Hoogveen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Hoogveen, ook wel ombrotroof veen, is mineraalarm, zuur drasland met een aan deze extreme omstandigheden aangepaste flora en fauna. In tegenstelling tot laagveen wordt hoogveen uitsluitend door neerslag en de in de lucht aanwezige mineralen verzorgd.

Het is een hydrologisch en ecologisch bijzonder veentype waarbij de eeuwen of zelfs millennia durende groei van turfvormende veenmossen een cruciale rol spelen.

Hoogvenen worden wereldwijd sterk bedreigd door turfwinning en het indringen van mineraalrijk water uit de omgeving (afkomstig van landbouw of industrie). Levend en groeiend hoogveen vindt men tegenwoordig nog maar weinig. De laatste grote hoogveengebieden bevinden zich in West-Siberië en Canada.

Ontstaan[bewerken]

Hoogveen heeft voor zijn groei een vochtig en gelijkmatig klimaat nodig. De hoeveelheid neerslag moet meer zijn dan het verlies van water door afvoer en verdamping; bovendien moet deze gelijkmatig over het jaar verdeeld zijn.

De hoogvenen in Europa ontwikkelden zich na het terugtrekken van de laatste ijskappen aan het begin van het Holoceen, ongeveer 11.000 jaar geleden.

In termen van hun ontstaan wordt onderscheid gemaakt tussen verlandingshoogveen en wortelecht hoogveen.

Verlandingshoogveen ontstaat door verlanding van meren of oude rivierarmen. Er ontwikkelt zich in eerste instantie laagveen. Gebrek aan zuurstof en een hoge zuurgraad in de voortdurend vochtige bodem remmen de afbraak van dode planten en leiden tot de vorming van veengrond. Zo groeit het hoogveen uiteindelijk boven de grondwaterspiegel uit. Nadat het ontstane veen de invloed van het grondwater ontgroeit, slaat deze in hoogveenvorming om, dwz. de venen worden vanaf nu alleen gevoed door mineraalarm regenwater.

Wortelecht hoogveen ontstaat daarentegen direct op mineraalarme bodems, zonder voorafgaande laagveenvorming. Dit gebeurt hetzij door verdrassing van voorheen droge minerale bodems, bijvoorbeeld als gevolg van ontbossing, klimaatverandering of verminderde infiltratie, ofwel door het uitgroeien van een bestaand hoogveen over de aangrenzende bodem.

De vorming van een typisch hoogveen is een zeer traag proces, dat zelfs onder gunstige omstandigheden eeuwen tot millennia duurt.

De belangrijkste turfvormers zijn de wortelloze veenmossen, die langzaam hoger groeien terwijl het onderste deel van de luchtarme omgeving verturft. Afhankelijk van de geografische locatie zijn verschillende soorten veenmos aan de opbouw betrokken. Het groeitempo van de turflaag is slechts ongeveer een millimeter per jaar.

Opbouw[bewerken]

Groeiend hoogveen kan worden onderverdeeld in twee lagen:

Het Akrotelm (Grieks: Akros = hoogste; telma = moeras) is de bovenste laag, en omvat de vegetatielaag en de veengrond. Door de groei en afsterven van plantendelen ontstaat hier de nieuwe organische stof. In hoogveen wordt de bovenste laag witveen genoemd, omdat het bestaat uit nog grotendeels onverteerd lichtbruin veenmos.

Het Katotelm (Grieks: Kato = onderkant) is de onderliggende met water verzadigde laag met minder biologische activiteit. Deze laag wordt als gevolg van de geringe nog optredende bodemvormende processen tot de geologische ondergrond geteld. De onderste veenlaag bestaat uit zwartveen, waarbij de humusvorming vergevorderd is en welke een zwart-bruine kleur met nog herkenbare plantenresten heeft.

