Hunebed
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Een hunebed of dolmen is een megalithische (Grieks: mega = groot, lithos = steen) steenkamer uit de prehistorie die bestaat uit staande draagstenen, overdekt door platte dekstenen.
Inhoud |
Terminologie en etymologie[1][bewerken]
Volgens Van Dale is een dolmen een Frans megalithisch bouwwerk, en een hunebed een Nederlands-Deens megalithisch bouwwerk. In de Nederlandstalige wetenschappelijke literatuur komt men beide termen tegen.
- Dolmen wordt vooral in Vlaanderen gebruikt en ontleent zijn gebruik uit de Angelsaksische en Franse wetenschappelijke literatuur. Het woord zou door onderzoekers van eind 18e eeuw ontleend zijn aan het Keltische taol, wat tafel betekent en maen of men wat steen betekent. Men meende in die tijd immers dat dolmens en menhirs Keltische cultuurelementen waren.
- Hunebed is als woord ouder. In het boek van Johan Picardt (zie "Literatuur") heten de hunebeden "steenhopen gebouwd door grouwsamen barbarische en wreede reusen, huynen, giganten". Deze visie was in overeenstemming met de toenmalige orthodoxe Bijbeluitleg waarin vóór de Zondvloed "reuzen op aarde waren".[2] Picardt heeft het consequent over steenhopen, maar de term "huynen" beklijfde en in 1685 noemde Titia Brongersma de steenhoop "hunebed".
In het dagelijkse taalgebruik blijken de termen hunebed en dolmen grotendeels synoniem, en zijn voor Nederlanders de dolmens van Bretagne gewoon Franse hunebedden. In dit artikel worden dan ook beide termen gebruikt.
Bij archeologen is er evenwel een strekking om beide woorden niet als synoniem te gebruiken aangezien de hunebedden in Noordoost-Nederland, Noordwest-Duitsland en Denemarken andere kenmerken hebben (de ingang is aan de lange zijde) en door een andere cultuur gebouwd zijn dan de dolmens in grote delen van Frankrijk en België (allée couverte). De term hunebed wordt dan gereserveerd voor dat soort megalithische bouwwerken die in Noord-Europa voorkomen en gebouwd zijn door mensen van de Trechterbekercultuur. Een hunebed is een nadere precisering van de meer algemene benaming dolmen.
Bouw[bewerken]
Het bouwwerk bestaat uit rechtopstaande grote stenen ("zuilen" of "draagstenen") waarop platte dekstenen rusten. Doorgaans staan de draagstenen grotendeels op evenwijdige lijnen.
Veel kleine stopstenen (in Nederland vaak door de mens gespleten zwerfkeien) vulden ooit de tussenruimtes op, maar deze zijn over het algemeen verdwenen, evenals de dekheuvel van aarde en/of plaggen. Een ingang bevindt zich bij hunebedden meestal aan de zuidkant van de steenkamer. In Nederland gebruikte men zwerfstenen als bouwmateriaal, in andere landen de lokale steen (in België bijvoorbeeld puddingsteen). Op het Duitse eiland Sylt bleek het hunebed Denghoog zorgvuldig met klei en platte stenen afgedekt te zijn, met daarover weer zand en aarde, zodat de kamer bij de opgraving in 1868, circa 5000 jaar na het laatste gebruik, nog volledig intact en droog was.
In Nederland zijn de hunebedden van oost naar west gesitueerd.[3][4] Deze oriëntering is mogelijk astronomisch bepaald: er is een verband met de opkomstpunten van de maan voorgesteld.[5]
Geschiedenis[bewerken]
Hunebedden en vergelijkbare megalithische bouwwerken die door mensen zijn gemaakt, zijn te vinden langs de kusten van heel West-Europa, van Portugal tot Denemarken en in Groot-Brittannië en Ierland. Sommige hunebedden zijn aan de binnen- en/of buitenkant voorzien van inscripties of versierselen die in de steen gebeiteld zijn.
Gestructureerd onderzoek naar hunebedden werd in Nederland pas in de eerste helft van de twintigste eeuw uitgevoerd. De bekendste van de onderzoekers is professor Van Giffen. Hij is ook verantwoordelijk geweest voor de officiële nummering van de hunebedden in Nederland.
Veel hunebedden zijn in de loop van de eeuwen vernield om de stenen te gebruiken als bouwmateriaal voor bijvoorbeeld wegen, kerken, huizen en dijken.
