Hendrik van Veldeke

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Veldeke, zoals afgebeeld in de 14de-eeuwse Codex Manesse
Gedenksteen bij de Veldekemolen in Spalbeek (Hasselt)

Hendrik van Veldeke (ook: He(y)nric van Veldeke(n), Duits Heinrich von Veldeke, Veldeke voor of omstreeks 1150 – na 1184) is de eerste volkstalige schrijver van de Lage Landen die we bij naam kennen. Zijn verhalen worden gezien als de basis voor de Nederlandse, Limburgse en Duitse literatuur. Zijn werk wordt door Duitse literatuurhistorici ook tot de Middelhoogduitse letterkunde gerekend, omdat veel van zijn werk in het Middelhoogduits werd geschreven of alleen in een Middelhoogduitse versie werd overgeleverd. Een groot deel van zijn loopbaan verbleef de dichter aan Duitse hoven.

Biografie[bewerken]

Veldeke werd geboren te Veldeke, een gehucht op het grondgebied van de Belgisch-Limburgse stad Hasselt. Zijn geboorte- noch zijn sterfjaar zijn met zekerheid bekend. Hij moet voor of omstreeks 1150 geboren zijn, aangezien hij literair actief was vanaf de vroege jaren zeventig van de 12e eeuw. Niets toont aan dat Veldeke in 1128 geboren zou zijn, zoals vaak wordt beweerd. In ieder geval moet hij na 1184 gestorven zijn. In zijn Eneas vermeldt hij namelijk dat hij aanwezig was op de hofdag die keizer Frederik Barbarossa organiseerde te Mainz met Pinksteren van dat jaar. Hij moet overleden zijn voordat Wolfram von Eschenbach zijn Parzival schreef, die hij tussen 1205 en 1210 voltooide. Wolfram zegt daarin namelijk dat Veldeke te vroeg gestorven is. Vermoedelijk behoorde Veldeke tot een geslacht van ministerialen, dit zijn onvrije lagere edelen. Het bestaan van dit geslacht wordt in oorkonden van de 13e eeuw vermeld. Uit het feit dat hij in zijn werken Latijnse bronnen heeft gebruikt, blijkt dat hij een goede opleiding heeft genoten.

Werken[bewerken]

Veldeke schreef het Leven van Sint-Servaas, waarschijnlijk zijn eerste werk, in opdracht van heer Hessel, de koster van het Maastrichtse Servaaskapittel, en van Agnes van Metz, de gravin van Loon. Daarin hanteerde hij het Limburgs van zijn tijd.

Veldekes omvangrijkste werk is de Eneasroman, dit is voor zover bekend tevens de eerste hoofse roman in een Germaanse taal. Van Veldeke baseerde het werk op de Oudfranse Roman d’Eneas, die op zijn beurt teruggaat op VergiliusAeneis.

Er zijn van Veldeke op het gebied van de lyriek ook een dertigtal minneliederen bewaard gebleven. Hij behoorde daarmee tot de eerste generatie minnezangers die de Romaanse hoofse minnepoëzie in een Germaanse taal beoefende. In vergelijking met andere minnezangers uit zijn tijd vallen zijn liederen op door hun humor en zelfs hun ironie. Ook speelt hij graag met klanken en zet hij het rijm naar zijn hand. Veldeke gebruikt aan het begin van zijn liederen de conventionele natuurbeschrijving (Natureingang) die hij meestal parallel zet of – zoals in het volgende voorbeeld – contrasteert met de gevoelens van de minnaar.

Hoe Veldeke in zijn latere werk een mengeling creëerde van Middel-Limburgse en Middelhoogduitse taalvormen, wordt geïllustreerd met het volgende Minnelied:

Ez sint guotiu niuwe maere,
daz die vogel offenbaere
singent, dâ man bluomen siht.
zén zîten in dem jâre
stüende wol, daz man vrô waere,
leider des enbin ich niht:
Mîn tumbez herze mich verriet,
daz muoz unsanfte unde swaere
tragen daz leit, das mir beschiht.

('Het is goed nieuws, / dat de vogels luidkeels / zingen waar men bloemen ziet. / In deze tijd van het jaar / zou men blij moeten zijn, / maar helaas, dat ben ik niet: / mijn dwaze hart heeft mij verraden, / en moet nu, treurig en somber, / het leed verdragen dat mij ten deel valt.')

