Hoofd (taalkunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

In de grammatica is het hoofd (ook wel het syntactische hoofd of de syntactische kern genoemd) een vrij morfeem dat de syntactische eigenschappen van de nominale of verbale constituent waar het bij hoort bepaalt.

Indien sprake is van een samenstelling, wordt de stam van het samengestelde woord het hoofd genoemd.

Hoofd versus dependens[bewerken]

In talen met een min of meer vaste woordvolgorde staat het hoofd wanneer het dienst doet als complementeerder in de regel ofwel aan het begin van het betreffende zinsdeel (zoals in het Engels en Nederlands) ofwel aan het einde ervan (zoals in het Japans). Daarnaast worden talen met hoofdmarkering onderscheiden van talen met dependensmarkering. Deze laatste tweedeling is echter niet scherp, vaak worden bijvoorbeeld de hoofden van verschillende soorten zinsdelen anders behandeld.

Voorbeelden[bewerken]

In het zinsdeel De volle blauwe maan is maan het syntactische hoofd. Dit hoofd bepaalt dat het zinsdeel als geheel tot de klasse naamwoordgroep behoort. De bijvoeglijke naamwoorden vol en blauw doen dienst als dependenten.

In de samenstelling rugge-spraak is het tweede deel (spraak) het syntactische hoofd. Het eerste deel brengt alleen een betekenisnuance aan.

Prosodisch hoofd[bewerken]

In een prosodische eenheid wordt een "laag hoofd" onderscheiden van een "hoog hoofd". Een hoog hoofd wordt op hoge toon uitgesproken. Het begint met de eerste beklemtoonde lettergreep en loopt tot aan de lettergreep met de hoofdklemtoon. Deze laatste lettergreep wordt minder hoog uitgesproken dan het hoge hoofd:

  • Het ↑busje komt | zo (hoofdklemtoon).

Deze zin kan echter ook met een andere intonatie worden uitgesproken:

  • Het ↓busje komt | zo (hoofdklemtoon).

In deze laatste zin is sprake van een "laag hoofd". De lettergreep met de hoofdklemtoon (zo) wordt op hogere toon gearticuleerd dan de eerste beklemtoonde lettergreep die tevens het hoofd vormt.

Zie ook[bewerken]