Homo-emancipatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Homo-emancipatie wereldwijd

██  Steun voor meer homorechten in de VN: Landen die in 2011 de LGBT rights declaration in the General Assembly steunden (94 lidstaten)

██ Tegenstander van meer homorechten in de VN: Landen die in 2008 een verklaring tekenden tegen rechten voor LGBT (54 lidstaten)

██ Overige: Landen die geen van beide verklaringen ondersteunden (46 lidstaten)

.
Regenboogvlag
Roze driehoek

Homo-emancipatie is het proces waarin homoseksuelen, lesbiennes en transgenders vanuit een achtergestelde positie een plaats in de samenleving proberen te bereiken waarin zij zich als gelijkwaardige burgers kunnen ontplooien.

Homoseksualiteit werd en wordt in veel culturen afgekeurd, waardoor homoseksuelen vaak slachtoffer van achterstelling, discriminatie of zelfs vervolging werden en worden. Sinds de 19e eeuw hebben in de westerse wereld homo's en lesbiennes zich hiervan proberen te bevrijden door middel van een redelijk succesvolle emancipatiebeweging en is een kleine, maar veelkleurige homocultuur ontstaan. Symbolen van de homo-emancipatie zijn de roze driehoek en de regenboogvlag.

Inleiding[bewerken]

Onder de aanduiding sodomie waren homoseksuele handelingen sinds de 13e eeuw in Europa een strafbaar feit, waar de doodstraf op stond. Als gevolg van de Verlichting in de 18e eeuw werd deze strafbaarheid door de Franse Revolutie in 1791 afgeschaft. Dit werd bevestigd in het nieuwe Franse wetboek van strafrecht, de Code Pénal van 1811.

Deze Franse wetgeving werd overgenomen in landen als Nederland, België, Luxemburg, Beieren, Italië, Spanje en Portugal. Hiermee bevond het protestantse Nederland zich in gezelschap van louter katholieke landen waar homoseksuele handelingen tussen volwassen mannen voortaan toegestaan waren. In de andere protestantse landen, met name Pruisen en Engeland, bleef de strafbaarheid namelijk bestaan, al werd wel de doodstraf vervangen door een gevangenisstraf.[1] Hierdoor ontstond in Noordwest-Europese landen een impuls om eveneens voor de afschaffing van strafbaarheid te strijden.

De emancipatie van homoseksuelen wordt doorgaans, net als andere emancipatiebewegingen, onderverdeeld in enkele fases:

  • De eerste fase was de strijd tegen wettelijke discriminatie en strafbaarstelling van homoseksualiteit. Deze fase begon eind 19e eeuw en eindigde in Nederland in 1971 met de afschaffing van art. 248-bis.
  • De tweede fase was de strijd om het verkrijgen van gelijke rechten, waarbij homo's en lesbiennes een eigen plaats voor zichzelf opeisten. Deze fase begon eind jaren zestig en eindigde in Nederland in 2001 met de openstelling van burgerlijk huwelijk voor paren van gelijk geslacht.
  • De derde fase gaat om het realiseren van sociale acceptatie van homoseksuele mannen en vrouwen. Deze fase begon kort na het jaar 2000.

Eerste fase: Legalisering[bewerken]

De eerste fase begon eind 19e eeuw en bestond uit de strijd tegen de wettelijke discriminatie en strafbaarstelling van homoseksualiteit.

Was muss das Volk vom dritten Geschlecht wissen, een brochure van Magnus Hirschfeld uit 1901
Demonstratie van homostudenten tegen art. 248-bis op 21 januari 1969 op het Binnenhof in den Haag

Deze eerste fase van de emancipatie profiteerde onder meer van nieuwe wetenschappelijke inzichten, waardoor homoseksualiteit niet meer als een religieuze zonde, maar als een lichamelijke ziekte of als een psychische afwijking gezien ging worden. Dit betekende dat homoseksuelen weinig aan hun gerichtheid konden doen en dat een maatschappelijke veroordeling en strafbaarstelling ervan dus onterecht was.

