Hongerwinter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hongerwinter
Twee deelnemers aan de hongertochten tijdens de hongerwinter
Twee deelnemers aan de hongertochten tijdens de hongerwinter
Plaats West-Nederland
Datum november 1944 - april 1945
Ramptype hongersnood
Doden 20.000
Gewonden 200.000
Kinderen roven houtblokjes van tussen de tramrails

De Hongerwinter van 1944 tot 1945 was een strenge winter in Nederland met een grote schaarste aan voedsel en brandstof aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Twintigduizend Nederlanders kwamen om door honger en kou.

Oorzaken van de schaarste[bewerken]

De oorzaak van de schaarste was een represaille door de Duitse bezetter, naar aanleiding van de Algemene Spoorwegstaking die na 17 september 1944 door de Nederlandse regering in Londen was afgekondigd. De Duitse bezettingsmacht blokkeerde daarop alle voedseltransporten naar het westen van Nederland. De blokkade duurde zes weken en veroorzaakte in West-Nederland een hongerramp van catastrofale omvang.

De staking viel samen met de grootste geallieerde luchtlandingsoperatie uit de geschiedenis nabij Arnhem: Operatie Market Garden waarbij het zuiden van Nederland werd bevrijd. Omdat de frontlijn nu door Nederland liep - ruwweg langs de grote rivieren - kon er ook geen Limburgse steenkool naar West-Nederland worden vervoerd.

Doordat de rivieren en het IJsselmeer dichtvroren en doordat vervoer over land ook niet meer mogelijk was, werd het Westen van Nederland van alle mogelijke voedsel en hulpgoederen, brandstoffen, kleding en medicamenten afgesneden. In het zicht van de bevrijding stierven door deze blokkade in de eerste maanden van 1945 meer dan 20.000 Nederlanders de hongerdood.

Het leven in de hongerwinter[bewerken]

Doordat gas en elektriciteit niet voorhanden waren, was er geen licht, geen verwarming en geen gelegenheid tot koken. Met een knijpkat, kon eventueel worden bijgelicht, maar velen behielpen zich met een stompje kaars en gingen vroeg naar bed. Na acht uur 's avonds mocht men bovendien de straat niet meer op (spertijd).

Bij centrale gaarkeukens kon eenmaal per dag, op vertoon van een bonnenkaart, waterige stamppot of soep van aardappelschillen worden afgehaald. Dat leidde tot lange rijen wachtenden, wat in de bijtende kou niet meeviel. Als er al een beetje eten in huis was, moest dat desalniettemin gekookt of verwarmd worden. Vaak gebruikte men daarvoor een oud conservenblik met een gat onderin, een wonderkacheltje. Daarin werden takjes of houtspaandertjes verbrand.

Binnen bezet gebied was de situatie het ergst binnen de grote steden in de Randstad. De voedselschaarste was soms zo groot dat mensen zelfs honden, katten, bloembollen en suikerbieten aten. Wegens gebrek aan brandstof werden geteerde houtblokjes tussen de tramrails weggesloopt. Ook werden bomen illegaal omgezaagd. In de Amsterdamse Jodenbuurt en Nieuwmarktbuurt werd hout gesloopt uit leegstaande huizen waaruit Joden waren weggevoerd.

In de steden kon voor de doden soms slechts met grote moeite een graf worden gevonden. De grond was hard bevroren en de energie voor graafwerk en transport ontbrak. Hout voor doodskisten kon men bovendien beter gebruiken als brandstof. In Amsterdam werden de lijken in de leegstaande Zuiderkerk opgeslagen.

Kinderuitzendingen[bewerken]

De scholen waren nog wel open, maar langzamerhand werden de klassen kleiner, omdat veel kinderen thuis bleven of ziek werden. Ongeveer 50.000 ondervoede kinderen zijn vanuit West-Nederland geevacueerd door het hiervoor in december 1944 opgerichte Interkerkelijk Bureau voor Noodvoedselvoorziening en Kinderuitzending[1]. Ze werden via binnenschepen ondergebracht bij gastgezinnen in het oosten en noorden van Nederland. Op de terugweg namen de schepen voedsel mee. Vlak na de bevrijding werden veel ondervoede kinderen door pleegouders in onder meer Engeland, Denemarken en Zweden een paar maanden opgevangen om weer aan te sterken (zie bleekneusjes).

Hongertochten[bewerken]

Veel mensen, met name vrouwen, fietsten of liepen naar het oosten of noorden van het land om daar aan eten te komen, met het beetje geld dat ze hadden of om bezittingen (textiel, zilveren bestek, gouden sieraden) te ruilen voor voedsel. Dergelijke tochten werden hongertochten genoemd. Veel boeren gaven onderdak aan mensen die over straat trokken. Die mensen worden hongertrekkers genoemd. Sommige boeren maakten misbruik van de situatie en verrijkten zich.

Buitenlandse hulp[bewerken]

In februari 1945 werd Zweeds wittebrood uitgedeeld, dat door het internationale Rode Kruis geregeld was. Dit brood werd in Nederland gebakken, het meel kwam met speciale transporten per schip uit Zweden. Vanaf april begonnen met geallieerde vliegtuigen droppings van voedselpakketten onder operatie Manna. Op 30 april werd tussen de geallieerden en de bezettende Duitse autoriteiten het Akkoord van Achterveld afgesloten om uitgebreide voedselhulp voor verhongerend westelijk Nederland toe te staan. Dit vormde de aanloop tot de capitulatie-onderhandelingen met de Duitsers.

Kritiek[bewerken]

In het autobiografisch werk "De Hunnen" levert de schrijver Jan Cremer felle kritiek op de regering in Londen, die in 1944 opriep tot de Spoorwegstaking. Deze staking heeft volgens Cremer in feite de Hongerwinter veroorzaakt, doordat door die staking voedsel vanuit de noordelijke delen van het land (o.a. aardappelen uit Groningen) niet naar de grote steden in het hongerende westen van het land vervoerd kón worden.

Zie ook[bewerken]

De Hongerwinter is venster nummer 42 van de Canon van Amsterdam.


Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  1. Kinderuitzendingen in de Hongerwinter - Gemeentearchief Schiedam