Hugenoten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Beluister

(info)

Hugenoten is de benaming die in de 16e en 17e eeuw in Frankrijk werd gegeven aan protestanten. De herkomst van het woord is onduidelijk. Mogelijk verwijst het naar Besançon Hugues, de leider van een revolutie in Genève, of is het een verbastering van het woord "Eidgenossen" dat het niet-Franse karakter van het protestantisme wil beklemtonen. Ook kan het woord afstammen van 'le Hugon', dit betekent kwade geest. De katholieken gebruikten de term 'hugenoten' als scheldnaam. Later namen de protestanten in Frankrijk deze term over.

Vervolging[bewerken]

Franse hugenoten in Amsterdam, 1715

De hugenoten waren de Franse aanhangers van Calvijn. In het katholieke Frankrijk kwam het vanaf 1562 tot bloedige godsdienstoorlogen, waarbij vele hugenoten werden vermoord. Vooral de Bartholomeusnacht in 1572 kostte vele hugenoten het leven. De vijfde heilige oorlog tegen de hugenoten begon op 23 februari 1574, de vervolging duurt tot 1598. In dat jaar vaardigde koning Hendrik IV het 'Edict van Nantes' uit, dat aan de hugenoten vrijheid van religie toekende. Hendrik IV was zelf ooit hugenoot geweest, maar had zich, om de troon te kunnen bestijgen, bekeerd tot het katholieke geloof. Ondanks de vrijheid van geloof werd het niet echt veilig voor de hugenoten in Frankrijk. Omstreeks 1660 besloten steeds meer hugenoten Frankrijk te ontvluchten om te ontkomen aan de dragonnades, pesterijen waarbij militairen in hun huizen werden gelogeerd. Toen in 1685 koning Lodewijk XIV een einde maakte aan het Edict van Nantes (door een nieuw edict, het Edict van Fontainebleau), werd het openlijk belijden van de hugenootse godsdienst een strafbaar feit.

Vlucht uit Frankrijk[bewerken]

De koning pakte de vervolging van de protestantse hugenoten weer op. Ze konden kiezen tussen zich bekeren tot het katholicisme of te blijven, maar hun geloof niet meer openlijk te belijden, op straffe van arrestatie en confiscatie van hun goederen[1]. De vervolging was zo heftig dat velen besloten te vluchten, hoewel het hun door de koning verboden was Frankrijk te verlaten.

Noord-Amerika

Een groep hugenoten emigreerde naar Noord-Amerika en stichtte in 1689 New Rochelle, in de buurt van het huidige New York.

Zuid-Afrika

Een andere groep vertrok naar Zuid-Afrika, waar ze door de Nederlandse heersers verspreid werd om beter te integreren in de bestaande kolonie. Toch valt in Franschhoek, nabij Paarl, duidelijk de Franse sfeer te proeven en staat er een monument en museum voor de hugenoten. De Afrikaners (voor ongeveer een vijfde) en kleurlingen van Zuid-Afrika stammen voor een niet onbelangrijk deel van de hugenoten af, met achternamen als Terblanche, Pienaar, Trichardt, Viljoen, De Klerk, Marais, Cilliers, Du Plessis, Du Preez, De Villiers, Du Toit, Boshoff, Jacobs, Malherbe, Labuschagne, Du Pisanie, Retief, Malan, Cronjé, Naudé, Fouché, Viljee, De la Rey enzovoort. Hun invloed in de ontstaansgeschiedenis van de genoemde twee aanverwante groepen in Zuid-Afrika, die verder met name van Nederlanders, Duitsers, inheemse Khoisan en Oosterse slaven (India, Indonesië, Madagaskar) afstammen, was verhoudingsgewijs veel groter dan hun aantal, doordat ze in tegenstelling tot de andere groepen vooral uit de bourgeoisie en zelfs de aristocratie kwamen. Zuid-Afrika heeft onder andere het ontstaan van haar wijncultuur in grote mate aan de aldaar gevestigde hugenoten te danken. De hugenoten die naar Amerika en Afrika vluchtten, waren echter in de minderheid.

Nederland

Verreweg de meesten vertrokken naar Pruisen, Engeland en vooral naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zo’n 12.000 hugenoten kwamen in Amsterdam maar ook in Leiden en Groningen terecht. Aldus was rond 1700 ongeveer 6% van de Amsterdammers Frans; er waren Franse buurten en kroegen en een Franse kerk (de Waalse kerk).

Onder de duizenden vluchtelingen waren Franse officieren, die in dienst waren geweest van Lodewijk XIV, en 91 van hen werden in door prins Willem III in het Staatse leger opgenomen. Uit het oorlogsbudget werd 100.000 gulden voor het onderhoud van deze officieren bestemd. Na enkele maanden moest dit bedrag al verhoogd worden omdat er nog ruim 200 officieren werden opgenomen. Groningen moest, zoals alle provincies, hiervoor een bijdrage leveren, maar verbond er op 24 december 1685 de voorwaarde aan dat de betreffende officieren dan in Groningen moesten wonen. Zo werden twee compagnieën gevormd, elk van zestig militairen. In november 1686 was er een watersnood in Groningen; de militairen moesten hulp bieden om de zeedijken te herstellen.
In 1688 ging Willem III naar Engeland en nam daarbij veel Franse officieren mee, maar niet de officieren uit Groningen, die het noorden moesten verdedigen tegen een eventuele inval van de Denen. Op 17 mei 1689 werden de compagnieën ontbonden. Willem III vocht in 1690 in de Slag aan de Boyne en veel Franse officieren bleven daarna in Ierland wonen.

