Het verraad van Anne Frank

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het verraad van Anne Frank en degenen die met haar waren ondergedoken, leidde op 4 augustus 1944 tot haar gevangenneming, en vervolgens deportatie en dood in Bergen-Belsen in maart 1945. Ondanks herhaald onderzoek is de identiteit van haar verrader onbekend gebleven.

Van Duitsland naar Amsterdam[bewerken]

Anne Frank verhuisde met haar ouders en zus in 1933 van het Duitse Frankfurt am Main, waar Anne was geboren, naar Amsterdam om vervolging door de nazi's te voorkomen. Ze was net 13 jaar oud toen ze in juli 1942 onderdook in het Achterhuis, een kleine ruimte van twee verdiepingen achter het bedrijf van Otto Frank op de Amsterdamse Prinsengracht 263. De deur naar het achterhuis zat verstopt achter een boekenkast. Haar vader, Otto Frank dook met zijn gezin onder, onmiddellijk nadat Margot een brief had ontvangen die haar gelastte zich te melden voor deportatie. Hij, zijn vrouw Edith en hun dochters Margot en Anne, werden binnen een maand gevolgd door Otto Franks collega Hermann van Pels, diens echtgenote Auguste en hun zoon Peter. Vier maanden later voegde een andere Duitse vluchteling, Fritz Pfeffer, bij het gezelschap. Voor meer dan twee jaar dook de groep van 8 personen succesvol onder. Hoewel men zich altijd van het gevaar van ontdekking bewust was, werden alle acht overvallen door de gebeurtenissen van 4 augustus 1944, toen Duits Gestapo-personeel en Nederlandse politiemannen hen arresteerden.

De arrestatie[bewerken]

Ongeveer tussen tien uur en half elf op de warme zomerochtend van vrijdagmorgen 4 augustus 1944 stopte een Duitse auto voor de openstaande magazijndeuren van het pand aan de Prinsengracht 263. Een geüniformeerde Duitser, Karl Silberbauer, vergezeld door 4 à 5 Nederlandse SD'ers (in burger gekleed), onder wie Maarten Kuiper, liep het pand binnen. Een lid van het gezelschap stelde een vraag aan de op de begane grond werkzame Willem van Maaren. Deze antwoordde: 'Boven' en stak zijn duim omhoog. Een Nederlandse SD'er bleef beneden, terwijl de rest zich naar de eerste verdieping begaf. Na een snelle zoektocht door het gebouw begaf de geüniformeerde Duitser zich naar de plek waar de toegang tot het achterhuis was. Men schoof de boekenkast open die de ingang verborg. Met Victor Kugler (een van de 'helpers') voorop begaf het gezelschap zich naar de vertrekken waar de onderduikers zich bevonden. Op bevel van Silberbauer moesten de onderduikers hun geld en sieraden afstaan.

De Nederlandse SD'ers doorzochten de vertrekken van het achterhuis op geld en kostbaarheden. De gearresteerden kregen de gelegenheid kleding en toiletgerei te pakken. Een Nederlander bestelde telefonisch een vrachtauto, groot genoeg om het gehele gezelschap te kunnen vervoeren. Na lang wachten arriveerde het vervoer rond 1 uur in de middag. De onderduikers werden naar een schoolgebouw aan de Euterpestraat gebracht, waar zich het hoofdkwartier van de Aussenstelle Amsterdam des Befehlshabers der Sicherheitspolizei und des SD bevond. Later vertelde Silberbauer dat hem door zijn superieur Julius Dettmann was opgedragen onderduikers te arresteren op de Prinsengracht 263. Dettmann zei hem daarover telefonisch ingelicht te zijn. Doordat deze Dettmann na de Duitse nederlaag zelfmoord heeft gepleegd, is nooit duidelijk geworden met wie Dettmann dat telefoongesprek gevoerd heeft.

De verdachten[bewerken]

Willem van Maaren (1895-1971)[bewerken]

Opekta-medewerker Willem van Maaren had een onderzoekende aard. Hij toonde zich nieuwsgierig naar wat er zich in het achterhuis van het Opekta-pakhuis bevond. Hij werd betrapt op kleine diefstallen uit de magazijnen. De 'helpers' van de onderduikers voelden zich nooit zeker over Van Maarens betrouwbaarheid. Victor Kugler, Bep Voskuijl en Johannes Kleiman verdachten hem van het verraad, terwijl Miep Gies en Otto Frank er niet zeker van waren. Tijdens het in 1948 uitgevoerde onderzoek naar het verraad ontkende Van Maaren daarbij betrokken te zijn. Wel gaf hij toe vermoed te hebben dat er in het pand iets aan de hand was. Van Maaren, weinig geliefd in zijn omgeving, had geen Duitse of nazi-sympathieën. Van antisemitisme heeft hij, voor zover bekend, nimmer blijk gegeven. Dat zijn diefstallen de bewoners van het achterhuis en hun 'helpers' achterdochtig én angstig maakten, is begrijpelijk. De 'helpers' konden tijdens het onderzoek in 1948 geen feiten die op verraad wezen, aandragen. De recherche vond dat ook. Opmerkelijk is dat Van Maaren, na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, zélf in verzet gaat met als gevolg dat hij geheel vrijgesproken wordt. Zou hij werkelijk de dader zijn geweest en (indirect) zeven doden op zijn geweten hebben, dan zou hij wel tevreden zijn geweest met de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Hij werd tot 1963 met rust gelaten. Toen werd hij opnieuw als verdachte gehoord, nadat Karl Silberbauer was ontdekt in Oostenrijk. Ook dit onderzoek leverde geen ondersteuning voor de aanname dat Van Maaren bij het verraad betrokken zou zijn. Op 4 november 1964 werd het dossier-Van Maaren door de Rijksrecherche gesloten en naar de Officier van Justitie gestuurd. In de begeleidende brief stond 'dat het onderzoek niet heeft kunnen leiden tot enig concreet resultaat'. Rechercheur A.J. van Helden noemde vervolgens ook nog een vijftal ontlastende factoren:

