Holocaust in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geëmigreerde Duitse joden worden in Amsterdam opgepakt, juni 1940
Deportatie uit Kamp Westerbork
Nederlandse Joden in Buchenwald, 1941

De Holocaust in Nederland was de uitvoering in Nederland van de doelstelling van nazi-Duitsland om de Joden uit te roeien. Ook Roma (zigeneurs) en andere bevolkingsgroepen werden systematisch vervolgd.

De meeste Joden in Nederland werden gedeporteerd naar concentratiekampen in Polen en elders om daar vergast te worden. De massale deportaties begonnen in de zomer van 1942. Vanaf 14 juli 1942 werden Joden systematisch afgevoerd via kamp Westerbork, zogenaamd om te gaan werken in een werkkamp in Duitsland (werkverruiming / Arbeitseinsatz). In het begin werden mensen aangeschreven met het bevel zich te melden. Er werd gedreigd dat wie niet kwam opdagen naar een concentratiekamp zou worden gestuurd (dit werd als nog veel erger beschouwd dan te moeten werken in een werkkamp; concentratiekamp Mauthausen was toen al berucht). Later werden mensen niet meer opgeroepen maar gelijk gearresteerd. Ook waren er massale nachtelijke razzia's in Amsterdam-Zuid en Amsterdam-Centrum.

Achtergrond[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Holocaust voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De nazi's streefden twee belangrijke doelen na. In de eerste plaats was de aandacht gericht op heerschappij over het Europese continent en de nazificatie ervan. Daarnaast was het doel van de nazi's om ideologisch ongewenste personen zoals Joden, zigeuners, "economisch onwaardigen", homoseksuelen, Polen en Slaven uit het beoogde leefgebied van het zogenaamde "Germaanse ras" te verwijderen. Dat was nodig om Lebensraum ("levensruimte") te scheppen voor het Germaanse ras en om het Germaanse ras bloedzuiver te houden. Reeds in Mein Kampf had Adolf Hitler deze doelstellingen genoemd en vanuit de rassentheorie onderbouwd. De verwijdering van inferieur geachte groeperingen werd de voedingsbodem voor de uiteindelijke poging tot daadwerkelijke vernietiging van alle Europese Joden. De uitroeiing van de Joden werd door de nazi's de Endlösung der Judenfrage genoemd.

Aantal slachtoffers[bewerken]

Monument voor Anne Frank op de Westermarkt in Amsterdam

Van de circa 140.000 Joden in Nederland werden er tussen de 104.000 en 110.000 vermoord, ongeveer 75 procent in totaal.[1] Een exact getal valt niet te noemen, want het blijft een schatting, maar er zijn zeker meer dan 102.000 Joden vermoord.

Daarnaast zijn een paar duizend Nederlandse Joden omgekomen door moord en ontberingen buiten de werk- en concentratiekampen. Ook heeft een onbekend aantal zelfmoord gepleegd om deportatie te ontkomen. Daarmee heeft de bezetting een tol geëist van ongeveer driekwart van alle Joodse inwoners in mei 1940.

Vijfduizend Roma stierven aan de gevolgen van antiziganisme in Nederland.

Het Joodse slachtofferpercentage van 75% in Nederland is hoog in vergelijking met andere landen waar de Joden werden vervolgd. In België en Frankrijk werd hooguit 40 procent bereikt. In Luxemburg was het even hoog, in Duitsland en Oostenrijk was het hoger, namelijk 84%, en in Tsjechië 90%.[2]

De geschiedschrijving van de Holocaust tracht onder meer te verklaren waarom in Nederland verhoudingsgewijs veel Joden zijn omgekomen. Volgens sommige historici stuitte de vervolging van Joden in Nederland op minder maatschappelijke weerstand dan in andere landen. De Britse onderzoeker Bob Moore wijst er op dat in Frankrijk en België de maatregelen tegen de Joden met tamelijk veel weerstand en maatschappelijke onrust gepaard gingen. Daardoor heeft de bezetter de te deporteren aantallen Joden voor die landen naar beneden bijgesteld. Daar stond tegenover dat het identificeren en isoleren van Joden in Nederland weinig of geen problemen gaf, zodat het waarschijnlijk in staat werd geacht een groter aantal Joden te leveren dan oorspronkelijk was begroot.[3]

Enkele theorieën waarom in Nederland zich dit aantal heeft kunnen voordoen, zijn onder meer:

