I Vow to Thee, My Country

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

I Vow to Thee, My Country is een Brits patriotisch lied dat geschreven is door Sir Cecil Spring-Rice, op muziek van Gustav Holst.

Geschiedenis[bewerken]

Het lied is gebaseerd op het door Cecil Spring-Rice geschreven gedicht Urbs Dei (De stad van God), dat hij in 1908 schreef toen hij als diplomaat werkte op de Britse ambassade in Stockholm. Het gedicht beschrijft een christen, die zowel zijn vaderland als het Koninkrijk Gods trouw is. De tekst is gedeeltelijk gebaseerd op het motto van de Spring-familie, waar Spring-Rice een afstammeling van was. De eerste strofe had oorspronkelijk een openlijk patriottisch standpunt, dat typisch was voor gedichten van voor de Eerste Wereldoorlog.

In 1912 werd Spring-Rice ambassadeur in de Verenigde Staten, waar hij de regering van Woodrow Wilson ertoe probeerde te bewegen zijn neutraliteit op te heffen en het Verenigd Koninkrijk te steunen in de oorlog tegen Duitsland. Nadat de Verenigde Staten betrokken raakten bij de oorlog, werd Spring-Rice teruggeroepen naar Engeland. Kort voor zijn vertrek uit de VS in januari 1918, herschreef en hernoemde hij Urbs Dei waarbij hij de eerste strofe liet concentreren op de grote verliezen die de Britse soldaten hadden geleden. Volgens Cecil's kleindochter hoorden de drie strofen niet bij elkaar; het originele gedicht bestond uit strofe twee en drie, de aangepaste versie uit strofe één en drie.

De eerste en zelden gezongen tweede strofe refereren naar het Verenigd Koninkrijk en naar de offers van de gesneuvelde Britse soldaten in de Eerste Wereldoorlog in het bijzonder. De laatste strofe is een verwijzing naar de hemel. De laatste zin is gebaseerd op Spreuken 3:17, die in de King James bijbel luidt: Her ways are ways of pleasantness, and all her paths are peace. (Haar wegen zijn liefelijke wegen, al haar paden zijn vrede.)

Melodie[bewerken]

In 1921 gebruikte Gustav Holst de muziek van een sectie van het deel Jupiter uit zijn suite The Planets als melodie voor het gedicht. De muziek werd iets verlengd zodat die precies paste bij de laatste twee regels van de eerste strofe. Op verzoek van uitgever Curwen maakte Holst een unisono versie met orkest (Curwen publiceerde eerder al Hubert Parry's unisono lied met orkest, Jeruzalem). Het werd waarschijnlijk in 1921 voor het eerst uitgevoerd en het werd al snel een veelgebruikt lied bij begrafenissen in het Interbellum, in het bijzonder toen het in 1926 als hymne werd uitgegeven. Holst harmoniseerde de melodie om het lied geschikt te maken als hymne en het werd in dat jaar met dezelfde tekst, maar met een melodie genaamd Thaxted, opgenomen in de Song of Praise. De redacteur van de nieuwe versie van Songs of Praise was Holsts goede vriend Ralph Vaughan Williams, die hem wellicht heeft gestimuleerd de hymne te maken.

Holsts dochter Imogen heeft later gezegd dat Holst op het moment dat hem werd gevraagd om deze woorden op muziek te zetten, hij zo overwerkt en moe was hij hij zich opgelucht voelde toen hij ontdekte dat ze de melodie van Jupiter gemonteerd hadden.

Tekst en Nederlandse vertaling[bewerken]

I vow to thee, my country, all earthly things above,
Entire and whole and perfect, the service of my love;
The love that asks no question, the love that stands the test,
That lays upon the altar the dearest and the best;
The love that never falters, the love that pays the price,
The love that makes undaunted the final sacrifice.
I heard my country calling, away across the sea,
Across the waste of waters she calls and calls to me.
Her sword is girded at her side, her helmet on her head,
And round her feet are lying the dying and the dead.
I hear the noise of battle, the thunder of her guns,
I haste to thee my mother, a son among thy sons.
And there's another country, I've heard of long ago,
Most dear to them that love her, most great to them that know;
We may not count her armies, we may not see her King;
Her fortress is a faithful heart, her pride is suffering;
And soul by soul and silently her shining bounds increase,
And her ways are ways of gentleness, and all her paths are peace.
Ik beloof u, mijn land, boven al het aardse,
Volledig en geheel en perfect, de dienst van mijn liefde;
De liefde die geen vraag stelt, de liefde die de test doorstaat,
Dat ligt op het altaar van de liefste en de beste;
De liefde die nooit hapert, de liefde die haar prijs betaalt,
De liefde die onverschrokken het ultieme offer brengt.
Ik hoorde mijn land roepen, aan de andere kant van de zee,
Over de verspilling van water roept en roept ze me.
Haar zwaard hangt aan haar zijde, haar helm op haar hoofd,
En rondom haar voeten liggen de stervenden en de doden.
Ik hoor het geluid van oorlog, the bliksem van hun geweren,
Ik haast me tot u mijn moeder, een zoon onder uw zonen.
En er is een ander land, waar ik van heb gehoord,
Het liefdevolst aan hen die haar liefhebben, meest geweldig aan hen die haar kennen;
We kunnen haar legers niet tellen, we kunnen haar Koning niet zien;
Haar fort is een trots hart, haar trots lijdt;
En ziel aan ziel en zachtjes worden haar grenzen vergroot,
En haar wegen zijn lieflijke wegen, al haar paden zijn vrede.


Gebruik[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties