Heinrich Schütz

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Heinrich Schütz, portret van Christoph Spetner rond 1660

Heinrich Schütz (Köstritz, 8 oktober 1585 (JK) — Weißenfels, 6 november 1672) was een Duitse componist, ensembleleider en, van origine, organist. Op het gebied van met name kerkmuziek wordt hij over algemeen beschouwd als de belangrijkste luthers-protestantse componist voor Johann Sebastian Bach. Daarnaast geldt hij als een van de belangrijkste componisten van de 17e eeuw. Hij schreef de eerste Duitse opera, Dafne, die werd opgevoerd in Torgau in 1627. De muziek hiervan is verloren gegaan.

Biografie[bewerken]

Schütz werd geboren in 1585 in Bad Köstritz, in oostelijk Duitsland, ten zuiden van Leipzig dicht bij de stad Gera. Godsdienstig gezien groeide Schütz op in een luthers-protestantse omgeving.

Schütz’ vader was eigenaar van een herberg waar eens Maurits van Hessen-Kassel, een adellijk liefhebber van schone kunsten en die zelfs componist was, logeerde. Hem viel de mooie stem van de jonge Schütz op en hij stelde diens ouders voor om hun zoon een muzikale studie bij hem aan het hof in Kassel te laten volgen. Schütz leerde aldaar Latijn, Grieks en Frans, doch hij besliste niet onmiddellijk om beroepsmusicus te worden. Hij begon met een studie rechten in Marburg. In 1609 kon vorst Maurits van Hessen-Kassel Schütz echter overhalen om voor twee jaar in de vrije republiek Venetië in de leer te gaan bij Giovanni Gabrieli, de musicus, componist en kapelmeester van de San Marco, de staatskerk van de vrije eilandenstaat. Deze studie werd zelfs door Schütz' vorstelijke weldoener betaald.

Voor Giovanni Gabrieli waren twee basistechnieken erg belangrijk, namelijk het contrapunt (leer der meerstemmigheid) en het 'omzetten' van tekst in aansprekende muziek, waarbij hij gebruik maakte van de cori spezzati-techniek: van twee (zelfs ook meer) tegenover elkaar opgestelde ensembles van zangers en instrumentalisten. Schütz wist zijn studieverblijf in Venetië te verlengen, maar keerde uiteindelijk in 1612 naar Duitsland terug vanwege het overlijden van zijn Italiaanse leermeester. Hij sloot zijn opleiding in Venetië af met het componeren van een verzameling van wereldlijk-vocale zangstukken die als Primo libro di Madrigali (eerste boek van de madrigalen) in Venetië zelf werden uitgegeven. Meer boeken met madrigalen zouden van Schütz nimmer verschijnen.

In Duitsland teruggekeerd werkte Schütz korte tijd als tweede organist aan het hof van Maurits van Hessen-Kassel. In 1617 verhuisde hij naar Dresden om daar te werken als hofkapelmeester bij de keurvorst van Saksen. Dat wil zeggen dat hij de leider van de grootste en belangrijkste muzikale instelling in het protestante deel van Duitsland was. Elke heerser van een Duitse vorstendom beschikte wel over een eigen kapel, bestaande uit zangers en instrumentalisten die zowel voor het hofplezier als voor kerkdiensten in de plaatselijke hofkerk optraden. Het artistieke niveau van deze hofkapellen was, zowel waar het het repertoire als uitvoeringen betrof, in de regel hoog.

Schütz' taken waren veelzijdig: het verzorgen van muzikaal onderwijs, nieuwe bekwame leden zoeken voor de hofkapel, muzikale uitvoeringen voorbereiden en leiden en componeren. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw werd Dresden een internationaal centrum. In 1619 trouwt Schütz met Magdalena Wildeck.

Schütz schrijft in die tijd veel meerkorige (tot meer dan 20 stemmen) vocale concerti gebaseerd op psalmteksten. Dit is zijn eerste bijdrage aan het genre van de geestelijke muziek. Het was niet eenvoudig om dit over te brengen op het Duits. Schütz heeft zich vaak geconcentreerd op religieuze muziek. Nog een belangrijk genre waar Schütz mee bezig was is de historia. Dit is de muzikale zetting van lezingen bedoeld voor de belangrijkste kerkelijke feesten.

In 1625 sterft zijn echtgenote en hij blijft achter met twee dochtertjes van twee en vier jaar oud. Hiervoor schrijft hij een nieuw opus. Dit zijn psalmbewerkingen waarin hij troost vindt. Schütz zou in Dresden tot het eind van zijn leven werken met de in 1548 opgerichte Hofkapelle, de tegenwoordige Staatskapelle Dresden. Toch verliet hij Dresden een aantal keer: in 1628 ging hij bijvoorbeeld naar Venetië om er Claudio Monteverdi te ontmoeten. Duitsland was in die tijd door oorlogen een puinhoop, muzikanten werden soldaten en instrumenten werden vervangen door wapens. Schütz leerde tijdens zijn verblijf emotionele geladenheid, ritmische bewogenheid en het gebruik van instrumenten in functie van de inhoud van de tekst

Van 1633 tot 1635, toen de Dertigjarige Oorlog het hofleven had ontwricht, ging hij in Kopenhagen als hofkapelmeester van Christian IV, de Deense koning, werken. Schütz componeerde er veel feestmuziek. In 1635 keerde hij terug en werd dan kapelmeester aan het hof van Georg Von Calenberg. Tussen de jaren 1636 en 1639 componeerde hij muziekstukken voor één tot vijf solostemmen zonder andere instrumenten (a cappella), qua variatie en kwaliteit zeer knap.

