IJzeroer
IJzeroer zijn grotere, verharde ijzer(hydr)oxideconcreties, die al vele eeuwen geleden in Nederland van dicht onder het maaiveld werden gedolven om te gebruiken als grondstof voor de ijzerproductie. Andere (veel) minder gebruikte namen zijn ijzeroersteen, ijzermaal, ijzersteen, bruinijzersteen, bruinijzererts, moeraserts, moerasijzererts, moddererts, poelerts, velderts, weideerts en zodenijzersteen.
Inhoud |
[bewerken] Geschiedenis
[bewerken] Romeinse tijd
Al in de Romeinse tijd werd in Oost-Nederland, bijvoorbeeld bij het huidige Colmschate bij Deventer ijzer geproduceerd. Moerasijzererts (ijzeroer) werd bij beekdalen of andere laag gelegen plaatsen in het landschap gedolven. Vervolgens werd het soms verhit om het te reinigen, waarna het in kleinere brokken werd geslagen. In ovenkuilen van circa 50 cm doorsnee met daar op een van leem gemaakte schacht met luchtgat, smolt men met behulp van hout en houtskool het niet ijzergedeelte van het erts, dit werd bij 1200 graden celsius vloeibaar en liep dan onderin de ovenkuil. Het ruwijzer, 'wolf' genaamd, bleef als een vaste poreuze massa achter in het bovenste gedeelte van de kuil. De smid haalde vervolgens door herverhitten de restjes houtskool en andere verontreinigingen uit het ruwijzer dat dan gereed was om tot allerlei gereedschappen en gebruiksvoorwerpen te worden gesmeed.
[bewerken] Middeleeuwen
Voordat de grootschalig werkende ijzerindustrie er was werd in de middeleeuwen vaak ijzer gewonnen uit de zogenaamde 'klapperstenen'.
Klapperstenen bestaan ook uit ijzeroer; echter hier is het ijzerhydroxide afgezet rondom kleilensjes die zich her en der in het zand bevinden. Het ijzeroer wordt de omhulling van de klei. De klei verschrompeld door ouderdom en uitdroging, het ijzeroer blijft achter als een 'klappersteen' over die kan worden gewonnen. Bij schudden hoort men het oorspronkelijke kleibolletje in de klont ijzeroer rammelen, vandaar de naam.
Met name op de Veluwe, maar ook elders op de zandgronden in Nederland (Drenthe, Noord-Brabant) zijn vele ijzerfabriekjes geweest, die in de lokale ijzerbehoefte moeten hebben voorzien. Hiertoe werden sleuven gegraven door de delvers, vaak families, de zogenoemde 'gelukzoekers', op zoek naar 'klappersteen-aders'. Dergelijke sleuven zijn in ieder geval nu nog zichtbaar in Hoenderloo (Park Berg en Bos), bij Paleis Het Loo en bij Hoog Soeren op de Asselse Heide. Er zijn in totaal 82 kilometer van dergelijke handgegraven sleuven bekend. Tussen 700 en 1100 moeten hier tonnen ijzer zijn geproduceerd, waarvan het grootste deel voor de export bedoeld was. De afvalbergen (ijzerslakken) zijn her en der nog te vinden, maar de aftapovens, de ijzerfabriekjes, zelf niet meer. Om een kilo bruikbaar ijzer te verkrijgen, was dertien kilo ijzererts en honderddertig kilo houtskool (gewonnen uit 760 kilo eikenhout) nodig. Het vuur in de ovens werd nog door met de voet aangedreven blaasbalgen aangejaagd. Door concurrentie uit het buitenland kwam rond 1100 aan deze kwalitatief mindere ijzerproductie een eind.[1]
[bewerken] IJzergieterijen
Die geïnteresseerden in ijzeroer waren ijzergieterijen. In Oost-Nederland zijn er maximaal zes geweest. In de omgeving werd vaak een beek opgestuwd, om meer verval te krijgen voor de watermolens waarmee de blaasbalgen van deze ijzergieterijen werden aangedreven. In Duitsland waren dergelijke 'ijzermolens' er al eerder, maar in Doetinchem staat de oudste van Nederland. Deze werd in 1691 gesticht door Josias Olmius, naar Duits voorbeeld. Andere namen voor deze ijzermolens zijn ijzerhutten, hoogovens en oerijzergieterijen. Er zijn slechts vier productieve oerijzergieterijen geweest in Nederland. Ulft (aan de Oude Meulenbeek, start 1754), Deventer (aan de Schipbeek, 1756), Laag Keppel (1794) en Terborg (Akkermansbeek, 1821). Die in Deventer was de grootste oerijzergieterij/hoogoven.