In tegenstelling tot wat hij doet in de Eneasroman en de Servaas, gebruikt hij hier geen neutraal rijm omdat deze techniek het aantal rijmwoorden waarover de dichter kon beschikken, al te sterk beperkte. Middelhoogduitse en Maaslandse rijmen komen door elkaar voor. Dit heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat het rijmschema in het minnelied hogere eisen stelde aan de dichter dan het paarsgewijs rijmende vers van verhalende teksten als de Servaas en de Eneasroman. In één strofe moeten immers vaak meer dan twee op elkaar rijmende woorden gevonden worden. Veldekes liederen zijn bewaard in drie Middelhoogduitse handschriften uit de late 13e en vroege 14e eeuw: het Kleine Heidelberger Liederhandschrift (Heidelberg, Universitätsbibliothek, Codex Palatinus Germanicus 357), het Weingartner Liederhandschrift (Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Codex HB XIII 1) en het Groβe Heidelberger Liederhandschrift, beter bekend als de Codex Manesse (Heidelberg, Universitätsbibliothek, Codex Palatinus Germanicus 848).

Invloed[bewerken]

De betekenis van Hendrik van Veldeke voor de Duitse literatuurgeschiedenis is bijzonder groot. Dit blijkt uit het feit dat al zijn minneliederen en zijn Eneasroman uitsluitend in Middelhoogduitse handschriften zijn overgeleverd. Hendrik van Veldeke wordt ook door vele Duitse auteurs uit de 13e eeuw (Wolfram von Eschenbach, Hartmann von Aue en Gottfried von Straßburg) als hun grote voorbeeld genoemd. In de Middelnederlandse literatuur lijkt zijn invloed op één enkel moeilijk te duiden toespeling van Jacob van Maerlant na, zeer beperkt te zijn geweest.

Veldeke vandaag[bewerken]

Zowel in Maastricht als in Hasselt staat een standbeeld van de dichter.[1] Ook zijn in diverse plaatsen straten, pleinen, scholen en verenigingen naar hem vernoemd. De provinciale vereniging die zich bezighoudt met Limburgse volkscultuur en het Limburgs heet naar hem Veldeke. Hij eindigde in 2005 in de Vlaamse versie van De Grootste Belg op nr. 476, buiten de officiële nominatielijst. In 2007 werd in de stad Hasselt een tentoonstelling ingericht over Veldeke en zijn tijd. Ook publiceerde romancier Paul Weelen een roman over het leven van Hendrik van Veldeke: De droom van de minnezanger. De zogenaamde LiLiLi-daag in Roermond in november 2007 stond geheel in het teken van de Middelnederlandse minnezanger.

Noot[bewerken]

  1. Voor het standbeeld in Hasselt zijn stenen gebruikt die van een cromlech te Diepenbeek afkomstig zijn. De oprichting ervan (1928) is een initiatief van het in 1893 gestichte Hasselts Leesgezelschap. De stichter van het gezelschap, Eugeen Leën, stond model voor het beeld.

Bibliografie[bewerken]

  • Behaghel 1882: Otto Behaghel (ed.), Heinrich von Veldeke. Eneide, mit Einleitung und Anmerkungen, Heilbronn, 1882.
  • Goossens 1991: Jan Goossens, ‘Die Servatiusbruchstücke. Mit einer Untersuchung und Edition der Fragmente Cgm 5249/18, 1b der Bayerischen Staatsbibliothek München’, in: Zeitschrift für deutsches Altertum und deutsche Literatur 120 (1991), 1-65.
  • Janssens 2007: Jozef Janssens, In de schaduw van de keizer. Hendrik van Veldeke en zijn tijd (1130-1230). Zutphen, 2007.
  • Klein 1985: Thomas Klein, ‘Heinrich von Veldeke und die mitteldeutschen Literatursprachen. Untersuchungen zum Veldekeproblem’, in: Th. Klein en C. Milis, Zwei Studien zu Veldeke und zum Strassburger Alexander, (Amsterdamer Publikationen zur Sprache und Literatur, 61), Amsterdam, 1985, 1-121.
  • Schieb en Frings 1964-1970: Gabriele Schieb en Theodor Frings, Henric van Veldeken. Eneide, Berlijn, 1964-1970.
  • Paul Weelen, 'De droom van de minnezanger', roman, Maastricht 2007.

Externe links[bewerken]