  1. Van Maaren weigerde uit principe steun van de nationaalsocialistisch getinte Winterhulp-Nederland, die het monopolie op liefdadigheid had;
  2. Van Maaren kende de ondergedokenen niet zodat de factor rancune ontbrak;
  3. Van Maaren zat financieel aan de grond, maar van een (verraad)vergoeding blijkt niets;
  4. Van Maaren heeft geholpen delen van Annes dagboek in veiligheid te brengen, terwijl hij het gemakkelijk aan de SD had kunnen geven en
  5. Van Maaren werd door ex-verzetsmensen uit zijn buurt niet sympathiek gevonden, maar hij leek hun geen verrader van ondergedoken Joden. Hoewel hij wist van verzetsactiviteiten in zijn buurt, had hij nooit de Duitsers ingelicht.

Toch was niet iedereen van zijn onschuld overtuigd. Zo schreef Kugler nog in 1964 aan Miep Gies over Van Maaren: 'Het is erg genoeg de dood van 7 mensen op het geweten te hebben en schuldig te zijn aan de ellende van drie anderen gedurende bepaalden tijd'. Meer dan tien jaar later schreef Otto Frank in een brief dat Van Maaren niet vervolgd kon worden, 'Aangezien er geen bewijzen zijn.'

Lena Hartog-van Bladeren (1897-1963)[bewerken]

Melissa Müller beschuldigt Lena Hartog-van Bladeren van het verraad in haar in 1998 verschenen biografie van Anne Frank. Hartog-van Bladeren was de echtgenote van Lammert Hartog, die van het voorjaar 1944 tot augustus 1944 magazijnknecht bij Opekta, het bedrijf van Otto Frank, was geweest. Hartog-van Bladeren werkte als schoonmaakster op de Prinsengracht 263. Zij ontkende weliswaar tijdens een naoorlogs verhoor dat zij ooit op de Prinsengracht 263 had gewerkt, maar deze getuigenis bleek onjuist. 'Het is zeker dat Lammert Hartog zijn vrouw Lena over de verstopte Joden heeft verteld', schrijft Müller. Volgens Müller maakte Lena zich ernstig zorgen over de veiligheid van haar man en haar zoon Klaas. Voor haar man, omdat hij ergens werkte waar Joden ondergedoken waren, en voor haar zoon die door de verplichte Arbeitseinsatz in de buurt van Berlijn werkte, maar die per 22 augustus 1944 vrijwillig bij de Kriegsmarine diende. Daarom is het volgens Müller aannemelijk dat Hartog-van Bladeren de persoon is geweest die op 4 augustus 1944 de Duitsers belde om de Joden op Prinsengracht 263 aan te geven. Dit past ook bij de 'hardnekkige geruchten' die over een vrouwelijke stem spraken. Müllers commentaar op de verhoren in 1948 sluit aan bij dat in de inleiding op De Dagboeken van Anne Frank. Vanwege de geringe kwaliteit van het politieonderzoek in 1947-1948 vermoedt Müller dat Hartog-van Bladeren nooit door de mand is gevallen. Omdat zij in 1963 overleed, kon ze niet meer voor een tweede keer verhoord worden.

Melissa Müller gaat bij haar reconstructie uit van een aantal aannames. Lammert Hartog wist twee weken vóór de inval dat er Joden verborgen waren, maar de bewering 'Het is zeker dat Lammert Hartog zijn vrouw Lena over de verstopte Joden heeft verteld', kan niet bewezen worden. Als zij zo bezorgd zou zijn over het lot van haar man, waarom zou zij dan de SD gebeld hebben op het moment dat haar man daar werkte? Deze wist in elk geval in zijn verhoor door de Politieke Recherche Afdeling te vertellen wat zich bij de inval afspeelde en hij bleef nog een 'dag of drie, vier' daar werken. Daartegenover staat evenwel de verklaring van Kleiman, die de PRA vertelde dat Hartog 'bij de komst van de S.D. zijn jasje al aan had. Hij nam onmiddellijk de benen en wij hebben hem niet meer teruggezien.'

