Hoogstalemannisch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het huidige Opperduitse taalgebied.
Topografische kaart van het Alemannische taalgebied

Hoogstalemannisch is de verzamelnaam voor een groep Alemannische dialecten die worden gesproken in het uiterste zuidwesten van het Duitse taalgebied.

Kenmerken[bewerken]

De Hoogstalemannische dialecten onderscheiden zich voornamelijk van het Hoogalemannisch doordat er in hiaten geen diftongering is opgetreden.

Hoogstalemannisch (Senslerisch) Hoogalemannisch (Berndeutsch) Standaardduits
schnye schneie schneien (met de diftong [aɪ])
bue boue bauen

Een ander kenmerk van het Hoogstalemannisch is dat het bijvoeglijk naamwoord ook wordt verbogen wanneer het het naamwoordelijk deel van het gezegde is, in tegenstelling tot andere variëteiten van het Duits:

Hoogstalemannisch (Senslerisch) Hoogalemannisch (Berndeutsch) Standaardduits
as isch schöns äs isch schön es ist schön
si isch schöni si isch schön sie ist schön

Een ander veelvoorkomend verschijnsel is het typische meervoud van bepaalde zwakke vrouwelijke zelfstandige naamwoorden (met de uitgang -n). Dit is geen archaïsme, maar wellicht ontstaan onder invloed van het aangrenzende Romaanse taalgebied:

Enkelvoud Meervoud
Hoogalemannisch (Senslerisch) a Tana zwü Tane
Hoogstalemannisch (Berner Oberländisch) e Tanne zwo Tanni
Hoogalemannisch (Berndeutsch) e Tanne zwo Tanne
Standaardduits eine Tanne zwei Tannen

Ook de genitief wordt in het Hoogstalemannisch vaker gebruikt dan in het Hoogalemannisch.

Verspreiding[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Der Franzos im Jbrig van Gall Morel uit 1824 werd in 1895 door Meinrad Lienert onder de naam Chevreau oder die Franzosen im Ybrig in het dialect van Unteriberg vertaald. Citaat:

Jaha, i bi hüt scho zitli zum Gade use tschamppet, aber eö, äs ist mer afäd nümme rächt wohl gsi bi der Sach. Woni gäge d'Herti chume, se gsehni neimes Tüfels ab dr Guggere appe cho, es ist kei Gäms, kei Hüehnerdieb und kei Mäntsch gsi, äs hät so rothi Vorderbei und es roths Halsband gha, churtz i cha nid säge was äs gsi ist, aber emal neimigs Ughürigs dä groüss. (H. Humm (Hrsg.), Dreimal "Dr Franzos im Ybrig", Kulturverein Chärnehus, Einsiedeln 1992, S. 35)