Andere hugenoten kwamen terecht in het boekenvak, omdat dit gilde vreemdelingen toeliet. Van de 230 uitgevers die Amsterdam tussen 1680 en 1730 telde, waren er 80 hugenoots. De kerken die ontstonden uit deze groepen van vluchtelingen werden bekend onder de naam "Refuge".
Er kwamen ook Fransen in Groningen, Utrecht en Leiden studeren, ook al voordat het Edict van Nantes werd herroepen. Sommigen promoveerden en werden hoogleraar. Jacques Loisel werd hoogleraar in 1667 en was verantwoordelijk voor het opzetten van de universiteitsbibliotheek.

Suriname

Vanuit Nederland zijn ook enkele families naar Suriname getrokken. Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck had in 1683 van de West-Indische Compagnie een derde deel van de kolonie Suriname gekocht en werd door de twee partners (de stad Amsterdam en de WIC) tot gouverneur benoemd. Suriname was zwaar verwaarloosd toen hij daar in 1683 aankwam want er was in 1678 een Indianenopstand geweest, in de tijd dat Johannes Heinsius gouverneur was. Hij was blij met de immigranten die de plantages weer tot bloei zouden kunnen brengen, hetgeen geschiedde.

In de geschiedenis van Suriname duiken later allerlei namen van Hugenoten op. Wigbold Crommelin werd er gouverneur. Zijn huis staat nog in Paramaribo. Jean André Tourton werd raadslid in den Hove van Politie en Criminele Justitie. Een andere Hugenoot was luitenant Daniel Digues de la Motte, maar zijn enige zoon overleed kinderloos waarmee die tak van de familie uitstierf.

Literaire verwerking[bewerken]

Het verhaal van een Surinaamse hugenotenfamilie wordt beschreven in de historische roman De stille plantage (1931) van de Surinaamse schrijver Albert Helman en veel later ook in Ma Rochelle Passée, Welkom El Dorado (1996) van Cynthia McLeod. In 1964 heeft de Nederlandse auteur Jan Overduin zijn roman Tragedie in Toulouse aan de hugenoten gewijd. Andere literaire werken over de Hugenoten zijn "De Hugenoten, hun lijden en Strijden" (1885)van de hand van Pieter Vergers, "De kinderen van de Hugenoot" van P.J. Andriessen en het boek "Jan Taffijn, de man Gods: een prediker uit de dagen der hervorming" door T.J. Servatius (Marnix-Stichting, 1941)'.

Namen[bewerken]

Dat sommige Nederlanders een hugenootse achtergrond hebben, is soms alleen bekend door de Nederlandse schrijfwijze van de Franse achternaam: Filippo (Philipeau), Plessius (du Plessis), Pieket (Picquet), Blansjaar (Blanchard), Dusseljee (in plaats van Du Cellier), de Jeu (du Jeu), Fremouw (Fremaux), Morre (Morré), Fransooijs (François), Labrijn (La Brit), Lenoble (Le Noble), Kanaar (Canard), Zuurmond (Sur Mont), de Kool (de Gaulle), Allijn (Alain), Kwant (Quant), Benoist (Benoit) en De Koff (Le Cauf). Ook werd de Franse achternaam wel vertaald: de Liefde (l'Amoureau) of afgekort: Odé (Odde La Valée).

Het Hugenotenkruis[bewerken]

Hugenotenkruis sedert 1688

Het hugenotenkruis dateert uit de zeventiende eeuw, de exacte herkomst is nog steeds een raadsel. Vermoed wordt dat het kruis ontworpen is door edelsmid Maystre uit Nîmes in 1688, drie jaar na de herroeping van het Edict van Nantes. Het kruis was onmiddellijk een succes, omdat het de protestantse gelovigen de mogelijkheid gaf een kruis te dragen dat anders was dan het gehate rooms-katholieke symbool. In het begin werd het hugenotenkruis alleen gedragen door de hugenoten, sinds de 19e eeuw geldt het als algemeen calvinistisch symbool.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Hugenoten in Groningen, Franse vluchtelingen tussen 1680 en 1720, uitgever Wolters, Groningen 1985
  1. Het Edict zegt: ...de ne point faire d’exercices ni de s’assembler sous prétexte de prières ou de culte de ladite religion de quelque nature qu’il soit, sous les peines (...) de confiscation de corps et de biens... of ...geen godsdienstoefeningen te houden, noch samen te komen onder voorwendsel van gebed of cultus van de genoemde religie, van welke aard dan ook, op straffe van confiscatie van lichaam en goed...