Hendrik van Veldeke
Hendrik van Veldeke (ook: He(y)nric van Veldeke(n), Duits Heinrich von Veldeke, voor of omstreeks 1150 – na 1184) is de eerste volkstalige schrijver van de Lage Landen die we bij naam kennen. Zijn verhalen worden gezien als de basis voor de Nederlandse, Limburgse en Duitse literatuur. Hij werd geboren te Veldeke, een gehucht op het grondgebied van Spalbeek, sinds 1977 een deelgemeente van de huidige Belgisch-Limburgse stad Hasselt. De Vel(de)kermolen, een watermolen aan de Demer, is het enige dat aan deze plaats herinnert.
Veldekes geboorte- noch zijn sterfjaar zijn met zekerheid bekend. Hij moet voor of omstreeks 1150 geboren zijn, aangezien hij literair actief was vanaf de vroege jaren zeventig van de twaalfde eeuw. Niets toont aan dat Veldeke in 1128 geboren zou zijn, zoals vaak wordt beweerd. In ieder geval moet hij na 1184 gestorven zijn. In zijn Eneas vermeldt hij namelijk dat hij aanwezig was op de hofdag die keizer Frederik Barbarossa organiseerde te Mainz met Pinksteren van dat jaar. Hij moet overleden zijn voordat Wolfram von Eschenbach zijn Parzival schreef, die hij tussen 1205 en 1210 voltooide. Wolfram zegt daarin immers dat Veldeke te vroeg gestorven is. Vermoedelijk behoorde Veldeke tot een geslacht van ministerialen, dit zijn onvrije lagere edelen. Het bestaan van dit geslacht wordt in oorkonden van de dertiende eeuw vermeld. Uit het feit dat hij in zijn werken Latijnse bronnen heeft gebruikt, blijkt dat hij een goede opleiding heeft genoten.
Inhoud |
Het leven van Sint-Servaas [bewerken]
Veldeke schreef het Leven van Sint-Servaas, waarschijnlijk zijn eerste werk, in opdracht van heer Hessel, de koster van het Maastrichtse Servaaskapittel, en van Agnes van Metz, de gravin van Loon. Het werk bestaat uit twee delen. Het eerste deel is een levensbeschrijving (vita) van Servaas van Maastricht, de beschermheilige van deze stad, die gestorven zou zijn op 13 mei 384. Dit deel wordt gewoonlijk gedateerd rond 1170; het tweede deel behandelt de wonderen van Servaas na zijn dood. Van het tweede deel van het werk wordt soms aangenomen dat het pas tussen 1174 en 1185 tot stand gekomen zou zijn.
Volgens de legende is Servaas een Armeen die naar Lotharingen trekt en bisschop wordt van Tongeren. De zondige Tongenaren keren zich tegen hem, waardoor hij uitwijkt naar Maastricht. Wanneer Servaas verneemt dat God de Tongenaren wil straffen door Atilla de Hun op hen af te sturen, trekt hij op bedevaart naar Rome en bidt hij op het graf van Petrus om het onheil af te wenden. Zijn gebed wordt niet verhoord, maar Petrus geeft hem wel een zilveren sleutel waarmee Servaas genade kan verlenen en zonden kan bestraffen. De Tongenaren sterven allemaal, maar krijgen dankzij Servaas vergiffenis en gaan uiteindelijk toch naar de hemel.
Maastricht lag op een belangrijk kruispunt: de weg naar Keulen vanuit het westen, de Maas als noord-zuidas. In Veldekes tijd deden de kanunniken van het Servaaskapittel er alles aan om bedevaarten naar het graf van de heilige te bevorderen. In deze context moet ook het ontstaan van Veldekes Servaas worden gesitueerd. Uit dezelfde periode dateren ook de huidige koorpartij en het westwerk van de Servaaskerk en het reliekschrijn (de zogenaamde Noodkist), waarin de resten van Sint Servaas rusten. In tijden van ernstige rampen wordt de Noodkist door de stad gedragen.
Veldekes Servaas is een vrije bewerking van de Actus Sancti Servatii van Jocundus (ontstaan tussen 1066 en 1088) en de Vita Sancti Servatii, die onrechtstreeks terug gaat op de Actus. De Servaas is volledig bewaard in een handschrift rond 1470 (Leiden, Universiteitsbibliotheek, BPL 1215). Daarnaast zijn er in diverse boekbanden fragmenten teruggevonden, die alle afkomstig zijn uit een handschrift dat misschien geschreven is toen de dichter nog leefde (ca. 1200).
