Hope Robert Mac Gillavry

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hope Robert Mac Gillavry
Hope Robert Mac Gillavry
Hope Robert Mac Gillavry
Geboren 23 augustus 1865
Weltevreden
Overleden 10 januari 1951
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger
Dienstjaren 1881-1920
Rang Luitenant-generaal tit.
Eenheid Wapen der Artillerie (KNIL)
Slagen/oorlogen Atjeh oorlog
Onderscheidingen Ridder in de Militaire Willems-Orde.jpg Militaire Willemsorde 4e klasse,

het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier – 30 jaar
het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gespen Atjeh 1873-1896 en Atjeh 1901-1905.

Ander werk Liefhebber van Paardensport
Portaal  Portaalicoon   KNIL

Hope Robert Mac Gillavry (Weltevreden, 23 augustus 1865 - 10 januari 1951) was een Nederlands Luitenant-generaal titulair der Artillerie van het Indische leger en ridder in de Militaire Willems-Orde. Hij huwde op 20 januari 1900 met Bertha Josephine Verhoog, geboren op 12 juli 1880 in Semarang. Ze overleed op 7 december 1938 in Heemstede op 58 jarige leeftijd. Op 20 juni 1901 werd te Batavia hun dochter Amy Bertha Mac Gillavry geboren, zij is overleden op 9 januari 1963 in Ede op 61 jarige leeftijd.

Loopbaan[bewerken]

Een sectie bergartillerie

Mac Gillavry volgde een opleiding tot officier aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda voor de Artillerie van het leger in Nederlands-Indië. Na het voltooien van zijn opleiding werd hij op 7 juli 1885 benoemd 2de luitenant der Artillerie. In 1887 werd hij geplaatst bij de 15e compagnie Artillerie te Willem 1 (5e compagnie Vesting-Artillerie). In 1891 werd hij overgeplaatst van de 5e compagnie Artillerie te Salatiga naar de 18e compagnie Artillerie te Batavia. Op 4 februari volgde zijn bevordering tot 1ste luitenant der Artillerie. In de periode 1 mei t/m 30 september 1895 werd hij als student aan de Hogere Krijgsschool gedetacheerd bij het 1e Regiment Huzaren te Deventer samen met 1e luitenants der infanterie KNIL P.J. Spruyt en H.L. Beuse. Kort na het beëindigen van zijn studie aan de Hogere Krijgsschool keerde hij terug naar Indië en werd daar na aankomst gedetacheerd bij het 10e Bataljon Infanterie. Van zijn detachering bij het 10e Bataljon Infanterie werd hij in november 1897 overgeplaatst naar het hoofdbureau der Generale Staf te Batavia. In 1898 werd hij ontheven van zijn detachering bij het hoofdbureau van de Generale Staf en geplaatst bij de 1e compagnie Artillerie (1e Veldbatterij), subsistentenkader te Batavia. In 1899 werd hij overgeplaatst van de 1e compagnie Artillerie (1e Veldbatterij) te Batavia, naar de 22e compagnie Artillerie (compagnie Artillerie van Atjeh en Onderhorigheden) te Koeta Radja.

Vermeestering van de stellingen op de Gle Risé en Gle Sabi door de colonne van der Wedden, 21 november 1899[bewerken]

