Hondsdolheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Hondsdolheid
Een tegen hondsdolheid gevaccineerde hond draagt een penning die om de 3 jaar moet vervangen worden (Nobivac Rabies is 3 jaar geldig)
Een tegen hondsdolheid gevaccineerde hond draagt een penning die om de 3 jaar moet vervangen worden (Nobivac Rabies is 3 jaar geldig)
Rabies
ICD-10 A82
ICD-9 071
DiseasesDB 11148
MedlinePlus 001334
eMedicine med/1374emerg/493 ped/1974
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Hondsdolheid of rabiës, ook wel lyssa, is een ernstige aandoening als gevolg van een infectie met het rabiësvirus, meestal door een beet van een door rabiës besmet dier (onder andere honden, vossen, vleermuizen). Hondsdolheid is uiterst gevaarlijk voor mensen en leidt onbehandeld tot de dood.

Algemeen[bewerken]

Hondsdolheid is een virusinfectie van de hersenen die als ze eenmaal is uitgebroken, dat wil zeggen als de patiënt eenmaal symptomen van infectie vertoont, vrijwel altijd dodelijk afloopt[1]. Er zijn wereldwijd in de medische literatuur slechts 6 mensen waarbij genezing optrad. Een geval in 2005 gaf hoop op een nieuwe behandelmethode[2], maar het resultaat kon door anderen niet worden gereproduceerd[3]. Het virus wordt verspreid door het speeksel van besmette zoogdieren, meestal (maar niet altijd) carnivoren (onder andere honden, vossen, katten, apen en vleermuizen). In de VS wordt de ziekte ook wel overgebracht door beten van wasberen. Met rabiës besmette dieren zijn niet altijd te herkennen, sommige dieren dragen het virus bij zich zonder er zichtbaar last van te hebben. Verdacht is het als een dier agressief en onrustig is, of als een dier dat normaal in het wild leeft zoals een vos abnormaal tam is. In Nederland is in 2007 en 2013 één geval van menselijke hondsdolheid geregistreerd; wereldwijd vergt hondsdolheid nog 40.000-70.000 doden per jaar, voor 80% in Azië (onder andere India) en Afrika. Ca 10 miljoen mensen worden per jaar wereldwijd na een beet profylactisch behandeld. De ziekte was al aan de oude Grieken als een aparte entiteit bekend.

Verwekker[bewerken]

Foto gemaakt middels TEM met talrijke rabiesvirionen (kleine, donkergrijze, staafvormige deeltjes) en Negri-lichaampjes (de grotere pathognomonische cellulaire insluitsels van rabiesvirus)

Het rabies virus is het typesoort van het genus Lyssavirus, in de familie Rhabdoviridae, orde Mononegavirales. Lyssavirussen hebben een helixvormige symmetrische structuur, met een lengte van ongeveer 180 nm en een doorsnede van ongeveer 75 nm.[4] Deze virussen hebben een envelop en zijn RNA virussen met een genoom van enkelstrengs RNA in negatieve (omgekeerde) richting (sense). Het genetische materiaal is verpakt als ribonucleoproteïnecomplex waarin RNA stevig is gebonden door het virale nucleoproteïne. Het RNA-genoom van het virus bevat vijf genen waarvan de volgorde zeer geconserveerd is: nucleoproteïne (N), fosfoproteïne (P), matrixproteïne (M), glycoproteïne (G) en het virale RNA-polymerase (L).[5]

Wanneer het virus zich in een spier- of zenuwcel bevindt, begint het virus zich te vermenigvuldigen. De uitstekende trimeren aan de buitenkant van het membraan van het virus binden aan een specifieke celreceptor, meest waarschijnlijk de acetylcholinereceptor. De cellulaIre membraan stulpt in, en proces dat pinocytose heet waardoor het virus de cel kan binnendringen in een endosoom. Het virus gebruikt dan het zure milieu van het endosoom en bindt dan aan de endosoom-membraan, waardoor bovengenoemde vijf virale eiwitten en enkelstrengs-RNA in het cytoplasma van de cel komen.[6]

