Hubertus van Mook

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hubertus Johannes van Mook

Hubertus Johannes (Huib) van Mook (Semarang, 30 mei 1894L'Isle-sur-la-Sorgue, 10 mei 1965) was een koloniaal bestuurder en minister.

Levensloop[bewerken]

Na het behalen van het staatsexamen hbs met aanvullend Grieks en Latijn te Soerabaja in 1912 verhuisde hij naar Nederland. Hier ging hij van 1912 tot 1913 aan de Universiteit van Amsterdam en vanaf 1913 aan de Technische Hogeschool te Delft scheikunde studeren. Omdat hij een veelzijdige belangstelling, een gemakkelijk en snel opnemingsvermogen en een uitgesproken drang naar activiteit had, kon de studie hem echter niet boeien en hij stortte zich in het studentenleven. Zo was hij onder andere lid van het Indonesisch Verbond van Studeerenden en het Amsterdamsch Studenten Corps, waar hij in 1912 lid werd van het dispuutgezelschap V.I.V.A.T. In 1914 meldde hij zich als vrijwilliger voor het Nederlandse leger aan. Uiteindelijk ging hij vanaf 31 oktober 1916 Indologie studeren aan de Rijksuniversiteit van Leiden waar hij in 1918 afstudeerde. Tijdens zijn studie werd hij sterk beïnvloed door de progressieve Leidse richting in de Indologie van de hoogleraren Snouck Hurgronje en Van Vollenhoven.

Na zijn studie keerde hij terug naar Nederlands-Indië waar hij werk kreeg als controleur te Semarang. Bij de regeling van de voedseldistributie toonde hij in die functie voor het eerst zijn bekwaamheid en doortastendheid. In 1921 werd hij daarom bevorderd tot raadsman in agrarische aangelegenheden van Sri Hamengkoeboewono VIII, de sultan van Jogjakarta. In 1925 ging hij met studieverlof terug naar Nederland waar hij wilde promoveren op Indisch recht. Dit kwam echter niet van de grond. Hij publiceerde wel een verslag van de vordering van de agrarische hervormingen in de Vorstenlanden.[1]

Drie jaar later, in 1927, keerde hij terug naar Nederlands-Indië waar hij werd benoemd tot assistent-resident van de politie in Batavia.

Tussen 1930 en 1934 was Van Mook onder andere ook redacteur van het tijdschrift "De Stuw". In 1938 was hij economisch onderhandelaar met Japan, wat resulteerde in het "Van Mook-Kotanu-overeenkomst". In de periode september 1940 - juni 1941 leidde hij weer met succes de onderhandelingen met Japan over de handelsbetrekkingen. In oktober 1940 behaalde hij zijn eredoctoraat in de economische wetenschappen aan de Rechtshogeschool te Batavia.

Op 20 november 1941 werd hij tot minister van Koloniën benoemd in het kabinet-Gerbrandy II, maar hij bleef nog in Nederlandsch-Indië en zijn functie werd door de minister-president tot 21 februari 1942 waargenomen. Inmiddels was hij na de aanval op Pearl Harbor (7 december 1941) en de oorlogsverklaring van Nederland aan Japan (8 december 1941) op aandringen van de gouverneur-generaal met ingang van 1 januari 1942 ook tot luitenant-gouverneur-generaal benoemd. In die hoedanigheid trachtte hij tevergeefs tot nauwere militaire samenwerking met de VS te komen en Washington tot levering van (reeds gekochte en betaalde) vliegtuigen te bewegen. In 1942 kreeg hij van gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh de opdracht om uit te wijken naar Australië. Op 7 maart 1942 ontkwam hij gedurende de Slag om Java per vliegtuig naar Australië.

Hij was een voorstander van een progressieve Indonesische politiek en oprichter van en actief in de zogenaamde "Stuw-groep". Als lid van de Volksraad pleitte hij voor verbetering van de levensstandaard van de Javaanse bevolking en betere behandeling van politieke gevangenen. Op 19 september 1944 vertrok hij definitief naar Australië om na de bevrijding het bestuur van Nederlands-Indië op zich te kunnen nemen. Nadat Tjarda van Starkenborgh in september 1945 ontslag had genomen als gouverneur-generaal was hij de hoogste Nederlandse gezagsdrager in Nederlands-Indië. Hij droeg als minister van Koloniën de politieke verantwoordelijkheid voor de zogenaamde 7-december-rede (1942) van koningin Wilhelmina over de naoorlogse verhoudingen tussen Nederland en de overzeese rijksdelen.