  • Er is geen enkele aanslag of overval gepleegd op transporttreinen voor Joden om hen te bevrijden;
  • Pas na de april-meistaking in 1943 kwam het verzet echt op gang, maar toen was het voor de meeste Joden al te laat
  • Het Duitse bezettingsregime bestond uit een burgerlijk regime, waar de nazi-uitgangspunten zoals Jodenvervolging hoog in aanzien stonden; dit werd uitgevoerd door Oostenrijkse nazi’s zoals Reichskommissar Arthur Seyss-Inquart en vooral SS-generaal Hanns Rauter;
  • De efficiëntie en de traditioneel hoge graad van organisatie en registratie van de Nederlandse overheden, die bijvoorbeeld van allen die zichzelf als Jood beschouwden, de religie had geregistreerd;
  • Het dichtbevolkte land en merendeels vlakke landschap, zonder gebergte en zonder uitgestrekte bossen, maakte het Joden moeilijk om zich te verbergen;
  • Het overgrote deel van de Nederlandse Joden was woonachtig in Amsterdam, een kwart in de andere grote steden, waardoor zij als gevolg van hun concentratie een gemakkelijk doelwit voor vervolging vormden;
  • De Joodse leiders voelden zich genoodzaakt tot een beleid van samenwerking met hun vervolgers;
  • Doordat de Joden door de Duitsers uit het openbare leven werden verbannen, raakten zij afgesneden van de morele en fysieke ondersteuning door de verzuilde instellingen uit het maatschappelijke middenveld[bron?];
  • Slechts 1 op de 7 Joden heeft geprobeerd een onderduikadres te vinden[bron?];
  • Nederland had een van de modernste bevolkingsregisters in de wereld waar voor de oorlog al bijna iedere Nederlander met naam, adres en religie vermeld stond.
  • De Joodsche Raad in Amsterdam werkte verzet onder de Joden zelf tegen.Andere Joodsche Raden zagen dat anders, zoals die in Enschede. Niettemin hadden Joden een groot aandeel in het gewapende verzet, o.m. vanwege het relatief grote aantal Joden dat socialist of communist was. Bekend waren onder anderen Sally Dormits en de leiding van de CPN, zoals Paul de Groot.

Daarnaast geeft Nanda van der Zee in haar boek "Om erger te voorkomen" nog andere verklaringen:

  • Het ongrondwettige maar ook onvrijwillige vertrek van Koningin Wilhelmina en de regering naar Londen maakte dat er plaats kwam voor een civiel Duits gezag onder de antisemiet Seyss-Inquart;
  • De symbolische en actieve rol van de vorstin in het verzet tegen Jodenvervolging, zoals de in eigen land gebleven vorsten van bijvoorbeeld Denemarken en België betrachtten, werd zodoende onmogelijk;
  • Koningin Wilhelmina heeft, door de Joden in haar radiospeeches vrijwel nooit te noemen, geen gebruik gemaakt van de grote propagandamogelijkheden van Radio Oranje.

In tegenstelling tot de situatie in Duitsland, waarbij de helft van de 500.000 joden die daar in 1933 woonden nog konden emigreren/vluchten, konden de meeste Joden in Nederland geen kant op, want er werd vanuit het bezette Nederland emigratie maar zeer beperkt toegestaan. Duitse joden die naar Nederland waren gevlucht werden tijdens de bezetting dus opnieuw of alsnog vervolgd. Een kleine duizend joden heeft legaal uit bezet Nederland kunnen emigreren, vooral in 1940 en 1941. Dit gebeurde meestal via het neutrale Spanje en Portugal, tegen forse betaling.[4]

Tijdlijn[bewerken]

Vrouw met Jodenster opgepakt tijdens een razzia in Amsterdam op 20 juni 1943

1940[bewerken]

  • 1 juli 1940: Joden mochten niet langer deelnemen aan de luchtbescherming.
  • Op 30 september 1940 krijgen de lagere overheden informatie over de vraag wie er nu precies als 'Jood' moet worden aangemerkt. Iemand met drie of vier Joodse grootouders wordt als Volljude (=voljood) aangemerkt.
  • In september 1940 werd het aanstellen en bevorderen van joodse ambtenaren verboden.
  • In november 1940 werden alle joodse ambtenaren ontslagen. Aan de Universiteit Leiden protesteerde Rudolph Cleveringa hiertegen in een toespraak, en studenten door middel van een staking. Daarop sloten de Duitsers de universiteit. Deze werd in september 1945 heropend.