Op 14 november 1899 wist de colonne van Peter Hermanus van der Wedden de stellingen Goenoeng Rabo en Tjot Kala te Atjeh te vermeesteren, waarbij o.a. de cavalerist Michiel Meyer Cohen zich onderscheidde. Halfweg Tjot Pi en de kust had Teukoe Tji Peusangan een drietal versterkingen opgeworpen op de Gle Risé. Deze heuvelrug ligt op de linker oever van de Peusangan rivier en steunde ’s vijands linker vleugel aan de rivier. De Nederlandse troepen kwamen na een zeer vermoeiende mars door de rimboe in ’t front van de vijandelijke stellingen. Na een dag rust werd besloten om op 21 november de stelling op de Gle Risé te vermeesteren. Ondertussen was kapitein H.N.A. Swart met een compagnie van het 12e bataljon Infanterie vanuit Lho Seumaweh ter versterking gekomen. Op 21 november 1899 leidde kapitein Swart zijn compagnie van het 12e bataljon infanterie beleidvol en met grote onverschrokkenheid aan bij de aanval op de zeer sterke vijandelijke stelling Gle Risé. Swart werd hiervoor later per Koninklijk Besluit van 13 juli 1900 no. 29 benoemd tot 3e klasse in de Militaire Willemsorde. Aan Nederlandse zijde vielen 2 doden, vier zwaar en een tiental lichtgewonden. De vijand liet 33 doden inclusief hun wapens liggen, terwijl de in ondoorwaadbare Peusangan rivier een waar bloedbad onder de vijand werd aangericht aangezien de vijand wel via de rivier moest vluchten.

Militaire Willemsorde[bewerken]

Per Koninklijk Besluit van 13 juli 1900 no. 29 werd Mac Gillavry bevorderd tot ridder der Militaire Willemsorde 4e klasse voor “Atjeh 1899”, als hebbende zich onderscheiden bij de krijgsverrichtingen in Atjeh en Onderhorigheden gedurende het tijdvak van 1 juni 1899 tot 31 december daaraanvolgende, en wel voornamelijk op:

  • 21 november 1899 Vermeestering van de vijandelijke stelling op den Gle Risé. Als fungerend chef van den staf grote voortvarendheid, moed en beleid te betonen door met een opdracht naar voren gezonden en onder vijands zeer werkzaam vuur bij de voorste linie komende, op zeer korte afstand van vijand stelling op eigen initiatief de middelste versterking te verkennen, zich naar de zuidwestenlijke saillant te begeven en daar een uitgang ontdekkende deze te bezetten waardoor de vijand belet werd de versterking aan die zijde te verlaten.
  • 6 november t/m ultimo december 1899 Tocht door Meureudoe, Boven Samalanga, Peusangan, Geudon en Keurentoeé. Als waarnemend chef van den staf de colonne commandant krachtig ter zijde te staan beide beramingen en uitvoering der operatiën.

Per Koninklijk Besluit van 13 juli 1900 no. 29 werden tevens voor de vermeestering van de Gle Risé nog de volgende militairen bevorderd tot ridder der Militaire Willemsorde voor “Atjeh 1899” [1]:

  • 1e luitenant J. Reyers
  • sergeant H.M.H. van Rooyen
  • fuselier H. Oeben
  • fuselier L. Mondt (Postuum)
  • fuselier D. Boersma

Samen met de Europees fuseliers L. Mondt, D. Boersma en de Boer onder de 1e luitenant J. Reyers stak infanterist 1e klasse H. Oeben onder hevig vuur op een bamboe vlot naar de door de vijand bezette oever der Pasei-rivier over en greep daar de vijand met zoveel onstuimigheid aan dat deze met achterlating van vier doden werd verdreven. Europees infanterist H. Oeben hield toen moedig stand met de Europees fuselier Muller bij een overdekte smalle uitgang aan de zuidfacade van de middelste benteng, maakte zich met grote tegenwoordigheid van geest meester van een vijandelijk vuurwapen en redde met dezelfde fuselier een zwaargewonde Ambonees uit de handen van de vijand hield. Sergeant H.M.H. van Rooyen onderscheidde zich op 21 november 1899 door na het springen van de van een met springgelatine gevulde koker, met de Europees fuselier van Herwijnen de borstwering te beklimmen van de nog hardnekkig verdedigende middelste benteng en drong daar naar binnen. Later zou hij benoemd worden tot de 3e klasse in de Militaire Willemsorde voor zijn aandeel in de gevechten op de Gle Tjoet te Atjeh.

