Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hendrik Adriaan van Rheede
Titelblad Hortus Malabaricus.

Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein (Amsterdam, 13 april, 1636 [1] - 15 december 1691), sinds 1680 heer van Mijdrecht, was een militair en administratieve ambtenaar bij de VOC. Als commandeur van de Malabar hield hij zich bezig met botanie. Voor de uitgave van zijn werk, waarin 740 planten zijn beschreven, nam hij een groot aantal mensen in dienst. Het werk verscheen in vier talen, Latijn, Arabisch, Sanskriet en Malayalam. In 1684 kreeg hij de opdracht de corruptie en morshandel in VOC-factorijen in India aan te pakken. Hij bezocht de Kaapkolonie, de Coromandelkust en Bengalen. In 1691 stierf hij op weg van Cochin naar Suratte en is daar met veel vertoon begraven.

Biografie[bewerken]

Van Rheede stamde uit het adellijk Utrechts geslacht Van Reede. Hij was de zoon van Ernst van Reede, sinds 1633 raad van Admiraliteit van Amsterdam die in 1634 een hofstede bij Lage Vuursche kocht.[2] Zijn moeder, Elisabeth van Utenhove, afkomstig uit Ostende, stierf in 1637. Over zijn jeugd is niet veel bekend, maar hij werd opgevoed door zijn oom Godard van Reede, heer van Nederhorst. Zijn broer Gerard liet in 1640 de hofstede verbouwen, nu Kasteel Drakestein. In 1657 kwam hij als adelborst in dienst van de VOC, samen met Isaac de l'Ostal de Saint-Martin en Johan Bax van Herenthals.

India[bewerken]

In 1662 deed Rijcklof van Goens een nieuwe poging Kochi, het centrum van de specerijenhandel, te veroveren: Hendrik van Rheede werd gevangengenomen, [3] maar onderhield goede betrekkingen met het vorstenhuis in Cochin. In 1665 kreeg hij een aanstelling in Jaffna en liet Johan Nieuhof opsluiten die betrapt werd op de smokkel van parels. In 1670 werd hij commandeur van Malabar (westkust van India). In 1672 kreeg hij te maken met François Caron, het voormalig VOC-Opperhoofd in Japan, nu in dienst van de Franse Oostindische Compagnie.

In Cochin hield hij zich bezig met vestingbouw en het kweken van tropische gewassen. Op zijn geldverslindende bouwprojecten kreeg hij veel kritiek. In maart 1677 werd hij benoemd tot extraordinair raad van Indië in Batavia, maar kreeg opnieuw ruzie met Rijcklof van Goens, de gedoodverfde opvolger van Joan Maetsuycker. In 1678 was hij terug in Nederland, evenals Constantin Ranst en Joan van Oosterwijck. Hij vestigde zich in Utrecht en bereidde zijn publicatie over de flora van Malabar voor. In 1684 werd hij door de bewindhebbers van de VOC benoemd tot commissaris-generaal, met de opdracht een einde te maken aan de corruptie van VOC-dienaren (morshandel) en de kantoren in Bengalen, op de kust van Choromandel, op Ceylon, Malabar, Soeratte en aan de Kaap to visiteeren, alle frauden, mesusen, malversatiën to ontdekken, zoodanige redressen te beramen en in te voeren als noodig zouden zijn, niet alleen de schuldigen, maar de verdachte ambtenaren te ontslaan en met hunne stukken en informatiën naar Nederland op te zenden.[4]

In 1684 reisde hij met zijn secretaris Hendrick Zwaardecroon en Isaac Soolmans naar de Oost. Het landgoed Groot Constantia is officieel aan Simon van der Stel toegekend door VOC-commissaris Van Rheede ter bevordering van de botanie en de wijn- en tuinbouw in de Kaapkolonie. Daar ontmoette hij de zoon van Rijcklof van Goens, die zich gedroeg als een vorst en de VOC-tuinen met jonge kaneelbomen bestemd voor de Hortus Botanicus Amsterdam had laten verwoesten.[5] Van Rheede stuurde Van Goens terug naar Batavia.

In Ceylon, Bengalen, de Coromandelkust, en de Malabar, trad hij hard op, maar echt effect had het niet. Hij gaf in maart 1691 opdracht tot het verzamelen van zaden, bollen, wortels, planten, kruiden en bloemen, etc. die medicinaal of economisch nut hadden of voor de wetenschap van belang konden zijn. De kisten moesten worden opgestuurd naar Pieter van Dam en zouden worden verdeeld onder de nieuwe koning van Engeland en Jan Commelin, die betrokken was bij de Hortus Botanicus.[6] Hij stierf onderweg van Cochin naar Suratte, mogelijk vergiftigd door VOC-dienaren, die wat te vrezen hadden, maar hij was al een paar maanden ziek.

Werk[bewerken]

Als botanicus schreef hij over de flora van India een standaardwerk Hortus Indicus Malabaricus, dat tussen 1678 en 1703 in twaalf delen werd uitgebracht. De Nederlandse vertaling door Abraham Poot luidde Malabaarse Kruydhof. Het werk bevat gravures van grote kwaliteit en gedetailleerde beschrijvingen van 740 planten uit de Malabar, ruwweg een gebied van 30 x 900 km.

Volledige titel luidt: Hortus Indicus Malabaricus, Continens Regni Malabarici apud Indos celeberrimi omnis generis Plantas rariores, Latinis, Malabaricis, Arabicis, & Bramanum Characteribus nominibusque expressas, unà cum Floribus, Fructibus & seminibus, naturali magnitudine à peritissimis pictoribus delineatas, & ad vivum exhibitas. Addita insuper accurata earundem descriptione, qua colores, odores, sapores, facultates, & praecipue in Medicina vires exactissimè demonstrantur.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Doopbewijs Stadsarchief [1]
  2. http://www.inghist.nl/retroboeken/nnbw/#source=3&page=512
  3. Pol, B. van der (2008) Mallabaarse Brieven. De brieven van de Friese predikant Jacobus Canter Visscher (1717-1723), p. 34-35.
  4. http://www.vocsite.nl/geschiedenis/commissarisgeneraal.html
  5. Heniger, J. (1986) Hendrik Adriaan van Reede tot Drakenstein (1636--1691) and Hortus Malabaricus -- A contribution to the history of Dutch colonial botany, p. 71-72
  6. Zaden en bollen uit de Westerkwartieren. In: Vibeke Roeper & Roelof van Gelder. In dienst van de Compagnie. Leven bij de VOC in honderd getuigenissen [1602-1799], p. 174-176.