Verspreiding[bewerken]

De vorming van hoogveen is afhankelijk van het weer, dwz. de hoeveelheid neerslag en de hoeveelheid verdamping, welke laatste weer in belangrijke mate door de temperatuur bepaald wordt. Bovendien is het reliëf van het terrein van belang voor de waterafvoer en dus de vorming van hoogveen. Gunstige omstandigheden voor hoogveengroei zijn voornamelijk te vinden in Noord-Amerika (Canada, Alaska), Noord-Europa en West-Siberië, Zuid-Amerika, Zuidoost-Azië en het Amazonegebied. Hier ontstonden hoogvenen en andere veenafzettingen van in totaal vier miljoen vierkante kilometer, welke gezamelijk rond drie procent van het landoppervlak van de aarde bestrijken.

Op het zuidelijk halfrond zijn mineraalarme venen zelden uit veenmos samengesteld. Alleen op Vuurland bestaan ​​veenmos-hoogvenen. De veenrijkste landen van de tropen zijn te vinden in Zuidoost-Azië. In veel gevallen is het nog niet duidelijk hoe de veengroei daar ontstaat, omdat de veenmossen volledig ontbreken.

Hoogveengebieden van het noordelijk halfrond[bewerken]

Azië 
Het hoogveen van West-Siberië beslaat 700.000 km², waarbij het hoogten tot 10 m bereikt. Hiervan zijn de Vasjoeganmoerassen met meer dan 50.000 km² het grootste moerasgebied ter wereld. De turfafzettingen worden geschat op meer dan 14 miljard ton.
Noord-Amerika 
Een in omvang met het West-Siberische veen vergelijkbaar moerasgebied strekt zich van Alaska in het westen tot aan de kust van de Atlantische Oceaan in het oosten.
Europa 
De grootste West- en Midden-Europese hoogveengebieden liggen in de zuidelijke Noordzeekustzone en de uitlopers van de Alpen. Minder dan 10% van het oorspronkelijke gebied is behouden, de rest is door vervening afgegraven en gecultiveerd.
Het grootste aaneengesloten hoogveen in West-Europa was het Bourtangermoeras, dat oorspronkelijk een oppervlakte van ongeveer 2.300 km² besloeg. Een ander belangrijk hoogveengebied zijn de Hoge Venen in het Belgisch-Duitse grensgebied.
Ook het door gletsjers gevormd Alpenvoorland is een hoogveenrijk gebied. Het Wurzacher Ried wordt beschouwd als het grootste en best bewaarde hoogveen in Centraal-Europa.
Het hoogveen in de Baltische staten wordt nog op grote schaal afgegraven. Estland exporteerde in 2003 3.600.00 kubieke meter turfstrooisel. Ook in Litouwen worden grote oppervlakten afgegraven en in cultuur gebracht. In Letland staat het 196 km² grote Teičaveen (Teiču purvs) als deel van het natuurreservaat Teiča onder strenge bescherming.
Ramsar-gebieden in Europa met hoogveen
  • Omgeving van Limbaži en Valmiera, Letland: 5.318 ha
  • Groot Pelečāresveen (Lielais Pelečāres purvs), Letland: 5.331 ha
  • Teičaveen (Teiču purvs), Letland: 19.337 ha
  • Natuurreservaat Čepkelių raistas, Litouwen: totaal 11.212 ha, waarvan 5.000 ha hoogveen
  • Thursley and Ockley Moor, England: 265 ha
  • Waldviertel, Oostenrijk: 13.000 ha

Flora en fauna[bewerken]

De extreme armoede aan minerale zouten, hoge zuurgraad en permanente verzadiging met water van het leefgebied veroorzaken een unieke en zeer gespecialiseerde flora en fauna, waaronder een groot aantal bedreigde soorten.

Flora[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Hoogveenmos-orde

Planten die kunnen omgaan met de extreme omstandigheden in het hoogveen zijn meestal specialisten en aangepast aan het gebrek aan mineralen. Deze soorten gedijen uitsluitend in hoogveen. In veel gevallen zijn speciale aanpassingen en strategieën ontwikkeld. Hoogvenen zijn in het algemeen boomloos.

Vleesetende planten[bewerken]

Een aanpassing aan het karige leven in het hoogveen hebben de vleesetende planten gevonden. Sommige soorten vangen insecten, verteren ze en kunnen daarmee extra stikstof en minerale zouten opnemen.