Renvereeniging Atjeh[bewerken]

Midden 1900 volgde een overplaatsing van de 22e compagnie te Koeta Radja (de compagnie van Atjeh en Onderhorigheden) naar de 4e compagnie Bergartillerie te Koeta Radja. Hij werd opgevolgd bij de 22e compagnie door de 1e luitenant der Artillerie Muurling. Later dat jaar werd op 26 december 1900 te Koeta Radja de “Renvereeniging Atjeh” opgericht die zich ten doel stelde het houden van wedstrijden, tentoonstellingen als anderszins hoofdzakelijk de paarden- en veefokkerij bij de bevolking in dit gewest te bevorderen en aan te moedigen. Inmiddels was Mac Gillavry op 28 augustus 1900 bevorderd tot kapitein. Het voornemen bestond om zo mogelijk twee maal per jaar wedstrijden te houden. Tot bestrijding van de nodige uitgaven werd een contributie vastgesteld van 1 gulden per maand per lid. In de maand juni, juli of augustus 1901 moesten de eerste wedstrijden plaatsvinden. Het voorlopig bestuur bestond uit de heren Heldens, Mac Gillavry, Scheuer, Von Schmidt Auf Altenstadt, de officieren der Cavalerie Tergast en Vermaat.

3e Expeditie naar Samalangan 29 januari 1901 – 15 februari 1901[bewerken]

J.B. van Heutsz met zijn staf tijdens de aanval op Bateë-iliëk in 1901, door Jan Hoynck van Papendrecht

Mac Gillavry nam deel aan de 3e Expeditie naar Samalangan als commandant van 2 secties (4 kanonnen, 7 cm berggeschut) van de 4e compagnie Bergartillerie. Tot 1901 bleef Batoe Iliq een van de felste verzetshaarden. De bevolking van Samalangan (of Samanlanga) en Peusangan, aangezet door de Pretendent Sultan, Panglima Polèm II en Teuku Bin Peukan, bleef doorgaan met zich voor te bereiden op een confrontatie. Om vooral Samalangan te dwingen zich te schikken naar het Nederlands-Indisch gezag en het landschap te straffen voor het herbergen van benden en het opstellen van versterkingen, besloot J.B. van Heutsz een strafexpeditie naar Samalangan te sturen. Nadat hij enkele leiders van het verzet verslagen had, richtte hij zich op Batoe Iliq. De 1ste en 2de februari werd de vijandelijke stelling op Batoe Iliq en Asan Koembang door de marine en het geschut van het Nederlandse bivak te Nangroë onder vuur genomen; nadat de aanval hierdoor was ingeleid, werden door de troepen vier versterkingen veroverd, waarna de verdere vijandelijke positie, die hardnekkig verdedigd werd, door de infanterie, het Korps Marechaussee te voet en landingsdivisie werd bestormd. Binnen de versterking ontstond een verwoed gevecht, man tegen man; de vijand liet een vat buskruit springen, waardoor luitenant Verschuir en negen minderen ernstige brandwonden verkregen. Met het stormenderhand genomen Batoe Iliq vielen enige vuurmonden de troepen in handen, die verder een verlies leden van 5 doden en 29 gewonden. Batoe Iliq was nu definitief in Nederlandse handen. Kort hierna kon de Atjeh Tram door het landschap Samalanga worden doorgetrokken.

Staffuncties[bewerken]

Marine- en veldgeschut in stelling bij de 3e Expeditie naar Samalangan

Begin 1901 werd hij geplaatst bij het hoofdbureau der generale staf als kapitein der generale staf te Batavia. Daar werd op 20 juni 1901 zijn dochter Amy Bertha Mac Gillavry geboren. Eind 1904 nam hij als kapitein der Generale Staf de functie van gezaghebber van Poeloe Weh (eiland Sabang te Atjeh) overgenomen van zijn collega kapitein der Artillerie C.M. Kan, die overplaatsing naar Batavia had aangevraagd. Op 21 september 1907 werd hij bevorderd tot Majoor en op 18 mei 1911 ter beschikking van de Chef van het Wapen der Artillerie en ter beschikking gesteld van de chef van de VIIe afdeling van het Departement van Oorlog gesteld. Op 16 juni 1911 volgde zijn bevordering tot Luitenant-Kolonel. In 1912 werd hij overgeplaatst naar het commando der vesting-Artillerie te Batavia en in 1913 overgeplaatst bij de IIIe afdeling van het Departement van Oorlog als commandant van de Bereden Artillerie te Batavia.

