen schoot;
Van bloed is mijnen voorschot rood!'

Toen ze aen haer vaders poorte kwam,
Zij blaesde den horen als een man.

En als de vader dit vernam,
't Verheugde hem dat zij weder kwam.

Daer werd gehouden een banket;
Het hoofd werd op de tafel gezet.

Opmerkingen bij het lied[bewerken]

Over deze twee laatste regels is er discussie tussen letterkundigen. Sommige van de geleerden beweren dat ze later zijn toegevoegd aan het lied, omdat het woord "banket" pas vanaf de 16e eeuw in die betekenis werd gebruikt. Het motief lijkt overgenomen uit het verhaal van Johannes de Doper.

Bij het zingen wordt de tweede regel van elke strofe herhaald, behalve als de strofe drie regels telt, dan wordt de derde regel op de melodie van de herhaling gezongen.

Er zijn meerdere varianten van dit lied bekend, zowel wat betreft tekst als melodie. Bij varianten uit Groningen, Friesland en Twente wordt in plaats van Heer Halewijn Heer Alberts of Jan Alberts genoemd.

Datering[bewerken]

De datering van het lied is vrij onzeker maar er wordt gedacht dat dit ongeveer in de 13e of 14e eeuw is ontstaan. Het is, voor zover bekend, pas voor het eerst opgetekend in de 19e eeuw: rond 1830 noteerde Jan Frans Willems het van een los liedblaadje en publiceerde het in 1848 op blz. 116-119 van zijn boek Oude Vlaemsche Liederen. Vorm, taalgebruik en onderwerp wijzen op een middeleeuwse oorsprong. Het lied zou dan eeuwenlang mondeling zijn overgeleverd (orale traditie) ofwel zijn eerdere noteringen zijn verloren gegaan.

Literatuur[bewerken]

  • Stefaan Top: Sir Halewijn in the Flemish Oral and Printed Tradition. The Stockholm Ballad Conference 1991. Stockholm 1992, p. 105 -- 118
  • Holger Olof Nygard, The Ballad of Heer Halewijn, its form and Variationes in Western Europe: A Study of the History and Nature of a Ballad Tradition. Helsinki 1958 (FF Comunications No 169)
  • Ate Doornbosch: Onder de Groene Linde Deel 1. Uitgeverij Uniepers, Amsterdam 1987 ISBN 90 6825 0485

Externe links[bewerken]