Hogere burgerschool

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

De hogere burgerschool (afgekort hbs) was een Nederlandse onderwijsvorm.

De hbs werd ingevoerd bij de Wet op het middelbaar onderwijs uit 1863 van Johan Rudolf Thorbecke. Er bestonden twee soorten, namelijk de driejarige en de vijfjarige hbs. Bij beide lag de nadruk op het onderwijs in wiskunde, exacte vakken en moderne talen. Terwijl de bestaande middelbare scholen, de gymnasia vooral in de grote steden stonden en door de gemeenten onderhouden werden, stichtte het Rijk in kleinere plaatsen in de uithoeken van het land hbs'en, bijvoorbeeld in Ter Apel en Zierikzee. Anders dan verwacht werd vooral de vijfjarige hbs een succes, de driejarige hbs werd grotendeels verdrongen door de mulo, waar in vier jaar dezelfde stof onderwezen werd. Bovendien gaf het overgangsbewijs naar de vierde klas van de vijfjarige hbs dezelfde rechten als het eindexamen driejarige. In 1924 werd de bestaande hbs omgedoopt in hbs-b en werd als opvolger van de handelsschool de hbs-a ingevoerd, waar de nadruk op economische vakken en moderne talen lag. De splitsing vond plaats na het derde jaar.

Een hbs-diploma gaf toegang tot de polytechnische hogeschool, de huidige Technische Universiteit Delft, de Rijks hogere land- tuin- en bosbouwschool, de huidige Wageningen Universiteit en Researchcentrum, die pas in 1905, respectievelijk 1917 tot het hoger onderwijs gerekend werden en de in 1913 opgerichte Nederlandse Handelshogeschool, de huidige Erasmus Universiteit Rotterdam. In de faculteit van de geneeskunde kon men met het hbs-diploma alle examens tot en met het artsexamen afleggen. Alleen voor een wetenschappelijke promotie tot doctor was een gymnasiumdiploma nodig, en veel Nederlandse artsen promoveerden daarom in het buitenland. Ook legden veel hbs'ers tijdens hun studie het staatsexamen gymnasium af, dat volledige toegang tot de universiteit gaf. Aan de andere kant werd het onderwijs aan de hbs meestal gegeven door academisch gevormde en vaak gepromoveerde leraren. Vanaf 1918 werden studenten met een diploma hbs (het latere hbs-b diploma) ook toegelaten tot de faculteit van de wis- en natuurkunde en de promotie in de faculteit van de geneeskunde aan de universiteiten. Het diploma hbs-a gaf alleen toegang tot de studie in de economie. Tot de invoering van de mammoetwet bleef de studie in de theologie, de rechten en de letteren voorbehouden aan gymnasiasten. Vanaf 1909 werden veel hbs'en opgenomen in lycea, waardoor de keuze tussen hbs en gymnasium twee jaar kon worden uitgesteld.

In het begin mochten meisjes in principe niet naar de hbs, dit mocht slechts na toestemming door de minister. In 1906 werden meisjes wel algemeen toegelaten. In grote steden werden ook aparte meisjes-hbs'en met zesjarige cursus gesticht, vaak in samenhang met een middelbare meisjesschool)

Met de invoering van de Mammoetwet in 1968 werd de hbs opgevolgd door het havo en het vwo (met gymnasium en atheneum). De laatste eindexamens voor de hbs werden in 1974 afgenomen (voor de zogenaamde "bezemklas" van de 6-jarige hbs).

[bewerk] Zie ook

Moderne

[bewerk] Literatuur

Casimir, R. en Verheyen, J.E. (red), Paedagogische encyclopaedie, Wolters, Groningen, 1937-1949.

 
Persoonlijke instellingen