In 1913 nam hij deel aan de dressuurproeven van de “Militaire Hippische Sportvereniging”. Onder de deelnemers waren relatief veel Artilleristen, met onder andere de kapitein der Artillerie Pitlo. In 1914 werd hij, inmiddels bevorderd tot kolonel, overgeplaatst naar de IIIe afdeling van het Departement van Oorlog te Batavia van het commando der Bereden Artillerie te Batavia. Van 20-21 november 1915 was hij jurylid voor het keuren van de paarden van een door de “Militaire Hippische Sportvereniging” uitgeschreven 2 daagse afstandsrit tussen Batavia en Tjimahi, via Buitenzorg en de Poentjak pas. Eindpunt was de Aloon-Aloon te Tjimahi. In 1917 werd hij bevorderd tot Generaal-majoor en chef van het Wapen der Artillerie Oost-Indisch Leger.

Pensionering[bewerken]

In 1920 ging hij met pensioen als luitenant-generaal titulair en droeg zijn taken over aan kolonel J.C. Pabst. Het was zeer gebruikelijk dat voormalig opperofficieren werden begraven of gecremeerd onder grote belangstelling van oud-collega's. Voor zover bekend was Mac Gillavry in 1921 aanwezig bij de begrafenis van generaal-majoor P.J. Spruyt op de begraafplaats Oud Eik en Duinen te Den Haag. Ook was hij aanwezig bij de begrafenis van F. Frijling, oud-vicepresident van de Raad van Indië en ridder R.W.O., op de begraafplaats Oud Eik en Duinen te Den Haag en tevens bij de crematie van generaal Hendrik Christiaan Kronouer te Westerveld.

Jaarvergadering Vereniging onder de zinspreuk Moed, Beleid en Trouw - 1939[bewerken]

Eind 1939 hield de Vereniging onder de zinspreuk Moed, Beleid en Trouw in het gebouw Diligentia te Den Haag haar algemene jaarlijkse vergadering, welke werd geleid door de waarnemend voorzitter gepensioneerd luitenant-generaal H.R. Mac Gillavry. [2] Herdacht werden de in dat jaar overleden bestuursleden van de vereniging gepensioneerd generaal C.J.Snijders, voorzitter en gepensioneerd kolonel G. Engelberts, ondervoorzitter. In de hierdoor ontstane vacatures werden gekozen tot voorzitter de gepensioneerd luitenant-generaal C.H. van Rietschoten, oud commandant van het KNIL, en tot ondervoorzitter gepensioneerd kolonel P.D.A. Frankamp. Verder werd tot lid van het hoofdbestuur benoemd gepensioneerd luitenant-generaal H.C. ter Beek, adjudant i.b.d. van H.M. de Koningin. Blijkens het jaarverslag 1938 genoten aan het einde van het verslagjaar hier te lande steun: 4 ridders der M.W.O., 11 weduwen en 5 dochters van de ridders der M.W.O. benevens een eervol vermeld Oost-Indisch militair. In Nederlands-Indië genoten een 17-tal weduwen van leiders der M.W.O. steun.

125 jaar Militaire Willemsorde[bewerken]

Op 30 april 1940 vond in het Hotel de Wittebrug te Den Haag de herdenking plaats ter gelegenheid van het 125 jarig bestaan van de Militaire Willemsorde, waarbij Mac Gillavry ook aanwezig was.

Mac Gillavry overleed op 84 jarige leeftijd op 10 januari 1951.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Het Vaderland 30 april 1940 – Huldigingsbijeenkomst in de Wittebrug tgv 125 jarig bestaan van de MWO
  2. Het Vaderland, 2 januari 1940 Jaarvergadering Moed Beleid en trouw.
  • Deli Courant 23 januari 1901 – Renvereeniging Atjeh.
  • Deli Courant 9 december 1899.
  • Generaal Swart – De pacificator van Atjeh, blz 175.