1941[bewerken]

  • 10 januari 1941: De Nederlandse Bioscoopbond ontzegt Joden de toegang tot bioscopen.
  • Op 10 januari 1941 krijgen de Joden de plicht om zich te laten registreren. In navolging van de praktijk in Duitsland wil de bezetter ook in Nederland een zogenoemde Judenkarterei, een centraal register met alle Joodse Nederlanders daarin opgenomen. Ook wie slechts één joodse voorouder heeft gehad, dient zich te melden. Zij moeten daartoe zelf één gulden te betalen. Er werden uiteindelijk 157.000 formulieren in Den Haag ontvangen. Geen enkel plaatselijk bureau heeft de oproep gesaboteerd of vertraagd.
  • 9 februari 1941: De Weerbaarheidsafdeling veroorzaakt rellen in de Jodenbuurt te Amsterdam.
  • Op 13 februari 1941 werd op bevel van de bezetter de Joodse Raad opgericht. Als enig toegestane Joodse blad werd door de Raad Het Joodsche Weekblad uitgegeven, wekelijks van 11 april 1941 t/m 28 september 1943. Het blad bevatte onder meer de Duitse geboden en verboden gericht op de Joden. De Raad werd ervoor verantwoordelijk gesteld dat de Joden zich hieraan hielden.
  • 15 februari 1941: De besturen van acht Groningse studentenverenigingen richten een brief tot de Duitse gevolmachtigde voor de provincie Groningen naar aanleiding van de invoering van een 'numerus clausus' (beperking van het aantal) voor Joodse studenten. Deze brief - aan de gemachtigde persoonlijk afgegeven - houdt onder meer in, dat de verenigingen hierin een directe aantasting van de Nederlandse traditie (van) vrijheid van studie zonder onderscheid van ras of geloof (zien). Daarenboven menen wij, dat deze maatregelen in strijd zijn met het Volkenrecht. ...Daarom komen wij met kracht op tegen deze bovengenoemde onrechtmatigheid. De besturen verzoeken hun leden dringend na dit duidelijke protest verdere demonstraties achterwege te laten.
  • 22 februari 1941: Eerste Duitse razzia's op Joden in Amsterdam. Deze duren twee dagen.
  • 25 februari 1941: Uit protest tegen twee razzia's wordt in Amsterdam de Februaristaking georganiseerd. De staking wordt hard neergeslagen: er vallen hierbij negen doden en vierentwintig zwaargewonden.
  • 12 maart 1941: Verordening tot verwijdering van Joden uit het Nederlandse bedrijfsleven.
  • 1 april 1941: Bordjes met de tekst "Voor Joden verboden" in Nederlandse cafés verplicht.
  • Vanaf mei mochten joden van sommige beroepsgroepen, waaronder artsen en advocaten, alleen nog diensten verlenen aan joodse klanten.
  • 1 mei 1941: In Nederland mogen Joden niet meer in schouwburgen en bioscopen komen, uitgezonderd de zogenaamde joodse theaters: daar mogen juist geen ariërs komen.
  • 26 mei 1941: Alle Nederlandse orkesten worden gecontroleerd en Joodse musici zijn van deelname eraan uitgesloten.
  • 31 me 1941: Joden mogen niet meer naar zwembaden en parken.
  • 4 juni 1941: In Nederland worden badplaatsen, plantsoenen, enzovoorts verboden voor Joden.
  • 11 juni 1941: In Den Haag en Amsterdam vinden razzia's op Joden plaats.
  • 8 augustus 1941: Joods geld moet worden gestort bij de Lippmann, Rosenthal & Co. in Amsterdam.
  • 1 september 1941: Joodse leerlingen worden van niet-Joodse scholen verwijderd.
  • 5 september 1941 - Jacobus Lambertus Lentz van de Rijksinspectie van het Bevolkingsregister meldt aan de bezetters dat er in Nederland circa 140.000 'voljoden' zijn. Daarnaast zijn er nog halfjoden en kwartjoden. De centrale registratie is een feit.
  • december 1941: Niet-Nederlandse Joden zijn verplicht een "verzoek om emigratie" in te dienen, met verstrekking van veel gegevens, los van daadwerkelijke mogelijkheden tot emigratie.