Een van de eerste voorvechters hierbij was de Duitse seksuoloog Magnus Hirschfeld (1868-1935), die in 1897 in Berlijn de wereldwijd eerste homo-emancipatie-organisatie oprichtte, het Wissenschaftlich-humanitäre Komitee (WhK). Daar was ook de Nederlander jhr. Jacob Schorer (1866-1957) bij betrokken, die vervolgens ook in zijn eigen land een begin zou maken met de homo-emancipatie. De sinds 1811 in Nederland bestaande straffeloosheid van homoseksualiteit werd weer ingeperkt toen in 1911 homoseksuele contacten tussen volwassenen en minderjarigen onder de 21 jaar strafbaar gesteld werden met het nieuwe art. 248-bis van het Wetboek van Strafrecht. Als reactie daarop richtte Schorer in 1912 het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK) op, een organisatie die tegen de discriminerende antihomoseksuele wetten protesteerde en die zich inzette om de mensen over homoseksualiteit te informeren.

Het NWHK werd tijdens de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 opgeheven, maar haar werk werd na de oorlog voortgezet door een nieuwe, in 1946 opgerichte homo-emancipatievereniging. Deze begon onder de schuilnaam "Shakespeare Club", later omgedoopt tot "Cultuur en Ontspannings Centrum", afgekort C.O.C., en ging aanvankelijk heel behoedzaam te werk. Het bood een schuilplaats waar homoseksuele mannen en, in mindere mate, vrouwen terecht konden voor ontmoeting en ontspanning. Om de overheid niet tegen zich te krijgen, presenteerde het bestuur de vereniging en haar leden als heel beschaafd, louter strevend naar platonische vriendschappen.

Vanuit die insteek introduceerde het C.O.C. in 1949 ook de term homofiel, als een fatsoenlijk alternatief voor het destijds beladen woord homoseksualiteit. Tegelijkertijd bleek uit het in 1948 verschenen rapport van de Amerikaanse seksuoloog Alfred Kinsey (1894-1956) dat 10% van de mensen homoseksueel zouden zijn, veel meer dan tot dan toe gedacht werd, wat voor het C.O.C. een extra stimulans voor haar emancipatiestreven was. Zowel de term homofiel als het getal van 10% bleven in brede kringen langdurig in gebruik.

In de jaren zestig trad het C.O.C. geleidelijk meer naar buiten en ging de dialoog aan met de buitenwereld, maar ook dit bleef vooral gericht op constructieve emancipatie. Men hanteerde daarvoor het zogeheten 'sleutelfigurenmodel', wat inhield dat het C.O.C. in eerste instantie invloedrijke kopstukken uit de verschillende maatschappelijke zuilen probeerde te overtuigen van de redelijkheid van haar streven tot integratie van homoseksuelen in de samenleving.

Het einde van de eerste fase van de strijd werd bereikt in 1971, toen artikel 248-bis werd afgeschaft, waarna homoseksuele handelingen sindsdien niet meer illegaal zijn. Het C.O.C. wijzigde in datzelfde jaar haar naam in het openlijke "Nederlandse Vereniging tot Integratie van Homoseksualiteit COC" en kreeg in 1973 rechtspersoonlijkheid en erkenning door de overheid. Vanaf dat jaar werden ook homo's en lesbiennes toegelaten tot het leger. Tot dan toe werden zij middels de classificatie S5 (psychisch instabiel) steevast ongeschikt verklaard voor de militaire dienst.[2]

In Duitsland werd paragraaf 175 afgeschaft in 1969, alleen seksuele contacten tussen volwassenen en jonge mannen onder de 21 jaar (in 1973 verlaagd tot 18 jaar) bleven strafbaar tot 1994. In Engeland werden homoseksuele handelingen tussen volwassen mannen boven de 21 jaar wettelijk toegestaan in 1967. Deze leeftijd werd in 1994 verlaagd tot 18 jaar en in 2000 tot 16 jaar, dezelfde leeftijd als voor heteroseksuele contacten. In de Verenigde Staten werd de strafbaarheid van homoseksualiteit per staat geregeld en als eerste schafte Illinois deze af in 1962. Tot en met 2002 volgden nog 35 andere staten, waarna in 2003 voor de overige 14 staten de strafbaarheid door het Hooggerechtshof ongeldig werd verklaard in de zaak van Lawrence vs Texas.

