Officier van justitie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Hoofdofficier van justitie)
Ga naar: navigatie, zoeken

Een officier van justitie (afk. OvJ) is in Nederland een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie (OM), vergelijkbaar met de procureur des Konings in België. Het Openbaar Ministerie is de organisatie die verantwoordelijk is voor het opsporen en vervolgen van strafbare feiten. Nederland heeft ruim 800 officieren van justitie, volgens de voormalig voorzitter van het College van procureurs-generaal, Harm Brouwer op 22 november 2009 in het programma Buitenhof.

De belangrijkste rollen van de officier van justitie zijn:

  • het gezag voeren over onderzoeken van de politie
  • bij zware misdrijven direct leiding geven aan onderzoeken van de politie
  • optreden als openbare aanklager in een rechtszaak (zie Strafrecht)
  • tijdens een rechtszaak een bepaalde straf eisen, die niet altijd door de rechter wordt opgelegd

Zowel de politie als de officier van justitie kan dwangmiddelen toepassen. Bekende dwangmiddelen zijn bijvoorbeeld iemand fouilleren of vasthouden op het politiebureau.

De officier van justitie bepaalt of hij een zaak aan de rechter wil voorleggen of niet (opportuniteitsbeginsel). Als de officier beslist om geen vervolging in te stellen, kan iemand met een rechtstreeks belang bij de zaak (vaak is dit het slachtoffer) een gerechtelijke procedure aanspannen om alsnog vervolging af te dwingen, de zogenaamde artikel 12-procedure.

De officier moet er ook voor zorgen dat uitspraken van de strafrechter worden uitgevoerd. Hij stuurt bijvoorbeeld de politie op pad om mensen die nog een celstraf moeten uitzitten, op te halen als zij niet komen opdagen.

De officier van justitie behoort zich aan strenge regels in de wet houden. De rechter behoort te controleren of de regels wel goed worden toegepast.

De taak van officier van justitie wordt op het niveau van het gerechtshof vervuld door een advocaat-generaal bij het ressortsparket (Artikel 9 lid 4 Wetboek van Strafvordering). Bij de Hoge Raad (de hoogste rechtsprekende instantie in Nederland) wordt de functie van officier vervuld door advocaat-generaal of procureur-generaal.

In de rechtszaal ziet de verdachte de officier van justitie in zijn rol van openbare aanklager. In zwarte toga met witte bef. De officier van justitie vertelt tijdens de zitting waarvoor iemand terecht moet staan. Vervolgens ondervraagt de rechter de verdachte over de zaak. Ook de officier krijgt de gelegenheid om vragen te stellen, net als trouwens de advocaat van de verdachte. Daarna houdt de officier van justitie zijn requisitoir: een betoog waarin hij de rechter vertelt wat hij van de zaak vindt en een straf eist. Dat kan een geldstraf zijn, een taakstraf of een celstraf. Behalve straffen kunnen ook maatregelen worden gevorderd, zoals TBS.

Als de officier van justitie in de rechtszaal het woord voert, staat hij altijd. De rechter, die recht tegenover de verdachte zit, blijft altijd zitten. Om die reden worden leden van het Openbaar Ministerie ook wel de staande magistratuur genoemd. De rechters maken deel uit van de zittende magistratuur.

Zie ook [bewerken]