1942[bewerken]

  • 20 januari 1942: Wannseeconferentie in de gelijknamige villawijk Berlin-Wannsee, over de Endlösung der Judenfrage (=oplossing voor het jodenvraagstuk). Secretaris is Adolf Eichmann.
  • Op 23 januari 1942 geeft de bezetter de opdracht dat Joden een J in hun persoonsbewijs moeten ontvangen.
  • 1 februari 1942: De eerste groep Nederlandse Joden gaan naar de Joodse werkkampen van de Werkverruiming.
  • 1 april 1942: Begin wegvoering Joodse patiënten uit Nederlandse ziekenhuizen.
  • 16 april 1942: Handelaren in de Amsterdamse Diamantbeurs worden gedwongen hun diamantvoorraad bij de Duitsers in te leveren.
  • 17 april 1942: Bij een controle in de Amsterdamse Diamantbeurs worden de handelaren gecontroleerd en achtergebleven diamanten ingenomen door de Crisis Controledienst. Deze gebeurtenis werd vastgelegd door de fotograaf Bart de Kok.
  • mei 1942: Veel joden van buiten Amsterdam moeten naar Amsterdam verhuizen en worden ingekwartierd bij andere Joden (deze moeten dat dulden).
  • 9 mei 1942: Alle Nederlandse joden moeten een Jodenster dragen.
  • 30 juni 1942: Joden moeten tussen 20 en 6 uur in hun woningen zijn. Zij mogen ook niet meer mee als passagier in de Amsterdamse tram.
  • 15 juli 1942: Een eerste groep Nederlandse Joden worden van Westerbork naar Auschwitz getransporteerd.
  • september 1942: Joden mogen niet meer op bankjes op straten en pleinen zitten.
  • 2 oktober 1942: Joodse werkkampen worden in Nederland leeggehaald, en 14.000 personen worden gedeporteerd.

1943[bewerken]

  • januari 1943: Vondelingen worden aangemerkt als Jood.
  • 26 mei 1943: Razzia's in Amsterdam. Er worden ca. 3000 Joden opgepakt.
  • 20 juni 1943: Opnieuw razzia's in Amsterdam. Dit keer worden er 5700 Joden opgepakt.

Yad Vashem[bewerken]

Nederlanders hebben relatief de meeste onderscheidingen van Yad Vashem ontvangen voor het redden van Joden: 1 op de 1800 Nederlanders ontving een onderscheiding.[5] In totaal kregen 5200 Nederlanders en drie Nederlandse organisaties deze onderscheiding.

Een van de onderscheiden Nederlanders, Truus Wijsmuller-Meijer, wist ongeveer 10.000 Joodse kinderen uit Duitsland en Oostenrijk te redden en over te geven aan de organisatie van Kindertransporte. Zij was vooral actief in de periode 1938-1940.

Er is geen enkel ander land waar zoveel organisaties of groepen onderscheiden werden. Dit zijn:

Literatuur[bewerken]

Voor Nederland is de uitroeiing van de Joden vele malen beschreven. Ook zijn verscheidene detailstudies over de uitroeiing van de Joden in Nederland verschenen.

Algemene overzichtswerken[bewerken]

  • 1950 - Abel J. Herzberg: Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945. (Amsterdam: Querido, 1985 (1950)).
  • 1965 - Jacques Presser: Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. (2 delen; Den Haag: Staatsuitgeverij/Martinus Nijhoff, 1985 (1965)).
  • 1978 - Loe de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Deel 8: Gevangenen en Gedeporteerden. (Den Haag: Staatsuitgeverij/Martinus Nijhoff, 1978).
  • 1993 - Ds. J.M. Snoek: De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945. ISBN 90-242-0949-8 (nu ook op het Nederlandstalige gedeelte van de project Gutenberg-site te vinden onder het nr. 17139 of via de auteur/titellijsten).
  • 1998 - Bob Moore: Slachtoffers en overlevenden, De nazi-vervolging van de joden in Nederland. (Amsterdam: Bert Bakker, 1998).
  • 2006 - Ies Vuijsje, Tegen beter weten in: zelfbedrog en ontkenning in de Nederlandse geschiedschrijving van de Jodenvervolging. (Amsterdam: Uitgeverij augustus, 2006).
  • 2011 - Pim Griffioen en Ron Zeller, Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België, 1940-1945: overeenkomsten, verschillen, oorzaken. (Amsterdam: Uitgeverij Boom, 2011).

Detailstudie[bewerken]

  • 1999 - Gerard Aalders: Roof, De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog

Persoonlijke getuigenissen en verhalen[bewerken]

Canon van Amsterdam[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Voor het aantal van 110.000: zie onder andere NRC Handelsblad en Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren, en voor het aantal 104.000 Museum.nl en Joods Historisch Museum
  2. volgens Lucy Dawidowicz in haar 'The War Against the Jews'.
  3. Bob Moore in Slachtoffers en overlevenden]] (p. 114)
  4. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 5: maart '41 - juli '42, tweede helft. Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage, 1974, p. 964.
  5. Een op 1800 Nederlanders redde Joden