In Duitsland, vlak over de grens stonden nog twee 'ijzerhutten', in Bocholt en Isselburg. Er zijn wel meer ijzermolens geweest, maar die waren niet echt productief en werden snel weer gesloten. Hiertoe behoren die in Doetinchem en één in Zwolle. In de literatuur is sprake van nog enkele andere ijzergieterijen, maar volgens onderzoeker Dekker waren dat slechts vestigingsplannen.[2]
Wat het delven van ijzeroer betreft kennen hele gebieden in Nederland, tot en met in Noord-Brabant en de Eemvallei, een lokale geschiedenis van boeren die 's winters complete weilanden uitgroeven en hun oer - meest op platbodemvaartuigen - over beken en rivieren naar de ijzergieterijen brachten.
[bewerken] Oerijzergieterij te Deventer
De Deventer ijzerindustrie is gesticht in 1756 door Hendrik Lindeman. Hij mocht pas beginnen met het uitvoeren van zijn plannen nadat hij het gemeentebestuur had toegezegd dat hij de Schipbeek zou kanaliseren. De ijzermolen en de blaasbalgen voor de hoogoven werden van energie voorzien door een watermolen of, bij een te kleine water toevoer van de beek, een rosmolen. Al vanaf 1831 werd ook stoomkracht toegepast. In 1800 werd in Deventer tot 500.000 kg/j gietijzer geproduceerd. In 1826 nam de Duitser Nering Bögel de hoogoven over. Door zijn connecties met Duitsland, waar de hoogoven-kennis vandaan kwam, en de Schipbeek die voor een goede verbinding zorgde met de Achterhoekse en Overijsselse gebieden waar veel ijzeroer werd gedolven is het de grootste oerijzergieterij van Nederland geworden. De Raambuurt in Deventer heeft tot in de jaren '50 vele hallen van deze ijzerindustrie gekend. Stoommachines, locomotieven, wielen, brievenbussen, hekken, grafmonumenten, vuurtorens en complete suikerfabrieken voor Nederlands-Indië zijn in Deventer gemaakt, getuige een catalogus uit de jaren '30. Vanaf de 19e eeuw is hier overigens niet alleen ijzeroer, maar ook ijzererts uit het buitenland gebruikt. In 1902 werd de grens van 5 miljoen kg gegoten ijzer gepasseerd. In 1920 werkten er 1000 man in deze fabrieken. In 1932 (de crisisjaren) ging de Deventer gieterij echter failliet omdat ze de concurrentie met andere hoogovens niet meer aankon.
Bij de gerenovatie van de Raambuurt in de jaren 90 zijn veel oude fabrieksgebouwen gesloopt. Een pakhuis en de voormalige modelmakerij, waarin al snel na de bouw een chemielaboratorium werd gevestigd, herinneren nog aan de eeuwenlange aanwezigheid van een ijzerindustrie in Deventer. Het zijn nu beide rijksmonumenten.
[bewerken] Oerbanken
IJzer dat - in opgeloste toestand- in de bodem wordt verplaatst door het grondwater kan in de vorm van roestvlekken zichtbaar zijn. Groeien deze vlekken uit tot grotere, verharde ijzer(hydr)oxideconcreties dan spreekt men van ijzeroer. Dit proces vindt met name plaats in de beekdalgronden van Oost-Nederland, tussen de vele dekzandruggen. Specifieke vormen waarin ijzeroer kan worden aangetroffen zijn klappersteen en als oerbank.
