Homogeniteit (natuurkunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de natuurkunde verwijst homogeniteit naar de eigenschap waarbij een stof een vaste, consistente samenstelling bezit, met uniforme eigenschappen. Deeltjes zijn zo veel mogelijk verspreid en gelijkmatig gemengd. Elke steekproef uit het materiaal zal dezelfde samenstelling hebben en dezelfde eigenschappen. Voorbeelden zijn oplossingen en legeringen (maar niet allemaal).

Een homogeen mengsel is een uniform mengsel van stoffen met dezelfde fase. Voorbeelden zijn benzine en margarine.

Homogeniteit kan in de natuurkunde ook meer algemeen gebruikt worden: dat geen enkele eigenschap of natuurwet afhankelijk mag zijn van de absolute plaats in de ruimte waar hij gemeten wordt. Natuurwetten zouden erg onbruikbaar worden als ze andere uitkomsten zouden hebben, puur op basis van de plaats in de ruimte. Dit principe wordt ook wel translatiesymmetrie genoemd.

Zie ook[bewerken]