Eneasroman [bewerken]
Veldekes omvangrijkste werk is de Eneasroman, die hij baseerde op de Oudfranse Roman d’Eneas, die op zijn beurt teruggaat op Vergilius’ Aeneis. Het grootste deel schreef Veldeke rond 1175. Blijkens de epiloog van de Eneasroman liet hij zijn voor vier vijfde voltooide manuscript lezen aan de gravin van Kleef, die het aan een van haar hofdames toevertrouwde. Het werd gestolen en Veldeke kreeg het pas terug in 1184 van paltsgraaf Herman van Thüringen, die hem de opdracht gaf het te voltooien. De identiteit van de dief is onduidelijk. Volgens sommigen zou het gaan om Hendrik Raspe, broer van Herman van Thüringen; volgens anderen was Heinrich van Schwarzburg de dief. Deze was in een vete verwikkeld met landgraaf Lodewijk III van Thüringen, de oudste broer van Herman en tevens bruidegom van de gravin van Kleef.
Veldekes Eneas is de eerste hoofse roman in een Germaanse taal. Hij besteedde veel aandacht aan de hoofse liefde, de hoofse deugden (gematigdheid, beheersing, welsprekendheid... ) en de schoonheid van het hoofse leven. Ondanks de tragische gebeurtenissen in het verhaal (bijvoorbeeld de zelfmoord van Dido en het sneuvelen van Pallas, Eneas’ strijdmakker, en vele andere helden) overheerst toch de positieve toon. Zo beschrijft hij aan het eind van zijn roman met groot enthousiasme de bruiloft van Eneas en Lavinia, waarin een optimistisch mens- en wereldbeeld wordt weergegeven, de apotheose van de roman. Veldeke laat niet na om deze bruiloft te vergelijken met de hofdag die keizer Frederik Barbarossa in 1184 te Mainz organiseerde. Dit is een van de argumenten die men vaak ingeroepen heeft om aan te tonen dat Veldeke voor de entourage van de keizer schreef. In dit licht moet misschien ook de stofkeuze worden gezien. Het verhaal van Eneas is immers ook het relaas van de stichting van Rome, en de Duitse keizers zagen zich als de voortzetters van het Romeinse keizerrijk. Middeleeuwse vorstenhuizen lieten wel vaker gefingeerde stambomen optekenen die teruggingen naar de Trojanen.
Het feit dat de Eneasroman uitsluitend in een Middelhoogduitse versie is overgeleverd, heeft de vraag doen rijzen of het deel van de roman dat hij aan de gravin van Kleef liet lezen, oorspronkelijk in het Maaslands dan wel in het Middelhoogduits was geschreven. Germanisten als Otto Behaghel (in zijn uitgave van 1882), Theodor Frings en Gabriele Schieb (in hun uitgave van 1964-1970) waren van mening dat Veldeke de Eneas in zijn moedertaal had geschreven. Ze hebben geprobeerd deze verloren versie te reconstrueren. Deze reconstructie is in de ogen van vele hedendaagse filologen te hypothetisch. Doorgaans gaan ze terug naar de kritische uitgave van Ludwig Ettmüller van 1852, of verkiezen ze de diplomatische uitgave van het fraai geïllustreerde Berlijnse handschrift (Berlijn, Staatsbibliothek Preuβischer Kulturbesitz, germ. fol. 282) door Hans Fromm van 1992. Volgens de Bonnse germanist Thomas Klein hanteerde Veldeke 'neutrale' rijmen. Dat betekent dat hij bewust rijmparen selecteerde die zowel in het Maaslands als in het Middelhoogduits mogelijk waren. Wapen/slapen in het Maaslands wordt wâfen/slâfen in het Middelhoogduits; het Maaslandse rijm jare/mare wordt daarentegen in het Middelhoogduits jâre/mære (spreek uit: mère), en zou dus niet in aanmerking zijn gekomen. Dezelfde techniek heeft Veldeke volgens Klein ook gebruikt in zijn Servaas. Blijkbaar hoopte hij op die manier met een minimale inspanning van een bewerker een zo breed mogelijk publiek te bereiken.
Lyriek [bewerken]
Er zijn van Veldeke ook een dertigtal minneliederen bewaard gebleven. Hij behoorde daarmee tot de eerste generatie minnezangers die de Romaanse hoofse minnepoëzie in een Germaanse taal beoefende. In vergelijking met andere minnezangers uit zijn tijd vallen zijn liederen op door hun humor en zelfs hun ironie. Ook speelt hij graag met klanken en zet hij het rijm naar zijn hand. Veldeke gebruikt aan het begin van zijn liederen de conventionele natuurbeschrijving (Natureingang) die hij meestal parallel zet of – zoals in het volgende voorbeeld – contrasteert met de gevoelens van de minnaar:
- Ez sint guotiu niuwe maere,
- daz die vogel offenbaere
- singent, dâ man bluomen siht.
