Ich hatte viel Bekümmernis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ich hatte viel Bekümmernis (BWV 21) is een religieuze cantate van Johann Sebastian Bach.

Programma[bewerken]

Deze cantate werd geschreven voor de 3e zondag na Trinitatis, maar ook per ogni tempore m.a.w. uit te voeren op iedere zon- of feestdag van het kerkelijk jaar. De eerste uitvoering vond ongetwijfeld op zondag 17 juni 1714 te Weimar plaats. Daarna mogelijk op 13 juni 1723 te Leipzig. Deze cantate behoort tot de eerste cantatejaargang. Zie ook de cantatekalender.

De tekst van de cantate heeft verband met de evangelielezingen van die zondag:

  • 1 Petrus 5, 6-11 (de God van alle genade, die u geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid in Christus, zal u na een korte tijd van lijden zelf toerusten, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de kracht in alle eeuwigheid! Amen)
  • Lucas 15, 1-10 (Zo zeg ik u, geschiedt er vreugde voor het aanschijn van Gods engelen over één zondaar die tot omkeer komt); over het verdwaalde schaap als metafoor voor de bekommerde en verloren mens.

Tekst[bewerken]

De tekst is vermoedelijk van de hand van Salomo Franck.

  • Eerste deel
    • Sinfonia
    • Koor: "Ich hatte viel Bekümmernis"
    • Aria (sopraan): "Seufzer, Tränen, Kummer, Not"
    • Recitatief (sopraan): "Wie hast du dich, mein Gott"
    • Aria(sopraan): "Bäche von gesalzenen Zähren"
    • Koor (met solo sopraan, alt, tenor en bas): "Was betrübst du dich, meine Seele"
  • Tweede deel
    • Recitatief (sopraan, bas): "Ach, Jesu, meine Ruhe"
    • Duet (sopraan, bas): "Komm, mein Jesu"
    • Koor (met solo sopraan, alt, tenor en bas): "Sei nun wieder zufrieden"
    • Aria (sopraan): "Erfreue dich, Seele"
    • Koor: "Das Lamm, das erwürget ist"

Muzikale bezetting[bewerken]

Trompet 1, 2 en 3; pauken; hobo; viool 1 en 2; altviool en basso continuo (inbegrepen violoncello, fagot en orgel); in de Leipziger versie trombonen toegevoegd aan koorstemmen indeel 9.

Toelichting[bewerken]

De cantate is samengesteld uit twee delen. Het eerste deel zong men voor de preek, het tweede deel erna. Dat verklaart de plotse opkomst van de Jezusfiguur in deel 7.

Het woord "Seele" komt geregeld voor in deze cantate. In Bachs tijd is de ziel meer dan het huidige begrip psyche, namelijk het symbool van de mens in de kern van zijn bestaan, waar de wezenlijke emoties huizen van angst en vertrouwen, wanhoop en hoop, geloof en ongeloof.

Afsluitend geen koraal maar een indrukwekkend slotkoor in C majeur. In de begeleiding wedijveren de groepen pauken en trompetten met de hobo's en strijkers in vrolijkheid. Alle stemmen (schelle trompetten, cimbalen, strijkers, orgel en koor) zetten zich in voor een gejubel en een halleluja van algemene vreugde voor het Lam Gods.

Volgens biograaf Christoph Wolff werd het libretto voor deze cantate geschreven door de dichter Salomo Franck

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

Externe link[bewerken]