Het L-proteïne maakt dan een afschrift in de vorm van vijf messenger-RNA-strengen (mRNA) en een positieve RNA-streng van de hele oorspronkelijke negatieve RNA-streng. Dit enzym maakt daarbij gebruik van vrije nucleotides in het cytoplasma. Van deze vijf mRNA-strengen wordt dan middels translatie omgezet in de bijbehorende eiwitten (P-, L-, N-, G- en M-proteïnes) in vrije ribosomen in het cytoplasma. Sommige eiwitten hebben nog post-translationale veranderingen nodig. Zo gaat het G-proteïne door het ruwe endoplasmatisch reticulum, waar het verdere gevouwen wordt, waarna het wordt getransporteerd naar het Golgi-apparaat waar er nog een suikergroep wordt aangehangen (glycosylering).[6]

Als er genoeg eiwitten zijn gemaakt, gaat her viral polymerase nieuwe negatieve RNA-strengen maken waarbij de positieve RNA-streng als mal dient. Deze negatieve strengen vormen daarna complexes met de N-, P-, L- en M-proteïnes en gaan daarna naar de binnenste membraan van de cel, waar een G-proteïne zich heeft ingenesteld. Het G-proteïne draait daarna om het N-P-L-M-proteïnecomplex waarbij het wat het de membraan van de gastheercel mee neemt, die vervolgens de envelop van het nieuwe virusdeeltje gaat vormen. Het nieuw ontstane virusdeeltje ontknopt dan uit de cel.[6]

Het virus is neurotroop (het richt zich op het zenuwweefsel): vanaf de plaats waar het virus het lichaam binnendringt, klimt het virus langs de zenuwbanen naar het centraal zenuwstelsel, en daarna naar andere organen.[7] De speekselklieren bevatten hoge concentraties van het virus, wat verdere overdracht via speeksel en/of een bijtwond mogelijk maakt.

Verloop[bewerken]

Aangetast weefsel

Er is na de besmetting een incubatietijd waarvan de lengte vooral afhangt van de plaats waar men gebeten wordt: hoe verder van de hersenen, hoe langer de incubatietijd. Beten in het gezicht hebben de kortste incubatietijd. In deze tijd reist het virus langs de zenuwbanen omhoog naar het centraal zenuwstelsel. De incubatietijd kan van 2 weken tot vele maanden bedragen; 2 jaar is beschreven.

Deze tijd kan worden benut om het slachtoffer alsnog te beschermen door passieve en actieve immunisatie: er worden immunoglobulinen en rabiësvaccin toegediend in een aantal sessies. Hiermee lukt het vrijwel altijd om het uitbreken van de ziekte te voorkomen. Vooral vroegere vaccins hadden ernstige potentiële bijwerkingen, reden om ze niet te gretig uit te delen aan mensen met een zeer laag risico. Als men eenmaal gebeten is wordt vrijwel ieder risico van een vaccin natuurlijk geaccepteerd gezien de onvermijdelijk fatale afloop van de ziekte.

Symptomen[bewerken]

Wordt er niet gevaccineerd, dan kan het slachtoffer na verloop van tijd ziek worden. De symptomen kunnen nogal wisselen, meestal begint het met aspecifieke symptomen: lichte koorts, algehele malaise, hoofdpijn en verminderde eetlust, zere keel en misselijkheid komen veel voor, gevolgd door prikkelbaarheid, verhoogde spierspanning en overgevoeligheid voor fel licht en harde geluiden.

De belangrijkste diagnostische symptomen zijn echter abnormale gevoelens in het gebeten lichaamsdeel. Een gevoel van pijn, koude, jeuk of tintelen treedt bij 80% van de patiënten op. Langzaam treedt er een verhoogde prikkelbaarheid op, soms met spierkrampen. Het zien van water en pogingen te drinken kan krampen uitlokken van de slikspieren en de ademhalingsspieren die zo onaangenaam zijn dat de patiënt angst krijgt voor water (een oude Engelse naam voor rabiës is hydrophobia, watervrees). Soms overlijdt de patiënt al tijdens zo'n krampaanval. Door het verlammen van de kaakspieren zal het slachtoffer gaan kwijlen. Menselijke slachtoffers zijn in theorie besmettelijk (als ze anderen zouden bijten) maar besmetting van artsen of verplegend personeel komt eigenlijk in de praktijk niet voor. Ook kan men in theorie door een kus besmet raken.

Hierna ontstaan verlammingsverschijnselen en uiteindelijk coma en overlijden. Er zijn wereldwijd maar enkele gevallen beschreven van mensen die rabiës hebben overleefd.

Preventie bij mensen[bewerken]

  • Als je naar een gebied gaat waar hondsdolheid voorkomt, dan kun je je laten inenten. Dit wordt alleen aanbevolen bij langdurig verblijf. (> 3 maanden)
  • In bijna alle gevallen is de besmettingsweg een beet. Voorkom contact met potentiële dragers (ook honden) omdat een beet, en in (zeer) zeldzame gevallen ook een krab of een lik, je besmetten kan.
  • In het buitenland nooit loslopende honden aaien.
  • Ook in Nederland en België: geen vleermuizen hanteren zonder handschoenen als je ze ergens vindt. Geen vossen proberen te aaien die onverwachts tam lijken.
  • Word je gebeten door een mogelijk hondsdol dier, dan is het zeer gewenst dat dit dier wordt gevangen en in quarantaine wordt geplaatst om te kijken of het rabiës heeft. Er is wat tijd om te kijken of vaccinatie nodig is. Is het dier besmet, of is de mogelijkheid aanwezig maar is zekerheid niet te verkrijgen omdat het dier niet is gevangen, dan zal er preventief moeten worden geënt. Naast vaccinaties is het tegenwoordig ook mogelijk antistoffen te geven. Deze zijn niet in alle landen voorradig en ook de kwaliteit van het vaccin is niet altijd even goed - de oudere niet-recombinant vaccins hadden daarnaast ernstige potentiële bijwerkingen.

Nederland[bewerken]

In Nederland zijn in de 22 jaar tussen 1988 en 2010 twee gevallen van fatale rabiës gemeld; in beide gevallen betrof het mensen die in Afrika waren gebeten door respectievelijk een hond en een vleermuis. Bij beiden was te laat met de behandeling begonnen[8]. Op 26 juni 2013 werd bekend dat een 52-jarige man rabiës had opgelopen na een beet in zijn arm in mei in Haïti.[9] De laatste gevallen van rabiësoverdracht door dieren naar mensen in Nederland dateren van 1962. De laatste rabiësuitbraak onder dieren dateert uit 1988. Deze uitbraak werd bestreden met een grote orale vaccinatiecampagne onder vossen (lokazen met vaccin). Sindsdien heeft er in Nederland geen overdracht van het klassieke rabiësvirus onder dieren meer plaatsgevonden[8]. Vleermuizen kunnen, ook in Nederland, wel besmet zijn.

In februari 2012 is er een hond in Nederland aangetroffen met hondsdolheid. Het ging om een hond van 8,5 weken uit Marokko. 50 mensen werden door de gemeentelijke gezondheidsdienst benaderd, waarvan een deel werd gevaccineerd. De hond heeft men laten inslapen. Dit is het eerste geval sinds 1991[10].

In oktober 2013 zijn er in Rotterdam en Zaandam twee honden uit Bulgarije geëuthanaseerd. Na een herhaling van de test is er geen rabiës vastgesteld.[11] Hierna werden door België en Noorwegen de grenzen voor puppy's uit Nederland weer opengesteld.[12]

België[bewerken]

België wordt sinds 29 oktober 2008 door de Wereldorganisatie voor diergezondheid Rabiësvrij beschouwd.[13]

Verenigd Koninkrijk[bewerken]

Tot 2001 werden zoogdieren van buiten niet binnengelaten, tenzij ze eerst 9 maanden in quarantaine werden gehouden, wat voor vrijwel iedereen te lang was om dit een praktische optie te maken. Sinds dat jaar kunnen honden echter het land in mits ze:

  • minder dan 7 maanden geleden ingeënt zijn,
  • gecontroleerd zijn op het gevormd hebben van antistoffen,
  • recent zijn behandeld tegen wormen en teken,
  • voorzien zijn van een door een dierenarts getekend certificaat. Deze verklaring moet (ook) vermeld zijn in het hondenpaspoort, en
  • eenduidig kunnen worden geïdentificeerd

In 1996 werd voor het eerst bij een Britse vleermuis het vleermuizen-hondsdolheidvirus EBLV-2 gevonden[14] en in 2002 overleed een vleermuisliefhebber aan hondsdolheid na een beet[15], het eerste Britse inheemse geval van hondsdolheid sinds bijna een eeuw.