De homo-emancipatie leidde er in combinatie met de seksuele revolutie ook toe dat in 1973 homoseksualiteit als psychische stoornis werd geschrapt uit het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, kortweg DSM, het Amerikaanse handboek voor psychische aandoeningen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schrapte op 17 mei 1990 homoseksualiteit officieel van de internationaal gehanteerde lijst van ziekten, de International Classification of Diseases. Die laatste datum is sindsdien de Internationale Dag tegen Homofobie.

Tweede fase: Gelijke rechten[bewerken]

De tweede fase van de homo-emancipatie begon eind jaren zestig van de 20e eeuw en ging om het verkrijgen van gelijke rechten en van een eigen plaats voor homo's en lesbiennes in de samenleving. Deze strijd liep grotendeels parallel aan die van de Tweede feministische golf.

Het COC had zich tot dan toe vooral gericht op de aanpassing van homoseksuelen aan een heteroseksuele omgeving, maar er gingen steeds meer stemmen op die voor homoseksuelen een eigen plaats opeisten in de samenleving, naast de heteroseksuelen en met behoud van de eigen identiteit. Door de seksuele revolutie ontstond bovendien een levendige sekscultuur onder homo's.

In Nederland werden eind jaren zestig in bijna alle universiteitssteden studentenwerkgroepen homoseksualiteit opgericht, die zich in 1968 verenigden in de Federatie Studenten Werkgroepen Homoseksualiteit. Vanuit deze studentengroepen werd onder het motto "integratie door confrontatie" gestreefd voor maatschappelijke veranderingen om zo homoseksualiteit aanvaard te krijgen. Deze aanpak werd al snel door het COC overgenomen, waardoor deze organisatie een meer linkse koers kreeg en de rol van de studentenverenigingen grotendeels overnam. Deze laatste werden dan ook spoedig weer opgeheven.

Vanuit de studenten- en jongerenwerkgroepen ontstonden ook de zogeheten integratiefeesten. Dat waren de eerste door homoseksuelen georganiseerde feesten die, anders dan de destijds nog verborgen en voor buitenstaanders gesloten homocafés, openlijk aangekondigd werden en voor iedereen toegankelijk waren. Een voorbeeld hiervan zijn de nog altijd bestaande feesten van de stichting PANN. Gedurende de jaren zeventig vervulden deze feesten een belangrijke rol als plaats waar geëmancipeerde homo's en ruimdenkende hetero's elkaar konden ontmoeten.[3]

Vanaf begin jaren tachtig werd dit ook mogelijk in de eerste openlijke en trendy homo-uitgaansgelegenheden als lunchroom Downtown en café April en wat later danscafé Havana in de Amsterdamse Reguliersdwarsstraat. Dit vond zijn hoogtepunt in de discotheken RoXY en iT, met extravagante feesten waar in de jaren negentig homo's en hetero's uit binnen- en buitenland op af kwamen.[4] Naast hetero's voegden zich tezelfdertijd ook homo's van Surinaamse en Antilliaanse en wat later ook van Turkse en Marokkaanse afkomst bij de gevestigde gayscene in de Reguliersdwarsstraat.[5] Een andere uiting van de stille emancipatie van allochtone homo's was de opening van het eerste Arabische homocafé Habibi Ana in de Lange Leidsedwarsstraat, dat in 2001 ook meevoer in de Canal Parade van de Amsterdam Gay Pride.

De Stonewall Inn in New York. Foto uit 1969

Ondertussen hadden in de Verenigde Staten de Stonewall-rellen plaatsgevonden, die ook internationaal het startsein voor een meer radicale homo-emancipatie werden. Op 28 juni 1969 was de politie de homobar Stonewall Inn in Christopher Street in New York binnengevallen, waarna vanuit de homogemeenschap voor het eerst heftig weerstand geboden werd. Deze rellen leidden tot de georganiseerde strijd voor de rechten voor homo's en lesbiennes, die onder meer tot uiting kwam in de eerste Gay Pride Parade, die op 28 juni 1970 in New York werd gehouden. Naar dat voorbeeld ging men ook in andere landen zulke parades organiseren. In Nederland kreeg dit aanvankelijk nog geen navolging omdat het COC destijds vond dat homo's en lesbiennes gewone mensen waren, die hun seksuele gevoelens niet middels een demonstratie hoefden te uiten.

In de loop van de jaren zeventig werd ook deze koers niet radicaal genoeg gevonden en ontstonden organisaties die de nadruk legden op het ontwikkelen van een eigen "potten- en flikkeridentiteit". Dit waren onder meer de radicaal-lesbische en flikkergroepen, zoals de Lesbische Beweging, de Rooie Flikkers in Nijmegen en Amsterdam, de Roze Driehoek in Eindhoven en het Flikkerfront in Amsterdam. In totaal waren er begin jaren tachtig ca. 30 van zulke homo- en lesbische groepen actief.

Deze groepen kozen er o.a. voor om zichzelf met de vroegere scheldwoorden potten en flikkers aan te duiden, in plaats van de in de jaren veertig door het COC ingevoerde beschaafde term homofiel. Er kwamen ook allerlei activiteiten om bestaande patronen en vooroordelen te doorbreken. Zo vond in 1977 in Nederland voor het eerst een demonstratieve Gay Pride Parade plaats, die sinds 1979 Roze Zaterdag heet.

In Vlaanderen deed zich een ontwikkeling voor die grotendeels parallel liep aan die in Nederland. Zo ontstonden daar in 1969 eveneens enkele homogroepen onder studenten, bijvoorbeeld de Leuvense Studentenwerkgroep Homofilie en de Gentse Studentenwerkgroep Homofilie. Midden jaren 70 werd de Aktiegroep Homofiele Jongeren (AHJ) opgericht, waar jongeren al vanaf 16 jaar welkom waren. In de jaren 80 kwamen er organisaties voor en door homojongeren, waarbij vooral in de grote steden zoals Antwerpen, Leuven en Gent, jongeren zelf een homojongerengroep begonnen. De oudste nog bestaande holebi-jongerengroep is Verkeerd Geparkeerd in Gent, die is opgericht in oktober 1987. Uit een samenwerking tussen leden van verschillende 'coming-out'-groepen kwam de allereerste holebi-jongerentrefdag voort, die op 11 juli 1994 in Blankenberge werd gehouden. Deze samenwerking leidde niet veel later tot de jongerenorganisatie Weljongniethetero.[6]

De emancipatiestrijd van homoseksuelen en andere gemarginaliseerde groepen werd ook onderzocht in het werk van de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984), die zelf ook homoseksueel was en als eerste prominente Fransman aan aids overleed.

In de jaren tachtig betekende aids een terugslag voor de homo-emancipatie. Onderling leidde het tot een grotere solidariteit, maar voor de buitenwereld bevestigde deze nog onbekende en dodelijke ziekte de vooroordelen tegen homoseksuelen. Een mijlpaal in deze jaren was de onthulling van het allereerste Homomonument ter wereld op de Westermarkt in Amsterdam in 1987.

Homohuwelijk en geregistreerd partnerschap in Europa

██ Homohuwelijk erkend

██ Geregistreerd partnerschap

██ Ongeregistreerde samenwoning

██ In overweging

██ Niet erkend of verboden

██ Homohuwelijk verboden

In 1993 kwam na een lange strijd de Algemene Wet Gelijke Behandeling tot stand, waarmee diverse vormen van discriminatie van homoseksuelen juridisch strafbaar werden.

Als sluitstuk van deze fase wordt wel de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor paren van gelijk geslacht gezien, wat men doorgaans aanduidt als het homohuwelijk. Dit gebeurde voor het eerst in Nederland in 2001. Daarna volgden België (2003), Spanje (2005), Canada (2005), Zuid-Afrika (2006), Noorwegen (2009), Zweden (2009), Portugal (2010), IJsland (2010), Argentinië (2010), Denemarken (2012), in 2013 gevolgd door Nieuw-Zeeland, Uruguay, Frankrijk en Brazilië. Daarnaast is een huwelijk tussen twee mensen van gelijk geslacht mogelijk in 8 staten van de Verenigde Staten. In landen waar nog geen homohuwelijk bestaat wordt soms wel al voorzien in een geregistreerd partnerschap.

Na de realisatie van het homohuwelijk bleef in Nederland het gedogen van de zogeheten weigerambtenaar een doorn in het oog van de homobeweging. Daarnaast wordt zowel in Nederland als in andere landen nog gestreden voor gelijke rechten bij het afstammings- en adoptierecht.