Wanneer bovenstaand proces (de vorming van ijzerconcreties) steeds op ongeveer dezelfde diepte doorgaat, kunnen zogenaamde oerbanken, decimeters dikke samenhangende 'platen', ontstaan. Dit vinden we vooral in bodems waarin duidelijke gleyverschijnselen aanwezig zijn. Dit is het geval in veel van de beekdalen van de dekzandgebieden in Oost- en Zuid-Nederland. Het oer komt soms tot 1m onder het oppervlak. Het ijzer van deze lagen ijzeroer is deels afkomstig van de uitloging van de hogere gronden aan weerszijden van het dal. Bovendien wordt veel ijzer geleverd door de beekjes zelf, vooral wanneer die uit veengebieden komen. Op de Veluwe en in Noord-Brabant zijn nog steeds vele kleine meertjes, gelegen in een gebied met schijnbaar goed doorlatend zand, die slechts bij de gratie van een ondoorlatende bodem bestaan: een oerbank.
[bewerken] Samenstelling
Het oer bestaat slechts voor een deel uit ijzer. Bij oeranalyses, zoals die in de negentiende eeuw nauwkeurig werden gedaan, was het ijzerpercentage vaak 50%, en het zandgehalte vaak 25%. Zie ook de taartdiagram voor andere bestanddelen. Er bestond een behoorlijke variatie. Het oer uit Olst bestond destijds voor meer dan 75% uit ijzer(hydroxide), maar in Ede werd nog geen 30% gehaald. Het ijzer werd destijds vooral gebruikt voor ijzergieterijen, vanwege het hoge gehalte aan fosfor. Voor smeedijzer en staalverwerking was het te bros.
[bewerken] Oerdelven
Het voorkomen van een oerbank onder landbouwgrond was destijds buitengewoon schadelijk en bij houtteelt werkt zo'n oerbank ook zeer nadelig. Het uitgraven of uithouwen van oer verhoogt de waarde van de grond aanzienlijk. In de Sovjet-Unie zijn veel van dergelijke gronden in de jaren '50 en '60 door diepploegen onder handen genomen. Vroeger, in Nederland, was het een voordelige zaak voor de landeigenaren om het oer op kosten van geïnteresseerden te laten opgraven. Ook de boeren konden er in de winter extra mee verdienen. Het oer werd, nadat het uitgegraven was, per aak of boerenkar naar de smelterij gebracht. Het graven, door boeren en dagloners, werden per mand oer betaald.
[bewerken] Verwerking en de hoogovens
Het aangevoerde oer onderging twee voorbewerkingen: kloppen (het erts kleiner maken) en het wassen (het zand en het klei er uithalen). Na eventuele menging van armere ertsen met rijkere ertsen kon het erts de hoogoven in. Van de kolenbranders kwam houtskool. Samen met kalksteen (uit Winterswijk), werd het erts en de houtskool verhit. Het kalk bindt de verontreinigingen. De verhoudingen waren steeds ongeveer 320 kg houtskool, 18 kg kalk en 265 kg oer. Het omsmelten gebeurde in de 19e eeuw het hele jaar door, 24 uur per dag. Daarvoor was dat slechts zes maanden. Alleen in de zomers moest de eigenlijke hoogoven opnieuw opgemetseld worden. Hiervoor werd Bentheimer zandsteen gebruikt. Bij het smelten zakt het ijzer naar beneden, het zand blijft daarop drijven. In één dag kon 2500 kg ijzer geproduceerd worden, met een gehalte van 92% ijzer.
[bewerken] Het gieten
Twee tot drie maal per dag kon het ijzer uit de hoogoven worden gehaald. Met ijzeren lepels (met klei bestreken), of door een goot, kon het ijzer in de gietvormen worden gegoten. De gietvormen waren tevoren in de grond ingegraven. Meestal werd 'vormzand' voor de gietvormen gebruikt, afkomstig uit 'de Mengelenberg' bij 's Heerenberg.
[bewerken] Literatuur
- A. Dekker: De Oostnederlandse Hoogovens (overdruk uit 'metalen', jaargang VIII 1953, nummers 19 t/m 24).
- B.S. Kapsenberg: Uit IJzer gegoten (1982).
- J.I.S. Zonneveld: Levend Land; de geografie van het Nederlands Landschap.
- (1933) Catalogus der Publieke Verkooping (- van de N.V. Deventer IJzergieterij en Machine Fabriek voorheen J.L. Nering Bögel & Co te Deventer).
[bewerken] Referenties
[bewerken] Externe links
- IJzeroer op geologievannederland.nl
- Het Nederlands IJzermuseum / De historie van de oerijzergieterij in Ulft (www.nederlandsijzermuseum.nl)
- IJzeroer uit beekdalen (www.drentscheaa.nl)