De ronde zonnedauw heeft aan zijn rondachtige bladeren roodachtige klieren. Deze scheiden een kleverige vloeistof af die onder andere mieren aantrekt. De venusvliegenvanger is inheems in de hoogveen van Noord- en Zuid-Carolina in het oosten van de Verenigde Staten.

Dwergstruiken[bewerken]

Kenmerkend voor de hoogveenflora zijn dwergstruiken, welke bijna alle tot de heidefamilie behoren. Deze omvatten bijvoorbeeld de lavendelhei, struikhei, gewone dophei en kleine veenbes. Deze dwergstruiken vormen met paddestoelen een zogenaamd mycorrhiza. Deze symbiose stelt hen in staat tot een ​​betere absorptie van mineralen uit de schrale bodem. Opvallend is ook dat de bladeren van deze planten meestal vlezig en met een dikke epidermis uitgerust zijn. Daarnaast zijn de bladeren met een waslaag (cuticula) bedekt en de huidmondjes zijn vaak verzonken. Deze kenmerken vormen een aanpassing aan het gebrek aan voedingsstoffen en de extreme temperatuurschommelingen. Zonnedauw en veenbes kunnen hun wortels tot een gelaagde structuur vormen om gebrek aan zuurstof als gevolg van het steeds hoger groeiende veenmos te voorkomen.

Veenmos en veenmosgezelschappen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Hoogveenmos-verbond

Kenmerkende veenvormende planten in hoogveen zijn naast het veenmos wollegrassen, zeggen, en veenbies. Het eenarig wollegras heeft een nestvormige groei. Bij een goede watervoorziening zal het steeds door het veenmos worden overwoekerd. Met zijn gerafelde bladscheden draagt het aanzienlijk bij ​​aan de vorming van vezelig turf.

De verschillende veenmossoorten van het hoogveen hebben verschillende waterbehoeften. Op zeer vochtige plaatsen en in holten groeien geelgroene soorten zoals waterveenmos, Baltisch veenmos en Sphagnum dusenii. Deze plantengemeenschap van met water verzadigde gebieden wordt het Cuspidato-Scheuchzerietum palustris genoemd. Tot dit gezelschap behoren ook slijkzegge, witte snavelbies en veenbloembies.

Andere veenmossen, zoals hoogveen-veenmos, rood veenmos of bruin veenmos bewonen drogere plaatsen en hoge bulten. Zij vormen samen met planten zoals kleine veenbes, lavendelhei en struikhei, de associatie van gewone dophei en veenmos. Dit is de belangrijkste turfvormende plantengemeenschap in het hoogveen. Kenmerkend zijn de gewone dophei en beenbreek.

In het Noord-Amerikaanse hoogveen is de vegetatie samengesteld uit de uit Europa bekende plantengemeenschappen, alleen zijn hier vaak andere soorten van de verschillende geslachten aanwezig.

In Noord-Azië komt op de hoogten de Siberische den (Pinus sibirica) voor. In de lage delen wordt Sphagnum dusenii en Baltisch veenmos gevonden, samen met veenbloembies en slijkzegge.

Het hoogveengebied van Vuurland bevindt zich in het het Antarctisch klimaat- en vegetatiegebied. De veengroei is voornamelijk afkomstig van hoogveen-veenmos en dwergstruiken. De laatsten bestaan uit laaggroeiende schijnbeuk, rode kraaihei en Gaultheria pumila. In plaats van wollegras vindt men hier Tetronium magellanicum uit de russenfamilie .

Bomen en veenbossen[bewerken]

Ook bomen zoals zachte berk, spar en den zijn kenmerkend voor het hoogveen in gebieden met een zeeklimaat. Zij bevinden zich echter bij voorkeur aan de meer ontwaterde randgebieden en voedingsrijkere veenmeren.

Op de hoogten worden meestal alleen geïsoleerde bomen met een door mineraalarmoede lage groei aangetroffen. Aan waterkanten komt het door golfslag tot een verhoogde mineralisatie, welke aan concurrerende struiken, grassen en andere planten een plaats kan bieden. Daartoe behoort ook het bij renatureringspogingen gevreesde pijpenstrootje.

