Hertogdom Saksen-Altenburg (1826-1918)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Herzogtum Sachsen-Altenburg
Lid van de Duitse Bond (1826-1866)
Lid van de Noord-Duitse Bond (1866-1871)
Staat in het Duitse Keizerrijk (1871-1918)

 Hertogdom Saksen-Gotha-Altenburg 1826 – 1918 Vrijstaat Saksen-Altenburg 
Symbolen
Vlag van Saksen-Altenburg tussen 1893 en 1918 Blason Duché de Saxe-Altenbourg (Grandes Armes).svg
(Details) (Details)
Kaart
Map of Saxe-Altenburg.png
Algemene gegevens
Hoofdstad Altenburg
Oppervlakte 1.324 km²
Bevolking 216.128 (1910)
Talen Duits
Religie Lutheranisme
Munteenheid Mark
Kenteken SA
Politieke gegevens
Regeringsvorm Monarchie
Staatshoofd Hertog
Dynastie Ernestijnse linie (Huis Wettin)
Bondsraad 1 stem
Portaal  Portaalicoon   Duitsland

Het Hertogdom Saksen-Altenburg was een van de Ernestijnse hertogdommen in het huidige Thüringen. Het bestond van 1826 tot 1920 (sinds 1918 als vrijstaat).

Het hertogdom Saksen-Altenburg van 1826 tot 1918/1920[bewerken]

Na het uitsterven van de linie Saksen-Gotha-Altenburg wees de Saksische koning Frederik August I in 1826 Saksen-Hildburghausen en het Saalfeldse deel van Saksen-Coburg-Saalfeld toe aan Saksen-Meiningen. Frederik van Saksen-Hildburghausen ontving ter compensatie hiervoor het ambt Altenburg met Eisenberg en Stadtroda als zelfstandig hertogdom Saksen-Altenburg.

Frederik stond zijn land op 29 april 1831 een grondwet toe. Zijn opvolger Jozef deed in de Maartrevolutie van 1848 verdere concessies aan de progressieve beweging. Hij voerde direct stemrecht in, liet het leger de eed afleggen op de grondwet en hief de censuur op. Toen hij echter aarzelde de nieuwe landdag bijeen te roepen en de leiders van de democratische beweging liet arresteren kwam het tot onlusten. Hij deed verdere concessies aan het volk en trad op 30 november af ten faveure van zijn broer George.

Deze schafte de burgerwacht af en verving in 1850 de liberale kieswet door een kiesstelsel op basis van drie inkomensgroepen. Zijn zoon Ernst I herzag de constitutie in reactionaire zin door onder andere het recht van initiatief van de landdag en de juryrechtspraak af te schaffen. Hij draaide in 1855 tegen de wil van de landdag bij hertogelijk besluit de kieswet van 1850 terug en stelde in 1857 een nieuwe wet in. Hij sloot in 1862 een militaire conventie met Pruisen en trad in 1866 toe tot de Noord-Duitse Bond. In 1868 werden de domaniale goederen volledig van de staatseigendommen afgescheiden en in 1873 tot Ernsts privé-eigendom verklaard. In 1869 werd de kieswet van 1850 heringevoerd. Na een vernieuwd verdrag streden Altenburgse troepen in de Frans-Pruisische Oorlog van 1870/1871 en trad het land toe tot het Duitse Keizerrijk. Door de gunstige financiële situatie van het hertogdom konden de belastingen aanzienlijk verlaagd worden.

Ernsts neef en opvolger Ernst II deed in de Novemberrevolutie op 13 november 1918 troonsafstand. De vrijstaat Saksen-Altenburg ging op 1 mei 1920 op in Thüringen. Ernst II stierf in 1955 als allerlaatste Duitse soeverein en was daarmee de enige die nog ingezetene van de Duitse Democratische Republiek is geweest. Met de kinderloze dood van zijn zoons Frederik Ernst (1985) en George Maurits (1991) stierf de linie Saksen-Altenburg uit.

Territorium[bewerken]

De staat bestond uit twee ongeveer even grote delen die van elkaar werden gescheiden door een deel van het vorstendom Reuss oudere linie.

De Ostkreis komt ongeveer overeen met het huidige district Altenburger Land.

Hertogen[bewerken]