De hunebedden in Nederland zijn gebouwd in de nieuwe steentijd, het Neolithicum, van 3450 tot circa 3250 v.Chr., maar ze zijn gebruikt tot circa 2850 v.Chr. Dit valt onder andere af te leiden uit het gebruikte aardewerk, waaronder de gedurende de gehele periode gebruikte trechterbeker. Vandaar dat we de hunebedbouwers beschouwen als vertegenwoordigers van de Trechterbekercultuur. Volken van deze cultuur vormden vanwege hun grote verspreidingsgebied waarschijnlijk geen homogeen geheel. Van hun geschiedenis is zeer weinig bekend.
Een Hunebed is volgens de gangbare theorie een prehistorische grafkamer. Men vindt vaak brandsporen in en bij hunebedden. Het vuur speelde een rol bij de dodencultuur van de hunebedbouwers. De doden worden in gestrekte, zittende of in gehurkte houding bijgezet en vergezeld met grafgiften. Men heeft in bijna alle hunebedden grote hoeveelheden aardewerk en andere voorwerpen gevonden. Het aardewerk bestaat uit sterk versierde platte schalen, kommen, grote potten, bekers en flesjes. De versieringen bestonden uit diep ingedrukte ornamenten. Ook wapens worden veelvuldig aangetroffen zoals hamers en bijlen en verder pijlpunten, messen en krabbers van vuursteen. Er worden heel weinig menselijke resten gevonden en dit wijt men aan de zure bodemgesteldheid in Nederland: skeletten kunnen er volledig in vergaan. Lijfsieraden zijn ook weinig gevonden. Van de gevonden sieraden zijn de kralen van barnsteen en git (gagaat) en veelal geïmporteerd en karakteristiek voor steentijdculturen van Engeland, Frankrijk en ook Midden-Europa. In Nederland komt het oudste metaal (koper) uit een hunebed bij Buinen, gevonden in 1927 door Van Giffen. De spiraalvormige kralen die uit dit koper waren gemaakt, worden gedateerd rond 2500 v.Chr., hoewel de hunebedden ouder zijn. Ook in Odoorn is koper gevonden in een hunebed. De kralen zijn te zien in het Drents Museum te Assen.
Bouwploeg-hypothese[bewerken]
Om de regionale verschillen in bouwwijze te verklaren is de zogenoemde "bouwploeg-hypothese" bedacht. Deze hypothese stelt dat hunebedden niet uitsluitend door de lokale bevolking werden gebouwd, maar door regionale ploegen van specialisten. Afhankelijk van het voorhanden zijnde materiaal en arbeidskracht werd dan een type hunebed gebouwd in de stijl waaraan die bouwploeg gewend was. Zo ontstaan regio's waarin verschillende types dominant zijn.[bron?]
Hunebedden in Nederland[bewerken]
De hunebedden in Nederland vormen de meest westelijke uitloper van het territorium van de Noordelijke megaliet-cultuur, die verder doorloopt tot in Oost-Duitsland. Qua stijl en locaties vertonen ze grote overeenkomsten met de hunebedden in Sleeswijk-Holstein, Noordrijn-Westfalen en met name het Eemsland.
Van de 54 hunebedden die men nu nog kan zien in Nederland staan er 52 in de provincie Drenthe. De andere twee staan in de provincie Groningen: één bij Noordlaren, enkele meters over de grens met Drenthe, de andere in een museum in Delfzijl. Deze laatste werd in de jaren '80 van de twintigste eeuw gevonden bij een opgraving in Heveskesklooster.
Van de 52 hunebedden in Drenthe ligt het grootste hunebed bij Borger (hunebed D27). Hier liggen in totaal dertien hunebedden bij elkaar. In 2010 wordt een bodemscan gemaakt.[6] Vlak naast het grootste hunebed is het Hunebedcentrum gebouwd waar veel informatie over de prehistorie is te verkrijgen. In het Drents Museum in Assen is er ook veel te zien over de hunebedden en hun bouwers/cultuur.
Het langste Nederlandse hunebed is hunebed D43, dat op de Schimmeres bij Emmen ligt. Dit hunebed wordt wel het Langgraf genoemd, hoewel dat eigenlijk de type-aanduiding is. Hunebedden met een eigen naam zijn onder andere de Papeloze kerk (D49) bij Schoonoord, 's Duvels kut (D17) bij Rolde en de Stemberg (D13) bij Eext.
Aan de voet van de Havelterberg bij Darp liggen twee hunebedden, waarvan één het op een na grootste hunebed van Nederland is (D53) met een lengte van bijna achttien meter.
In het noordwesten van Duitsland bevinden zich enkele honderden hunebedden, waarvan vele met rust zijn gelaten en sommige veel groter zijn dan de Drentse.
De stenen waarvan de hunebedden zijn gebouwd zijn zwerfstenen, afkomstig uit Scandinavië die naar het zuiden zijn gevoerd door het oprukkende landijs tijdens een ijstijd. Toen het ijs aan het eind van de ijstijd smolt, bleven de meegevoerde stenen achter.
In de middeleeuwen was er geen aandacht voor de hunebedden. Dat blijkt onder andere uit de omstandigheid dat de megalithische steenhopen geen naam hadden; men sprak van "steenhopen".[7] In de 17e eeuw kreeg het hunebed voor het eerst aandacht; de Coevordense predikant Johan Picardt publiceerde in 1660 zijn "Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteiten Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe". Er was geen sprake van systematisch onderzoek en nog minder van bescherming. Tal van hunebedden werden verwoest omdat men de kleingeslagen stenen als verharding van wegen kon gebruiken. Eind 18e en begin 19e eeuw werden stenen van diverse hunebedden weggehaald en aangewend voor de versterking van de zeedijken.
In de loop van de negentiende eeuw nam de belangstelling voor hunebedden, en voor het verleden in het algemeen, toe, en werden ze beschermd. Ook werden ze een vast onderdeel van de geschiedenislessen in Nederland. Zo vormen ze sinds 2004 het eerste venster van de Canon van Nederland.[8] Ook kregen ze, net als megalithische monumenten elders ter wereld, pseudowetenschappelijke belangstelling. Zo werd in 1978 een boek[9] gepubliceerd waarin de hunebedden met "laserstralen en anti-zwaartekracht" gebouwd heten te zijn. Hunebedden worden ook met vliegende schotels, aardstralen en witte wieven in verband gebracht.
Typen[bewerken]
Er zijn in Nederland vijf typen hunebedden:
- Het ganggraf, zoals D45 in de Emmerdennen, waarvan de toegang meestal bestaat uit twee paar zijstenen waarop een deksteen rust. In het algemeen is er een ovaalvormige/niervormige steenkrans of resten hiervan.
- Het portaalgraf,zoals D1 bij Steenbergen, waarvan de ingang bestaat uit één paar zijstenen.
- Het langgraf, zoals de D43 op de Schimmeres bij Emmen, bestaande uit twee portaalhunebedden met één dekheuvel.
- Het trapgraf, zoals de D13 in Eext, waarvan de toegang bestaat uit een trap met vier treden.
- Het verlengde dolmen, waarbij de ingang zich aan de korte kant bevindt, zoals bij het laatst gevonden hunebed G5 bij Heveskesklooster.
Dolmens in België[bewerken]
In België staan dolmens op de volgende plaatsen: Ronse, Kluisbergen, Velzeke, Duisburg, Virginal-Samme, Helshoven (restant), Leval-Trahegnies (restant), Fagnolle, Jemelle, Sart-lez-Spa, Bleid, Chassepierre, Forrières, Harré, Jamoigne, Malempre, Membre, Mousny-lez-Ortho, Gomery.[10]
De twee bekendste Belgische dolmens staan in Wéris.[11] [12] [13]
Dolmens te Wéris[bewerken]
De twee dolmens bij Wéris (Dolmen van Wéris en Dolmen van Oppagne) zouden gebouwd zijn door de Seine-Oise-Marne-cultuur (SOM) in het laat-neolithicum. [14] Gezien de gevonden beenderresten zouden ze zijn gebruikt als begraafplaatsen. De dolmens, de menhirs en sommige natuurlijke stenen rond Wéris zijn op lijnen geplaatst over de betekenis waarvan druk gespeculeerd wordt.[15]
Verschillen van de SOM-megalietgraven met die van de TRB zijn:
- De SOM megalietgraven zijn over het algemeen veel kleiner dan de TRB hunebedden
- De dolmens van Wéris zijn gemaakt van puddingsteen, een in de streek veelvoorkomend sedimentgesteente, een mengsel van kiezel en zandsteen. Deze blokken steen zijn tot 4 kilometer verplaatst.
- De dolmens hebben als toegang een in de korte zijde uitgehakte opening, het zogenaamde zielengat.
Ouderdom dolmens Wéris[bewerken]
De Seine-Oise-Marne-cultuur kan (minimaal) ca. 2500 v.Chr. gesitueerd worden.[16] Een tijdstabel[17] stelt de SOM cultuur op één lijn met de Trechterbekercultuur (3400-2900 v.Chr.), de Vlaardingencultuur (3500-2500 v.Chr.) en de Steingroep (zie boven; 2800 v.Chr.) allen in het laat-neolithicum.
- Beide dolmens bij Wéris vertonen de uiterlijke kenmerken van de dolmens zoals gebouwd door de SOM-cultuur.
- Bij opgravingen in de dolmens zijn potscherven en stenen pijlpunten gevonden die typisch zijn voor de SOM-cultuur
- De gevonden beenderresten wijzen erop dat er vroeger mensen in begraven zijn. Met de C14-methode is de ouderdom van de beenderresten bepaald. Deze bleek in de eerste helft van het derde millennium v.Chr. te liggen, dus 3000-2500 v.Chr.[18][19]
- Ook zijn er potscherven gevonden van de Klokbekercultuur (2700-2100 v.Chr.) die men heeft kunnen dateren tussen 2870 en 2300 v.Chr.
Hoogstwaarschijnlijk is het zo dat deze monumenten vóór 2900 v.Chr. door mensen van de Seine-Oise-Marne-cultuur zijn opgericht en door de Klokbekerbevolking zijn hergebruikt.
Een datering van 2500 v.Chr. tot zelfs maximaal 3500 v.Chr. is dus mogelijk. De dolmens bij Wéris zouden dan 4500 tot maximaal 5500 jaar oud zijn, mogelijk even oud als de Nederlandse.
Hunebedden elders op de wereld[bewerken]
- Psynako 1, gedateerd ca 2320 v. Chr. aan de Zwarte Zee, waarschijnlijk gebouwd door de Jamnacultuur.
- In Zuid-Korea staan vele honderden hunebedden[20] onder andere in Gochang, Hwasun en Ganghwa. Deze zijn gebouwd door een megalithische cultuur vanaf het eerste millennium v. Chr. Ze behoren thans tot het Werelderfgoed.[21]
Megalieten[bewerken]
In heel Noordwest-Europa vindt men menhirs, grote staande stenen die door mensen zijn opgericht, variërend in grootte van enkele meters tot soms wel twintig meter. Maar ook grotere verbanden van een paar tot honderden grote stenen (megalieten) vinden we in Europa: steenringen en steenrijen. Met name bij het Franse Carnac en in Ierland en Groot-Brittannië (Stonehenge) zijn deze te vinden. Hun betekenis is niet altijd duidelijk; vaak zijn ze ook van een andere cultuur dan de Trechterbeker-cultuur.
Kinderen[bewerken]
- Hunebedden waren volgens het volksgeloof plekken waar kinderen uit tevoorschijn zouden komen.[22]
Zie ook[bewerken]
- Lijst van hunebedden in Nederland
- Titia Brongersma (opgraving Borger in 1685 en gedicht "Lof op 't hunebed, of de ongemene, opgestapelde steenhoop te Borger in Drente" (1686))
- Canon van Groningen
- Canon van Nederland
- Hunebedplaatsen Gochang, Hwasun en Ganghwa
- Poulnabrone Dolmen
- Grafheuvel
Literatuur[bewerken]
- Johan Picardt, Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteiten Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Met twaalf etsen van Gerrit van Goedesbergh. Amsterdam (1660)[23] heruitgaven in 1975 (als relatiegeschenk) en in 2008.
- Herman Clerinx, Kathedralen uit de steentijd: hunebedden, dolmens en menhirs in de Lage Landen . Uitgeverij Davidsfonds, Leuven, 2001.
- In de Drentse literatuur komt het hunebed regelmatig voor. Zie: Geschiedenis van de Drentse literatuur.[24]
- E. van Ginkel, S. Jager en W. van der Sanden Hunebedden, Monumenten van een Steentijdcultuur (2005) 2e druk, Uitgeverij Uniepers, ISBN 90-6825-333-6
Externe links[bewerken]
- (nl) Hunebedden in Nederland, foto's en beschrijvingen van en het verhaal achter alle 54 hunebedden in Nederland
- (nl) Google Maps kaart met alle 53 nog bestaande Nederlandse hunebedden
- (nl) Hunebed
- (de) Stonepages
- (en) Hunebed foto's door Robert Triest
- (nl) Zeldzame korstmossen op hunebedden
- (nl) Hunebed Centrum Borger
- (nl) Hunebedden Wijzer - gids voor de hunebedden in Drenthe
Bronnen, noten en/of referenties
|