Bij hoogvenen in drogere, mineraalarme overgangszones in landklimaatsgebieden en hogere berggebieden kunnen zich broekbossen vormen. Dit zijn meestal slechtgroeiende, lage, open bestanden van dennen of berken met een struikrijke ondergroei en een laaggroeiende open, voornamelijk uit grassen, zeggen en dwergstruiken bestaande kruidlaag, maar een goed ontwikkelde moslaag van hoofdzakelijk veenmos.

Fauna[bewerken]

Binnen levend hoogveen kunnen zich slechts een paar groepen van organismen handhaven. Er zijn in het zure water geen vissen, noch zijn er slakken, tweekleppigen, kreeftachtigen en andere dieren te vinden die een grote hoeveelheid calcium nodig hebben.

Alleen specialisten is het ​​onder de extreme omstandigheden mogelijk te leven en zich voort te planten. Zoals de veenmossen zijn ook vele dieren rood of donker gekleurd (melanisme), als een aanpassing aan de stralingsintensiteit en extreme temperatuurswisselingen. Een ander vaak waargenomen fenomeen is dwergvorming. Veel dieren, vooral insecten zijn in hun dieet beperkt tot bepaalde plantensoorten of plantengeslachten van het hoogveen, zodat zij ​​alleen in deze habitat kunnen bestaan.

Eencelligen[bewerken]

Een opvallende groep dieren zijn de schaalamoeben. Deze kunnen met een hoge bevolkingsdichtheid optreden, en door analyse van de door hen gevormde schalen (rhizopodenanalyse) is het mogelijk de ecologische omstandigheden tijdens de ontstaansgeschiedenis van het veen te volgen.

Geleedpotigen[bewerken]

In de zomer vallen het grote aantal libellen op. Libellen houden van vochtige locaties, met inbegrip van zowel hooog- als laagveen. Sommige soorten zijn in alle levensfasen met het veen verbonden, andere specifiek in hun jeugd. De noordse glazenmaker is in juli-september te vinden en uitsluitend actief op hoogveen-water met trilveen.

Agonum ericeti is de hoogveenspecialist onder de kevers. Buiten overgangs- en hoogveen is hij niet te vinden. Hij woont tussen de pollen en holten van levend hoogveen. De soort kan slechts op zeer zure gronden leven en is gevoelig voor veranderingen.

Ook de veenbesparelmoervlinder is op hoogveen aangewezen waar de (kleine veenbes) als waardplant voor de rupsen groeit. In sommige gevallen leven de rupsen ook van jonge scheuten van de lavendelhei.

De cicadenfauna omvat een verscheidenheid van zeer gespecialiseerde, meestal monofage hoogveensoorten met een zeer specifieke voedselbehoefte. Ommatidiotus dissimilis leeft uitsluitend bij het eenarig wollegras van het open hoogveen, Sphagnum-trilveen met veenpluis zijn de voorkeurslocatie van Delphacodes capnodes.

Waar zo'n rijke insecten- en mijtenfauna optreedt zijn hun vijanden niet ver weg. Ze leven in het water, zoals de zeer zeldzame waterspin, de veenlaag zoals de veenmoswolfspin en Piratula insularis, of de kruidlaag en lage bomen zoals de sinaasappelspin of de gerande oeverspin. Voornamelijk in de randgebieden leeft de brugspin.

Amfibieën en reptielen[bewerken]

Amfibieën, vooral de heikikker, wonen en/of paaien in het hoogveen.

Als reptielen komen de levendbarende hagedis en de adder voor. De laatste is vaak volledig zwartgekleurd (Melanisme) wordt ook zwarte adder of moerasadder genoemd.

Vogels[bewerken]

Vogels van het boomarme hoogveen zijn wintertaling, zomertaling, korhoen, velduil, wulp, bosruiter, goudplevier en kraanvogel.

In de randgebieden leven grutto, tureluur, veldleeuwerik, paapje en diverse andere soorten.

Zoogdieren[bewerken]

Zoogdieren spelen in het hoogveen een relatief kleine rol. De voor het graven van holen niet geschikte vochtige grond maakt het bijvoorbeeld onaantrekkelijk voor muizen. Er is echter een zekere rol voor de bunzing, die zich hier bij voorkeur met kikkers voedt.

Bronnen, noten en/of referenties