Wat kan het verraad te maken hebben gehad met het lot van haar zoon? Die was vrijwillig bij de Kriegsmarine gegaan, met als ingangsdatum 22 augustus 1944, en zij had wellicht langere tijd niets van hem gehoord. Maar toen zij zogenaamd de SD zou hebben gebeld, was er nog niets met haar zoon aan de hand. Pas zeven jaar na de oorlog wordt zijn dood officieel aangegeven in Berlijn bij het Standesamt 1, waarbij zijn overlijdensdatum op Anfang Mai 1945, Tag nicht bekannt, wordt gesteld. In die datum kan veel speling zitten, maar het is uitgesloten dat Lena in augustus 1944 de dood van haar zoon bijna negen maanden later voorzag.

De 'hardnekkige geruchten' dat er sprake was geweest van een vrouwenstem zijn terug te brengen tot een mededeling van Cor Suijk, voormalig directielid van de Anne Frank Stichting en een vertrouweling van Otto Frank. Hij had dit lang geleden gehoord van Frank. Ook de weduwe van Frank, Elfriede Frank-Markovits, vertelde kort voor haar dood in oktober 1998 dat er sprake was geweest van een vrouwelijke stem. Ook zij wist dat van haar man. Waar Otto Frank die kennis van had, blijkt nergens uit. Cor Suijk heeft substantieel bijgedragen aan het boek van Melissa Müller en het is voorstelbaar dat Melissa Müller met de vrouwenstem als uitgangspunt op zoek gegaan is naar een passende verdachte.

Tonny Ahlers (1917-2000)[bewerken]

Tonny Ahlers was een Nederlandse nationaalsocialist en een kleine crimineel. Hij functioneerde als informant voor de Amsterdamse Gestapo. Hij maakte voor het eerst kennis met Otto Frank in 1941, die hij na het einde van de oorlog trachtte te chanteren. In haar in 2002 verschenen biografie van Otto Frank beschuldigt Carol Ann Lee hem van het verraad. De beschuldiging werd ontkend door Ahlers echtgenote, maar bevestigd door anderen uit de naaste omgeving van de 2 jaar daarvoor overleden Ahlers, zoals diens broer en zoon. Er bleek echter geen direct bewijs te vinden te zijn voor de beschuldiging en uiteindelijk gingen alle beschuldigende verklaringen terug op uitlatingen van Ahlers zelf. Gezien diens bewezen leugenachtigheid is dat onvoldoende onderbouwing voor een wezenlijke wijziging van het standpunt dat er geen bewijs is voor Ahlers' betrokkenheid bij het verraad.

Conclusies[bewerken]

Het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) heeft naar aanleiding van de publicaties van Müller (1998) en Lee (2002) opnieuw onderzoek verricht naar het verraad van Anne Frank en de overige bewoners van het achterhuis. Het NIOD concludeerde dat geen van de drie verdachten voor de verradersrol in aanmerking komt.

Naar Willem van Maaren is tot twee keer toe onderzoek gedaan, zij het in 1947-1948 niet heel deugdelijk. Bij het heropende onderzoek in 1963-1964 is er geen enkel nader bewijs voor het verraad bijgekomen en is de gerechtelijke vervolging terecht gestaakt, zo stelt het NIOD.

Voor Lena Hartog-van Bladeren vindt het NIOD geen positief bewijs dat zij wist dat er Joden ondergedoken waren in het achterhuis van Prinsengracht 263. Daarnaast is het motief dat zij bang was voor het lot van haar man, die daar in het magazijn werkte, niet overtuigend. Waarom zou hij die fatale dag niet zijn thuisgebleven, want nu liep hij de kans ook zelf gearresteerd te worden. De link naar het onzekere lot van haar zoon is eigenaardig. Deze zat vrijwillig op zee bij de Kriegsmarine en natuurlijk zal zijn moeder ongerust over hem zijn geweest, maar hij kwam pas om in mei 1945 en zijn dood werd zeven jaar na de oorlog officieel bekendgemaakt.

Wat betreft Tonny Ahlers als verrader en chanteur merkt het NIOD op dat Ahlers inderdaad voor de SD heeft gewerkt. Na de oorlog is hij niet veroordeeld voor verraad of wat dan ook, hoewel hem wel een aantal rechten (bijvoorbeeld het actief en passief kiesrecht) werden ontnomen, zoals ook bij Van Maaren in eerste instantie het geval was. Uit alles blijkt dat hij weliswaar niet altijd aan de juiste kant van de wet leefde, maar dat hij vooral opviel door zijn opschepperij en onbetrouwbaarheid. Omdat hij, naast zijn eigen familie, de voornaamste bron van Lee's stelling is, valt of staat de beschuldiging aan Ahlers met zijn betrouwbaarheid. Omdat die uiterst gering is, vervalt de beschuldiging.

Het NIOD concludeert dat zonder nieuwe gegevens de juiste toedracht van het verraad niet meer gereconstrueerd zal kunnen worden.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties