Huis van David

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Huis van David is volgens de Hebreeuwse Bijbel het Judese koningshuis dat begon met de regering van koning David in de 11e eeuw v.Chr.. David en zijn zoon Salomo regeerden over het Verenigd Koninkrijk Israël (ca. 1030–930 v.Chr.).

Verlies Israël[bewerken]

Volgens het bijbelboek I Koningen was Salomo ontrouw geworden aan de god Jahweh, die hem uit jaloezie daarop tegenstanders gaf, die hem delen van zijn koninkrijk zouden ontnemen. Uiteindelijk was het Jerobeam, die onder Salomo diende als een soort "minister van openbare werken", die tien noordelijke stammen overhaalde om met het huis van David te breken en hem als koning aan te nemen nadat Salomo's zoon en opvolger Rechabeam het juk op de bevolking niet wilde verlichten. Deze afscheiding gebeurde volgens I Koningen zonder burgeroorlog, omdat Jahweh de twee zuidelijke stammen (Juda en Benjamin) die trouw gebleven waren het Huis van David verbood om tegen hun "Israëlitische broeders" ten strijde te trekken.[1] Het noordelijke "Tienstammenrijk" werd het Koninkrijk Israël, ook wel bekend als Samaria (naar de latere hoofdstad), tot het in 722 v.Chr. werd veroverd door het Nieuw-Assyrische Rijk. Het zuidelijke "Tweestammenrijk" ging voortaan verder onder de naam Koninkrijk Juda, waar Davids nakomelingen bleven heersen tot de inname van Jeruzalem (586 v.Chr.) door het Nieuw-Babylonische Rijk.

Profetieën over herstel[bewerken]

In de eeuwen erna verwachtten de profeten iemand uit het huis van David die het koninkrijk weer zou herstellen en de 'heidenen' zou onderwerpen. Dit zou de messias zijn. Volgens het Nieuwe Testament behoorde Jezus tot het Huis van David. Tijdens de Joodse oorlog van 66 tot 70 vermoordden de Romeinen iedereen die ze ervan verdachten tot het huis van David te behoren.

Bronnen, noten en/of referenties