Hoofdtelwoord
Een hoofdtelwoord is een woord (telwoord) dat een aantal weergeeft.
- Een, twee, vijftien, achtentachtig, honderd.
In werkelijkheid zijn er maar een beperkt aantal hoofdtelwoorden. De meeste getallen worden weergegeven door een combinatie van telwoorden. De basisgroep van hoofdtelwoorden zijn:
- een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, dertien, veertien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd, duizend, miljoen, miljard en biljoen.
Daarnaast zijn er nog enkele woorden voor bijzonder grote getallen:
- biljard, triljoen, triljard, quadriljoen, quadriljard enz.
Feitelijk zijn de telwoorden uit deze beide rijen vanaf miljoen zelfstandige naamwoorden. Er wordt namelijk meestal één voor gezet.
Woorden als: nul, geen, paar, beide, dozijn, gros worden ook tot de (bepaalde) hoofdtelwoorden gerekend, omdat ze gekoppeld worden aan het aantal van 0, 2, 12 of 144.
Inhoud |
Schrijfwijze [bewerken]
Telwoorden van 1 tot 1000 worden aan elkaar geschreven: vijftien, zevenenvijftig, negenennegentig, honderdeneen of honderdeen, honderdvijftien, negenhonderdnegenennegentig.
Veelvouden van honderd, duizend en miljoen worden aan elkaar geschreven, ook de combinaties van die woorden: vijfhonderd, achtduizend, negenhonderdduizend.
Een of één [bewerken]
Om het woord één te onderscheiden van het lidwoord een, krijgt het alleen accentstreepjes als uit het zinsverband niet kan worden opgemaakt dat het als zodanig moet worden uitgesproken.
- We nemen er nog een.
- Een en ander hoeft geen betoog.
- Een is wel genoeg.
- Er staat daar één huis.
Breuken [bewerken]
Bij breukgetallen worden rangtelwoorden gecombineerd met hoofdtelwoorden.
Onbepaalde hoofdtelwoorden [bewerken]
Onbepaalde hoofdtelwoorden zijn die waaraan niet kan worden afgelezen om welk aantal het precies gaat.
- al, alle, allemaal, enig(e), enkel(e), ettelijke, evenveel, genoeg, hoeveel, luttel, meer, meerdere, meest, menig(e), minder, minst, niemendal, sommige, tig, veel (vele), verscheiden(e), verschillende, weinig(e), voldoende, wat, weinig, zat, zoveel
| Hoofdtelwoorden |
|---|
|
nul · een · twee · drie · vier · vijf · zes · zeven · acht · negen · tien · elf · twaalf · dertien · veertien · vijftien · zestien · zeventien · achttien · negentien · twintig |
| Woordsoorten |
|---|
|
achterzetsel · bijvoeglijk naamwoord · bijwoord · eigennaam · ideofoon · lidwoord · telwoord (hoofdtelwoord · rangtelwoord · telbijwoord) · tussenwerpsel · voegwoord · voornaamwoord (aanwijzend · betrekkelijk · bezittelijk · onbepaald · persoonlijk · temporeel · uitroepend · vragend · wederkerend · wederkerig) · voorzetsel · werkwoord · zelfstandig naamwoord |