Hendrik Voes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Hendrik Voes of Vos (?,? - Brussel, 1 juli 1523) was een uit 's-Hertogenbosch afkomstige monnik in het augustijner Sint-Andriesklooster te Antwerpen. Hij kwam op de Grote Markt van Brussel op de brandstapel als straf voor zijn Lutherse ketterij, samen met zijn medebroeder Jan van Essen.

Aanvankelijk concentreerde de inquisitie zich op de orde van de Augustijnen, waartoe Luther immers behoord had. Toen na de veroordeling van Hendrik van Zutphen het Augustijner klooster te Antwerpen eerst ontwijd en daarna gesloopt werd, bracht men op 8 oktober 1522 de 16 monniken naar Vilvoorde. Dertien van hen waren bereid hun ketterij te herroepen.[1] De overigen werden ontwijd en daarna verbrand. Het waren de eerste terechtstellingen in de strijd tegen de Reformatie, niet alleen in de Nederlanden maar in geheel Europa.[2]

Maarten Luther eerde de terechtgestelde monniken met een gedicht "ein neues Lied wir heben an":[3]

Een nieuw lied heffen we aan
Zo wil het God onze Heer
Te zingen wat God heeft gedaan
Tot zijn lof en eer
Te Brussel in het Nederland
Door twee jongelingen
Heeft hij zijn wondere hand
Getoond, met zijn zegeningen
Zo rijkelijk versierd
Bron
  1. L. Knappert, "Vos, Hendrik" in P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.) (1921), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, Deel 5, Lees on-line
  2. Jonathan Israël (1996), De Republiek (1477-1806), ISBN 9051941315, Vol. I, p. 89
  3. Het volledige gedicht in het Duits