Derde fase: Sociale acceptatie[bewerken]

Als een derde fase wordt gezien het realiseren van sociale acceptatie van homoseksualiteit. Nadat in landen als Nederland en België de juridische gelijkstelling van homoseksuelen grotendeels voltooid is, is een volgende stap het voorkomen van discriminatie van homo's, lesbiennes, biseksuelen en transgenders in het sociale leven.

Deze derde fase in de homo-emancipatie kreeg extra noodzaak doordat de sociale acceptatie onverwacht terug leek te lopen. Zo bestempelde in 2001 de Rotterdamse imam El Moumni homoseksualiteit als een ziekte die schadelijk is voor de maatschappij. In de jaren daarna leek steeds vaker sprake van homofobie en een toename van geweld en intolerantie jegens homo's en lesbiennes.

Pim Fortuyn in 2002

Met name voor Amsterdam wordt dat vaak toegeschreven aan jongeren van Marokkaanse komaf of met een islamitische geloofsovertuiging, maar uit onderzoek is gebleken dat de oorzaak niet of nauwelijks bij de islam ligt, maar vooral bij de macho- en straatcultuur, zowel onder autochtone als onder allochtone jongeren.[7]

Desondanks kwam intolerantie en homovijandigheid vanuit de islam in 2002 wel hoog op de politieke agenda door het optreden van de politicus Pim Fortuyn. Deze koketteerde graag met zijn homoseksualiteit, maar had verder geen concrete homo-emancipatiepunten in het programma van zijn partij LPF staan. Ook na de moord op Fortuyn bleef de islam door velen als een probleem voor de homo-emancipatie gezien worden.

Na een periode van herbezinning ging vanaf 2005 ook het COC weer een grotere rol spelen. Voorzitter Frank van Dalen lanceerde in januari 2006 de derde fase van de emancipatiestrijd als nieuwe visie van de homobeweging. Deze missie werd door onderwijsminister Plasterk, tevens verantwoordelijk voor homobeleid, in het najaar van 2007 als kabinetsbeleid omarmd. Zichtbaarheid van homoseksualiteit is hierbij de belangrijkste strategie, aldus Frank van Dalen: "Dat wat zichtbaar is, kun je niet negeren. Daar moet je wat mee".[8]

Als belangrijkste methode om sociale acceptatie te realiseren werd voorlichting over homoseksualiteit op scholen gekozen. Het COC werkte hiertoe sinds 2001 samen met uiteenlopende organisaties als EduDivers, Forum, het APS, de Rutgers Nisso Groep en theatergroep AanZ, maar in 2006 koos COC Nederland voor een nieuwe koers en concentreerde zich in het vervolg op eigen projecten zoals Jong & Out en Gay-Straight Alliances (GSA) op scholen.[9] Daarnaast voerde het COC een lobby bij de rijksoverheid om voorlichting over homoseksualiteit op scholen verplicht te stellen. Dit leidde er toe dat de regering in 2012 besloot om aan de kerndoelen voor het onderwijs toe te voegen dat aandacht dient te worden besteed aan "seksualiteit en seksuele diversiteit".[10]

De ministers Ronald Plasterk, Marja van Bijsterveldt en Bert Koenders (1e, 2e resp. 5e van links) met Thomas von der Dunk en Henk Krol (3e en 4e van links) als deelnemers aan de Canal Parade van 2008

COC-voorzitter Frank van Dalen werd in 2007 ook het boegbeeld van de stichting ProGay, die een jaar eerder de organisatie van de jaarlijkse Amsterdam Gay Pride toegewezen had gekregen. Onder de nieuwe leiding werd dit evenement niet alleen commerciëler, maar kreeg het ook een meer politieke inhoud en werd daarmee een pendant van de Roze Zaterdag. Met de Canal Parade in augustus 2008 voeren voor de eerste keer de burgemeester van Amsterdam en drie ministers mee.