Bestrijding[bewerken]

Al sinds de middeleeuwen wordt hondenbelasting geheven. Het werd ingevoerd om de overlast van honden en de verspreiding van hondsdolheid tegen te gaan.

In continentaal West-Europa komt de ziekte vrijwel uitsluitend voor onder vossen. Vleermuizen zijn wel eens besmet maar vormen geen belangrijke besmettingsbron. De ziekte die onder vleermuizen circuleert is niet dezelfde vorm als die onder vossen. In Nederland en België komt hondsdolheid bij mensen al tientallen jaren niet meer voor, hoewel af en toe vossen vanuit Duitsland de besmetting over de grens brengen, in Nederland voor het laatst in Limburg eind jaren zestig. De ziekte is ook onder vossen op zich uitstekend preventief te bestrijden[16]. Hondsdolheid kwam tot 1966 niet voor in België. In 1989 begon in België een nationaal programma waarbij 15 tot 20 lokazen per km² werden uitgeworpen vanuit een helikopter. Deze lokazen waren voorzien van een gemodificeerde rabiësvirusstam die de dieren immuun maakte voor de ziekte. Deze campagne werd herhaald, waardoor de ziekte in 1994 niet meer voorkwam onder vossen.

Wanneer de vos niet bejaagd wordt, dan komen er minder vossen binnen vanuit de omringende gebieden. Dit is een effectieve methode om nieuwe gevallen te voorkomen.

Referenties[bewerken]

  1. Hemachudha T, Wacharapluesadee S, Laothamatas J, Wilde H. Rabies. Curr Neurol Neurosci Rep. 2006 Nov;6(6):460-8.
  2. Willoughby RE Jr, et al., Survival after treatment of rabies with induction of coma. N Engl J Med. 2005 Jun 16;352(24):2508-14.
  3. Hemachudha T, et al., Failure of therapeutic coma and ketamine for therapy of human rabies. J Neurovirol. 2006 Oct;12(5):407-9.
  4. Drew WL, Sherris Medical Microbiology, 4th, McGraw Hill, 2004, “Chapter 41: Rabies”, p. 597–600 ISBN 0-8385-8529-9.
  5. Finke S, Conzelmann KK (augustus 2005). Replication strategies of rabies virus. Virus Res. 111 (2): 120–31 . PMID:15885837. DOI:10.1016/j.virusres.2005.04.004.
  6. a b c Rabies Post-Exposure Prophylaxis. Centers for Disease Control and Prevention (CDC) (2009-12-23) Geraadpleegd op 2010-01-30
  7. Cotran RS, Robbins and Cotran Pathologic Basis of Disease, 7th, Elsevier/Saunders, St. Louis, 2005, p. 1375 ISBN 0-7216-0187-1.
  8. a b D.J.M.A.Beaujean et al. Mogelijke blootstelling aan rabiës in de anamnese: rabiësadvisering in Nederland. Ned Tijdschr Gen 2008;152;1 maart, pp. 473 e.v.
  9. http://nos.nl/artikel/522619-nederlander-52-met-hondsdolheid.html
  10. http://www.vwa.nl/actueel/nieuws/nieuwsbericht/2020781/hond-met-hondsdolheid-aangetoond-in-amsterdam, Geraadpleegd op 6 januari 2013.
  11. http://www.licg.nl/56n/nieuws/toch-geen-rabis-bij-pups-uit-bulgarije.html
  12. http://www.licg.nl/57j/nieuws/pups-naar-belgi-weer-toegelaten.html
  13. persbericht favv
  14. Whitby JE, Heaton PR, Black EM, Wooldridge M, McElhinney LM, Johnstone P. First isolation of a rabies-related virus from a Daubenton's bat in the United Kingdom. Vet Rec. 2000 Sep 30;147(14):385-8.
  15. Fooks AR et al.,Case report: isolation of a European bat lyssavirus type 2a from a fatal human case of rabies encephalitis. J Med Virol. 2003 Oct;71(2):281-9.
  16. Rupprecht CE, Hanlon CA, Slate D. Oral vaccination of wildlife against rabies: opportunities and challenges in prevention and control. Dev Biol (Basel). 2004;119:173-84.