- zén zîten in dem jâre
- stüende wol, daz man vrô waere,
- leider des enbin ich niht:
- Mîn tumbez herze mich verriet,
- daz muoz unsanfte unde swaere
- tragen daz leit, das mir beschiht.
- (MF I)
(Het is goed nieuws, dat de vogels luidkeels zingen waar men bloemen ziet. In deze tijd van het jaar zou men blij moeten zijn, maar helaas, dat ben ik niet: mijn dwaze hart heeft mij verraden, en moet nu, treurig en somber, het leed verdragen dat mij ten deel valt.)
In tegenstelling tot wat hij doet in de Eneasroman en de Servaas, gebruikt hij hier geen neutraal rijm omdat deze techniek het aantal rijmwoorden waarover de dichter kon beschikken, al te sterk beperkte. Middelhoogduitse en Maaslandse rijmen komen door elkaar voor. Dit heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat het rijmschema in het minnelied hogere eisen stelde aan de dichter dan het paarsgewijs rijmende vers van verhalende teksten als de Servaas en de Eneasroman. In één strofe moeten immers vaak meer dan twee op elkaar rijmende woorden gevonden worden. Veldekes liederen zijn bewaard in drie Middelhoogduitse handschriften uit de late dertiende en vroege veertiende eeuw: het Kleine Heidelberger Liederhandschrift (Heidelberg, Universitätsbibliothek, Codex Palatinus Germanicus 357), het Weingartner Liederhandschrift (Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Codex HB XIII 1) en het Groβe Heidelberger Liederhandschrift, beter bekend als de Codex Manesse (Heidelberg, Universitätsbibliothek, Codex Palatinus Germanicus 848).
Invloed [bewerken]
De betekenis van Hendrik van Veldeke voor de Duitse literatuurgeschiedenis is bijzonder groot. Dit blijkt uit het feit dat al zijn minneliederen en zijn Eneasroman uitsluitend in Middelhoogduitse handschriften zijn overgeleverd. Hendrik van Veldeke wordt ook door vele Duitse auteurs uit de dertiende eeuw (Wolfram von Eschenbach, Hartmann von Aue en Gottfried von Straßburg) als hun grote voorbeeld genoemd. In de Middelnederlandse literatuur lijkt zijn invloed op één enkel moeilijk te duiden toespeling van Jacob van Maerlant na, zeer beperkt te zijn geweest.
Veldeke vandaag [bewerken]
Zowel in Maastricht als in Hasselt staat een standbeeld van de dichter. Voor het standbeeld in Hasselt zijn stenen gebruikt die van een cromlech te Diepenbeek afkomstig zijn. Ook zijn in diverse plaatsen straten, pleinen, scholen en verenigingen naar hem vernoemd. De provinciale vereniging die zich bezighoudt met Limburgse volkscultuur en het Limburgs heet naar hem Veldeke. Hij eindigde in 2005 in de Vlaamse versie van De Grootste Belg op nr. 476, buiten de officiële nominatielijst. In 2007 werd in de stad Hasselt een tentoonstelling ingericht over Veldeke en zijn tijd. Ook publiceerde romancier Paul Weelen een roman over het leven van Hendrik van Veldeke: De droom van de minnezanger. De zogenaamde LiLiLi-daag in Roermond in november 2007 stond geheel in het teken van de Middelnederlandse minnezanger.
Bibliografie [bewerken]
- Behaghel 1882: Otto Behaghel (ed.), Heinrich von Veldeke. Eneide, mit Einleitung und Anmerkungen, Heilbronn, 1882.
- Goossens 1991: Jan Goossens, ‘Die Servatiusbruchstücke. Mit einer Untersuchung und Edition der Fragmente Cgm 5249/18, 1b der Bayerischen Staatsbibliothek München’, in: Zeitschrift für deutsches Altertum und deutsche Literatur 120 (1991), 1-65.
- Janssens 2007: Jozef Janssens, In de schaduw van de keizer. Hendrik van Veldeke en zijn tijd (1130-1230). Zutphen, 2007.
- Klein 1985: Thomas Klein, ‘Heinrich von Veldeke und die mitteldeutschen Literatursprachen. Untersuchungen zum Veldekeproblem’, in: Th. Klein en C. Milis, Zwei Studien zu Veldeke und zum Strassburger Alexander, (Amsterdamer Publikationen zur Sprache und Literatur, 61), Amsterdam, 1985, 1-121.
- Schieb en Frings 1964-1970: Gabriele Schieb en Theodor Frings, Henric van Veldeken. Eneide, Berlijn, 1964-1970.
- Paul Weelen, 'De droom van de minnezanger', roman, Maastricht 2007.
Externe links [bewerken]
- Biografieën, werken en teksten bij de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl)
- http://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/cpg357/
- http://digi.ub.uni-heidelberg.de/diglit/cpg848/