Op 1 november 1945 ontmoette hij een delegatie van de republikeinse regering, onder wie Soekarno. Dit was in strijd met het officiële regeringsbeleid dat geen contact wenste met Soekarno vanwege diens steun aan de asmogendheden. Koningin Wilhelmina verhinderde het door het kabinet voorgestelde ontslag van Van Mook. In maart 1946 stelde hij voor de Republiek Indonesia de facto te erkennen en onderdeel te laten worden van een federatieve staat Indonesië. In april 1946 nam hij deel aan de onderhandelingen met een Indonesische delegatie (onder wie ministers uit het kabinet-Sjahrir) op het jachtslot Sint-Hubertus (Hoge Veluweconferentie). In het najaar van 1946 gaf hij aan te willen aftreden als luitenant-gouverneur-generaal, omdat hij zijn taak als voltooid beschouwde en hij zijn functie aan een nieuwkomer wilde overdragen. In 1947 was hij de voornaamste architect van de Verenigde Staten van Indonesië, een federatief verband van Indonesische staten, en van het Akkoord van Linggadjati.

In augustus 1947 was hij voorstander van de politionele acties om uitvoering van het Akkoord van Linggadjati af te dwingen. Tot hij uiteindelijk in 1948 het vertrouwen van K.V.P., VVD en CHU, en van de linkervleugel van de P.v.d.A. verloor. Tijdens de kabinetsformatie van 1948 werd dan ook besloten tot zijn vervanging door Beel, wat op 12 augustus 1948 leidde tot een (informeel) briefje van minister Sassen waarin hem werd gevraagd een andere functie te aanvaarden. Uiteindelijk diende hij op 11 oktober 1948 zelf - gedesillusioneerd en verbitterd - zijn ontslag in (per 1 november). Hij weigerde hierna een benoeming tot ambassadeur. Na zijn aftreden bepleitte met name Drees hem tot minister van Staat te benoemen. Een meerderheid van het kabinet wees dit echter af. Op 3 november 1948 droeg hij het gezag aan Beel over. Ofschoon nooit officieel, was hij in wezen de laatste landvoogd in Nederlands-Indië en werd hij als zodanig ook gezien.

Van 1949 tot 1951 was hij hoogleraar politieke wetenschappen aan de University of California te Berkeley (V.S.). In 1951 trad hij in dienst van de Verenigde Naties als deskundige voor ontwikkelingsgebieden. In 1960 vestigde hij zich in Frankrijk, waar hij vijf jaar later op 10 mei 1965 in L'Isle-sur-la-Sorgue na een kort ziekbed overleed. Hij had in de voorafgaande jaren nog regelmatig aan het Institute of Social Studies in Den Haag gedoceerd.

De naam van Van Mook is genoemd bij het onderzoek naar de moord op Vaandrig Rob Aernout. Volgens Generaal Simon Spoor zou Van Mook betrokken zijn geweest bij verraad, smokkel en zwendel. Daarvan is echter niets gebleken. [2]

Onderscheiding[bewerken]

Publicaties[bewerken]

Literatuur/documentatie[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Een deel van de tekst op deze pagina of een eerdere versie daarvan is overgenomen van http://www.inghist.nl
  1. H.J. van Mook, "De Hervorming van het Landhuurstelsel in de Vorstenlanden", opgenomen in de Verhandelingen van het Indisch Genootschap, 1926.
  2. De Zaak Aernout, Hardnekkige mythes rond een Indische moord ontrafeld, Peter Schumacher met medewerking van Gerard de Boer, Uitgeverij Aspekt B.V. oktober 2009
Voorganger:
P.S. Gerbrandy
Minister van Koloniën
1942-1945
Opvolger:
J.I.J.M. Schmutzer