Hoofdtelwoord

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een hoofdtelwoord is een woord (telwoord) dat een aantal weergeeft.

  • Een, twee, vijftien, achtentachtig, honderd.

In werkelijkheid zijn er maar een beperkt aantal hoofdtelwoorden. De meeste getallen worden weergegeven door een combinatie van telwoorden. De basisgroep van hoofdtelwoorden zijn:

  • een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht, negen, tien, elf, twaalf, dertien, veertien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd, duizend, miljoen, miljard en biljoen.

Daarnaast zijn er nog enkele woorden voor bijzonder grote getallen:

  • biljard, triljoen, triljard, quadriljoen, quadriljard enz.

Feitelijk zijn de telwoorden uit deze beide rijen vanaf miljoen zelfstandige naamwoorden. Er wordt namelijk meestal één voor gezet.

Woorden als: nul, geen, paar, beide, dozijn, gros worden ook tot de (bepaalde) hoofdtelwoorden gerekend, omdat ze gekoppeld worden aan het aantal van 0, 2, 12 of 144.

Schrijfwijze[bewerken]

Telwoorden van 1 tot 1000 worden aan elkaar geschreven: vijftien, zevenenvijftig, negenennegentig, honderdeneen of honderdeen, honderdvijftien, negenhonderdnegenennegentig.

Veelvouden van honderd, duizend en miljoen worden aan elkaar geschreven, ook de combinaties van die woorden: vijfhonderd, achtduizend, negenhonderdduizend.

Een of één[bewerken]

Om het woord één te onderscheiden van het lidwoord een, krijgt het alleen accentstreepjes als uit het zinsverband niet kan worden opgemaakt dat het als zodanig moet worden uitgesproken.

We nemen er nog een.
Een en ander hoeft geen betoog.
Een is wel genoeg.
Er staat daar één huis.

Breuken[bewerken]

Bij breukgetallen worden rangtelwoorden gecombineerd met hoofdtelwoorden.

Onbepaalde hoofdtelwoorden[bewerken]

Onbepaalde hoofdtelwoorden zijn die waaraan niet kan worden afgelezen om welk aantal het precies gaat.

  • al, alle, allemaal, enig(e), enkel(e), ettelijke, evenveel, genoeg, hoeveel, luttel, meer, meerdere, meest, menig(e), minder, minst, niemendal, sommige, tig, veel (vele), verscheiden(e), verschillende, weinig(e), voldoende, wat, weinig, zat, zoveel