Henri Viotta

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Henri Viotta

Henricus Anastasius (Henri) Viotta (Amsterdam, 16 juli 1848 - Montreux, 17 februari 1933) was een Nederlands componist, advocaat en oprichter van het Residentie Orkest.

Opleiding[bewerken]

Viotta kwam uit een muzikaal gezin. Zijn vader, de arts-musicus J.J. Viotta, was de componist van vele nu nog steeds bekende liedjes op teksten van J.P. Heije. Hij ontving eerst muziekonderwijs van zijn vader, bezocht daarnaast de muziekschool van Wilhelmus Smits en hield zich al vroeg bezig met de studie van opera's. Toen hij tien was hoorde hij voor het eerst Tannhäuser van Richard Wagner en dit maakte diepe indruk. Viotta ging muziekles geven, maar na een jaar schreef hij zich in aan de Rijksuniversiteit Leiden om rechtsgeleerdheid te gaan studeren. Hij leidde tijdens zijn studie onder meer een uitvoering van de door hem gecomponeerde Mis en componeerde de Feestmars voor een lustrum van de Universiteit. In 1876 bezocht Viotta het eerste Bühnenfestspiel in Bayreuth en zag daar Der Ring des Nibelungen, wat leidde tot een uitvoerig opstel over Wagner in De Gids. Hij zette zijn studie voort en promoveerde in 1877 op de dissertatie Het auteursrecht van de componist.

Loopbaan[bewerken]

Viotta schreef nu het muziekdrama De zeven raven. Alleen het Voorspel en een Hochzeitsmars zijn hiervan bewaard gebleven. In 1878 werd hij, nadat hij een der Concerten van de Vereniging Amstels Mannenkoor had gedirigeerd, aangezocht om ook verder de functie van directeur van deze vereniging op zich te nemen. Viotta bleef echter bij zijn besluit om de kunst uitsluitend als liefhebberij uit te oefenen en liet zich als advocaat in Amsterdam inschrijven. Daarnaast publiceerde hij muzikale verslagen in het dagblad Het Noorden, later in de Amsterdamse Courant. Viotta publiceerde ook opstellen in De Gids en Caecilia en werd benaderd door de uitgevers Boothaan en Bührman om een Lexicon der Toonkunst te bewerken (1879-1883). Naar aanleiding van de dood van Wagner, op 13 februari 1883, schreef hij de biografie Richard Wagner, zijn leven en zijne werken. In datzelfde jaar richtte hij de Wagner-vereniging op, waarvan hij directeur werd. Het doel van de vereniging was de werken van de nieuwe Duitse School, in het bijzonder die van Wagner en Franz Liszt en ook enkele werken van Hector Berlioz, bij de muziekliefhebbers bekend te maken. In de Nederlandse muziekwereld van die dagen, die gedomineerd door een conservatieve componist als Johannes Verhulst, was Viotta een pionier voor de nieuwe muziek.

In 1886 werd Viotta gekozen tot directeur van de zangvereniging Excelsior. Onder zijn leiding werden de werken van Berlioz La Damnation de Faust, Messe des Morts, Roméo et Juliette, van Vincent d'Indy Le chant de la cloche en van Peter Benoit Lucifer, enz. opgevoerd. In 1889 werd Viotta gekozen tot directeur der Maatschappij Caecilia. In dat jaar richtte hij ook het Maandblad voor Muziek op, waarin hij de denkbeelden van de nieuwe kunst in het algemeen en de denkbeelden van Wagner in het bijzonder ingang trachtte te doen vinden. Daarnaast werd hij muzikaal medewerker van De Telegraaf en trad hij op als vaste medewerker van De Gids. In 1892 verscheen Over hedendaagse toonkunstenaars (bij Holkema en Warendorf). In 1900 verscheen "Helden der Toonkunst" bij H.D. Tjeenk Willink & zoon te Haarlem met 32 portretten van componisten. Viotta was van 1896 tot 1919 directeur van het Koninklijk Conservatorium en was in 1904 de oprichter van het Residentie Orkest, waarvan hij dirigent en directeur was tot 1917.

In 1920 vestigde Viotta zich in Clarens in Zwitserland. Later verhuisde hij naar Montreux, waar hij in 1933 stierf.

Bronnen

Externe link