Houtskool

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Houtskool
Houtskooltekening door Charles Sayers, collectie Tropenmuseum

Het woord houtskool (Lat. carbo) ofwel verkoling van hout ontleent zijn betekenis aan de ontleding (pyrolyse) van hout. Het gaat om een bewerking waarbij hout wordt verhit op een zodanige wijze dat slechts een beperkte hoeveelheid zuurstof kan toetreden. Het grootste deel van het hout verbrandt dan niet en de vluchtige bestanddelen ontwijken. In tegenstelling tot hout dat uit complexe molecules bestaat, is houtskool nagenoeg zuiver koolstof. Het is dus een veel gelijkmatigere stof dan hout en het brandt beter. Het is droog op zichzelf, terwijl hout dikwijls water bevat in de vorm van sap. Het heeft ook een grotere oppervlakte als het tot poeder vermalen wordt, hetgeen met hout niet mogelijk is. Houtskool komt chemisch dicht bij steenkool of steenkoolcokes of turfcokes. Circa 1000 jaar voor Christus werd houtskool al op grote schaal toegepast om ijzer te winnen uit ijzererts.[bron?] Pas veel later werd overgeschakeld op het betere steenkool en nog later op steenkoolcokes.

De constructie waarin houtskool werd bereid, heet een meiler. Voor de bereiding van 1 ton houtskool was wel 5 tot 8 kuub hout nodig.

Houtskool werd veelal als brandstof gebruikt maar de afgevende eigenschap leent zich ook voor artistieke doeleinden als tekenen.

Houtskool was van 1000 tot 1918 een belangrijk bestanddeel van buskruit. Het werkt als koolstof, maar bevat ook kaliumcarbonaat, dat als katalysator werkt. Nog tijdens de Eerste Wereldoorlog werden hele bossen gerooid om er houtskool van te branden om buskruit te maken.[bron?] Houtskool is ook bruikbaar als adsorptiemiddel bijvoorbeeld als tegengif of om te ontgeuren of te ontkleuren. Zie actieve kool.

Externe link[bewerken]

Icoontje WikiWoordenboek Zoek houtskool op in het WikiWoordenboek.