Na zijn tweede verblijf in Denemarken van 1642 tot 1644 keerde Schütz via Wolfenbüttel naar Dresden terug. Hij leerde daar een hertogin kennen en zij schreven daar samen nog liederen en aria’s voor religieus toneel.

In 1645 was hij terug in Leipzig en schreef een brief aan zijn vorst met het verzoek op rust te gaan. De hofkapel was in slechte toestand en hijzelf was een oude man. Johann Georg weigerde dit, maar in de herfst of de winter mocht hij zich telkens een tijd terugtrekken. Zodoende kon hij een aantal composities afwerken en ook verschenen er weer nieuwe bundels.

Door zijn jaren ervaring met zeer vele teksten in het Italiaans, het Latijn en het Duits slaagt Schütz erin met uiterst beperkte middelen een maximum aan intensiteit te bereiken. De meeste van zijn motetten kunnen a capella gezongen worden.

In die tijd waren de werkomstandigheden in Dresden erbarmelijk. Schütz leefde in een erbarmelijke situatie en hij voelde ook zijn krachten in alle opzichten afnemen. In 1655 overleed zijn tweede dochter en in 1656 overleed de keurvorst Johann Georg. Schütz ontving na een tijdje de titel van hoofdkapelmeester en jaargeld zonder verdere verplichtingen. Hij trok zich terug in het stadje van zijn jeugd, maar bleef contacten onderhouden met het hof van Dresden. Er zijn nog een aantal handgeschreven composities van deze tijd bewaard maar niet uitgegeven.

Na zijn terugtrekking bleef hij nog componeren. Hij gaf compositieles, ging geregeld op reis en was raadgever bij de organisatie van hofkapellen. De laatste jaren van zijn leven woonde Schütz in Weißenfels. Hij overleed er aan een beroerte op 87-jarige leeftijd.

Stijl[bewerken]

Schütz' composities zijn beïnvloed door zijn leraar Gabrieli, met hun Venetiaanse meerkorigheid en concertatostijl, en door Monteverdi. Ook de invloed van de Nederlandse School uit de 16e eeuw is te horen. Vooral zijn geestelijke muziek, voor verschillende bezettingen, van solostem met instrumentale begeleiding tot a capella koor, is bekend. Representatieve werken zijn de drie boeken met Symphoniae sacrae, de Psalmen Davids, de Sieben Worte Jesu Christi am Kreuz (de zeven laatste woorden van Jezus aan het kruis) en zijn drie passies, die hij vlak voor zijn 80e verjaardag schreef. Schütz vroege werk is progressief van aard, terwijl zijn latere werk, waaronder de passies, simpeler en soberder is. Praktische bezwaren hebben waarschijnlijk een rol gespeeld bij deze verandering: de Dertigjarige Oorlog had de infrastructuur op het gebied van muziek in Duitsland vrijwel vernietigd. Het was niet meer mogelijk om de grote werken in Venetiaanse stijl uit te voeren.

Er is bijna geen wereldlijke muziek van Schütz overgeleverd en zijn puur instrumentale muziek is helemaal verloren gegaan, hoewel hij in zijn tijd als een van de beste organisten in Duitsland gold.

Schütz heeft een belangrijke rol gespeeld in het overbrengen van muzikale ideeën vanuit Italië naar Duitsland. Hierdoor is zijn invloed op de Duitse muziek groot geweest. De Noord-Duitse orgelstijl is grotendeels op Schütz' werk gefundeerd, hoewel ook het werk van de Nederlander Jan Pieterszoon Sweelinck van belang was voor deze ontwikkeling. Een eeuw later zou deze stijl zijn hoogtepunt beleven met de werken van Johann Sebastian Bach.

Een van Schütz' leerlingen was zijn neef Heinrich Albert.

Werken[bewerken]

Deze lijst bevat Schütz' gepubliceerde werken. De meeste hier genoemde werken bevatten meerdere stukken; er zijn meer dan 500 individuele stukken van Schütz bewaard gebleven.

  • Il primo libro de madrigali (eerste boek met madrigalen) (Venetië, 1611)
  • Psalmen Davids (Boek 1) (Dresden, 1619)
  • Historia der frölichen und siegreichen Aufferstehung ... (Geschiedenis van de opstanding van Jezus) (Dresden, 1623)
  • Cantiones sacrae (Freiberg, 1625)
  • Psalmen Davids (Boek 2) (Freiberg, 1628)
  • Symphoniae sacrae (Boek 1) (Venice, 1629)
  • Musicalische Exequien (Dresden, 1636)
  • Kleiner geistlichen Concerten (Boek 1) (Leipzig, 1636)
  • Symphoniae sacrae (Boek 2) (Dresden, 1647)
  • Geistliche Chor-Music (Dresden, 1648)
  • Symphoniae sacrae (Boek 3) (Dresden, 1650)
  • Zwölff geistliche Gesänge (Dresden, 1657)
  • Psalmen Davids (herziene uitgave van Boek 2) (Dresden, 1661)
  • Matthäus-Passion
  • Lukas-Passion
  • Johannes-Passion

Zie ook[bewerken]

Duitsland rond de tijd van Schütz

Bibliografie[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties