Heilig Jaar

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Afgebeeld: de bul Nuper per alias, die een aanvulling vormde op de door paus Bonifatius VIII uitgevaardigde bul Antiquorum habet waarmee het eerste gedocumenteerde Heilig Jaar (1300) werd afgekondigd.

Het katholieke Heilig Jaar of Jubilé vindt zijn oorsprong in de Middeleeuwen. Het vindt zijn oorsprong onder andere in het joodse Jubeljaar.

Sinds de tiende en de elfde eeuw begon het christendom een steeds vanzelfsprekender aspect te worden in het dagelijks leven. Vaak werden heiligenbeelden in processies rondgedragen en de overblijfselen van heiligen werden onder grote toeloop van gelovigen ook buiten de kerken getoond. De massale toeloop is te verklaren uit het feit dat bidden nabij relieken als werkzamer werden gezien en bovendien, niet geheel onbelangrijk, konden er vaak aflaten mee verkregen worden. Religieuze feesten, waarbij relieken werden getoond, werden over het algemeen reliekentoningen of ook Jubilés genoemd. Kenmerk van deze gebeurtenissen was, dat ze slechts een keer in de zoveel tijd werden gehouden.

De belangrijkste onder de Jubilés was dat van Rome, waar door het bijwonen van reliekentoningen, een volledige aflaat verdiend konden worden. Dit Jubilé is waarschijnlijk niet het oudste.

Anders dan bij de meeste reliekentoningsfeesten kende men in Rome in de 11e eeuw geen vaste tijd waarin een Heilig Jaar werd gehouden. De pausen namen zelf deze beslissing. Ook de bepalingen voor het verkrijgen van de aflaat veranderden sterk in de loop der Heilige Jaren. De bepalingen werden door de eeuwen heen steeds uitgebreider. Aanvankelijk was een bezoek aan de Sint-Pietersbasiliek met daarbij aanwezigheid bij de toning van en zegening met de reliek van de Zweetdoek van Veronica een verplichting. Later werden de voorwaarden uitgebreid met onder andere de eis de vier belangrijkste kerken van Rome te bezoeken, de Sint-Jan van Lateranen, de Sint-Pietersbasiliek, de Maria de Meerdere en de Sint-Paulus buiten de Muren. Voor bewoners van de stad werd het aantal verplichte bezoeken op dertig vastgesteld, voor pelgrims van buiten op vijftien. Het aantal pelgrims dat door de Heilige Jaren werd aangetrokken was enorm. Precieze cijfers zijn er niet bekend. Een gebeurtenis in 1450 geeft een indruk van het aantal bedevaarders. In dat jaar kwamen 128 pelgrims om tijdens een paniek die ontstond op de brug bij de Engelenburcht, een van de doorgangsroutes tussen de vier hoofdkerken. Het feit dat op één brug zoveel slachtoffers konden vallen, geeft aan hoe vol de stad moet zijn geweest.

Op dat moment was er iedere vijftig jaar een jubilé. Hiermee verkreeg men een volledige kwijtschelding van alle zonden. Hiervoor diende men eerst te gaan biechten en de penitentie te volbrengen, waarbij een oprecht berouw van belang was. Vervolgend behoorde men ten minste vijftien dagen in Rome te verblijven. Iedere dag moesten de vier belangrijkste kerken van Rome bezocht worden.

In deze tijd bestond tevens de traditie van het openen en het sluiten van de Heilige Deur, een traditie die op dat moment door meerdere bedevaartsplaatsen werd overgenomen.

Tijdspanne[bewerken]

De christelijke Jubileumviering vierde men volgens het joodse principe, eens in de zeven jaren. Het oudst bekende Romeinse Jubilé wordt op 1300 gedateerd, terwijl het niet zeker is of dit ook het eerste was dat daadwerkelijk werd gevierd. In de Middeleeuwen werd namelijk al het verhaal verteld, dat Paus Bonifatius VIII een ontmoeting had tijdens dit Jubilé van 1300. Hij zou volgens de overlevering gesproken hebben met een man van 107 jaar oud. Deze man vertelde de paus dat dit zijn tweede Jubilé was, dat hij in Rome vierde. Het vieren van de eeuwwisselingsfeesten was weer een gebruik uit de Romeinse wereld, dat samen met de tijdrekening al snel door de christenen werd overgenomen.

Souvenirs van het H. Jaar, eerste twee uit 1950, derde uit 1975 en laatste uit 2000.

Aanvankelijk werden eeuwgetijden gevierd als Heilige Jaren, maar om meer mensen in de gelegenheid te stellen een Heilig Jaar mee te maken, werd dit al snel verkort tot eens in de vijftig jaar. Later werd dit zelfs eens in de vijfentwintig jaar. De aanvankelijke vijftig jaar turnus van Paus Clemens VI werd door Paus Urbanus VI met de bul Salvator Noster Unigentus van 8 april 1389 omgezet in drieëndertig jaar (de lengte van het leven van Jezus. Deze tijdspanne werd opnieuw aangepast en wel door Paus Paulus II, die in de constitutie Ineffabilis providentia (1470) de tijdsduur terugbracht tot vijfentwintig jaar. Deze laatste periode van een kwart eeuw is nog steeds van kracht, hoewel er ook aan de pausen de mogelijkheid geboden is een extra Heilig Jaar uit te roepen. Dit gebeurde in 1933, toen het negentiende eeuwfeest van de kruisdood van Jezus werd gevierd. Ook het jaar 1983-1984 werd als een buitengewoon Heilig Jaar van Verlossing gevierd en werd in 1987-1988 gevolgd door een ander soort bijzonder jaar, het Mariajaar.

1800 en 1850[bewerken]

Ondanks de 25-jarige cyclus kon er zowel in 1800 als in 1850 geen sprake zijn van een Heilig Jaar. Het Heilig Jaar 1800 kon geen doorgang vinden nadat in 1798 de Romeinse Republiek was uitgeroepen en de paus was afgezet. De verbannen Pius VI overleed bovendien in 1799 en zijn opvolger, Pius VII, werd pas in maart 1800 op het conclaaf van 1799-1800 gekozen. Ook het Heilig Jaar 1850 kon niet doorgaan door het uitroepen van een Romeinse Republiek, waardoor in 1848 Paus Pius IX moest vluchten om pas in april 1850 terug te kunnen keren.

Het Heilig Jaar 2000[bewerken]

Hoewel in vroeger tijden de Heilige Jaren vooral gericht waren op de bekering van de eigen (on)gelovigen, werd bij het grote Jubileum van het jaar 2000 tegelijkertijd ook vurig gebeden voor de eenheid onder de christenen en de gelovige dialoog met de andere godsdiensten.

Om die reden werd de opening van de Heilige Deuren in de Romeinse basilieken gewijzigd. De paus opende op Kerstavond 1999 de Heilige Deur van de Sint-Pieter. Enkele uren later opende in Jeruzalem en Bethlehem het Heilig Jaar op plechtige wijze. Het Heilig Land verkreeg daarmee een gelijkwaardige plaats als plaats van viering. Daarmee wilde paus Johannes-Paulus II benadrukken dat het Heilig Land van grote betekenis is voor het joodse volk, maar ook door de volgelingen van de islam. Het was de vurige wens van de Kerk dat het Jubeljaar 2000 impulsen zou geven voor een wederzijdse dialoog opdat joden, christenen en moslims elkaar ooit in Jeruzalem zullen begroeten met een teken van vrede.

Lijst van Heilige Jaren[bewerken]

  1. 1300 : Paus Bonifatius VIII
  2. 1350 : Paus Clemens VI
  3. 1390 : uitgevaardigd door Paus Urbanus VI, voorgezeten door Paus Bonifatius IX
  4. 1400 : Paus Bonifatius IX
  5. 1423 : Paus Martinus V
  6. 1450 : Paus Nicolaas V
  7. 1475 : uitgevaardigd door Paus Paulus II, voorgezeten door Paus Sixtus IV
  8. 1500 : Paus Alexander VI
  9. 1525 : Paus Clemens VII
  10. 1550 : uitgevaardigd Paus Paulus III, voorgezeten door Paus Julius III
  11. 1575 : Paus Gregorius XIII
  12. 1600 : Paus Clemens VIII
  13. 1625 : Paus Urbanus VIII
  14. 1650 : Paus Innocentius X
  15. 1675 : Paus Clemens X
  16. 1700 : uitgevaardigd door Paus Innocentius XII, voorgezeten door Paus Clemens XI
  17. 1725 : Paus Benedictus XIII
  18. 1750 : Paus Benedictus XIV
  19. 1775 : uitgevaardigd door Paus Clemens XIV, voorgezeten door Paus Pius VI
  20. 1825 : Paus Leo XII
  21. 1875 : Paus Pius IX (zonder veel plechtigheden)
  22. 1900 : Paus Leo XIII
  23. 1925 : Paus Pius XI
  24. 1933 : Paus Pius XI
  25. 1950 : Paus Pius XII
  26. 1975 : Paus Paulus VI
  27. 1983 : Paus Johannes Paulus II (1950e jaar van de Verlossing)
  28. 2000 : Paus Johannes Paulus II