In maart van dat jaar had de homo-emancipatie al steun van tot op het hoogste niveau gekregen toen, in de persoon van prinses Máxima, voor het eerst een lid van het koninklijk huis aanwezig was bij een homogerelateerde bijeenkomst, te weten de ondertekening van de zgn. koploperovereenkomst. Daarbij verplichten de vier grootste steden zich om discriminatie, intimidatie en geweld tegen homoseksuelen krachtig te bestrijden en homoseksualiteit bespreekbaar te maken.[11] De betrokkenheid van de rijksoverheid bleek tenslotte nog uit de Jos Brink-prijs, die in 2008 werd ingesteld als een tweejaarlijkse regeringsprijs die wordt uitgereikt aan een persoon of organisatie die een fundamentele bijdrage heeft geleverd aan de verbetering van de positie van homoseksuelen. Tenslotte riep minister Ronald Plasterk in 2009 11 oktober uit tot de nationale Coming-Outdag.

Meer zichtbaarheid van homoseksualiteit werd ook bereikt door de oprichting van LGBT-groepen bij diverse grote organisaties. Zo werden vanaf 2006 bij een reeks multinationals LGBT-netwerken opgericht, die zich in 2008 verenigden in het Company Pride Platform (CPP), dat met ingang van 2012 werd omgedoopt tot Workplace Pride.[12] Aan universiteiten werden vanaf 2008, voor het eerst sinds eind jaren zestig, weer studentenverenigingen voor lesbische, homo- en biseksuele en transgender studenten opgericht: ASV Gay en Gryphus in Amsterdam, Ganymedes in Groningen, UHSV Anteros in Utrecht en Vitruvian in Tilburg. In Vlaanderen was al in 2003 de holebi-studentenverenging Acantha opgericht, in 2005 gevolgd door De Flamingo's in Antwerpen.

Daarnaast ontstonden ook enkele groepjes en initiatieven die onder de noemer Queer een alternatief willen bieden voor de in hun ogen nog altijd overheersende heteronormativiteit in de samenleving. Het doorbreken van stereotiepe rolpatronen en het verbinden van publieke en private aspecten van (homo)seksualiteit is ook het doel van het concept van seksueel burgerschap, dat sinds medio jaren negentig vooral in Engeland ontwikkeld is.[13]

Literatuur[bewerken]

  • Hans Hafkamp & Maurice van Lieshout: Pijlen van naamloze liefde. Pioniers van de homo-emancipatie, Amsterdam, SUA, 1988.
  • Pieter Koenders, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie. Bestrijding van zedeloosheid, met de nadruk op repressie van homoseksualiteit, Amsterdam, IISG, 1996.
  • Gert Hekma: Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd, Amsterdam, Meulenhoff, 2004.
  • Thijs Bartels & Jos Versteegen (red.): Homo-encyclopedie van Nederland, Amsterdam, Anthos, 2005.
  • Gert Hekma & Theo van der Meer (red.), Bewaar me voor de waanzin van het recht. Geschiedenis van 100 jaar homoseksualiteit en strafrecht in Nederland, Diemen, AMB, 2011.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Gert Hekma, "Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd", Amsterdam 2004, p. 48.
  2. Gert Hekma: Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd, Amsterdam 2004, p. 116.
  3. Rob Tielman, "Homoseksualiteit in Nederland", Meppel 1982, p. 217
  4. Patrick Meershoek, "Alle dagen feest", in PS van de Week, 25 juli 2009, p. 8-15.
  5. Merijn Henfling, "Kleur in de gay scene", in PS van de Week, 25 juli 2009, p. 34-37.
  6. Weljongniethetero.be - Geschiedenis WJNH
  7. Hierover: Laurens Buijs, Jan Willem Duyvendak, Gert Hekma, "Als ze maar van me afblijven - Een onderzoek naar antihomoseksueel geweld in Amsterdam", Amsterdam 2008
  8. Frankvandalen.nl: Derde fase homo-emancipatiestrijd gelanceerd
  9. EduDivers.nl: historisch overzicht beleidsontwikkelingen
  10. Homovoorlichting op school vanaf december verplicht (28-9-2012)
  11. refdag.nl: Steun Máxima voor acceptatie homo’s (27-2-2008)
  12. Workplacepride.org: History and Organization
  13. Gert Hekma: "Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd", Amsterdam, Meulenhoff, 2004, p. 203 e.v.; GLBTQ.com: Sexual Citizenship