Imitatie (muziektheorie)
Imitatie [1] (uit het Latijn: imitatio = nabootsing) is, in engere muziektheoretische zin gezien, de herhaling van een muzikaal motief, een frase of thema van de ene 'stem' in een andere 'stem'. De imitatie kan zowel op dezelfde als op een andere toonhoogte plaatsvinden.
Inhoud |
Inleiding [bewerken]
Doorgaans wordt een passage 'imitatief' genoemd, wanneer de herhaalde passage vlak na de originele volgt in een andere stem, of daarmee gedeeltelijk overlapt. Ook wordt de term muiektheoretisch gebruikt voor echo-achtige of dialoogachtige herhalingen tussen afzonderlijke stemmen.[2]
Wanneer het materiaal (het intervalverloop en ritme) van de tweede stem exact dat van de eerste stem nadoet gedurende enige tijd spreekt men van een canon. Als een geheel stuk is gebaseerd op de imitatie van een enkel redelijk omlijnd thema in een sterk tonale context worden ook de termen fuga en fugato gebezigd. [3]
In de muziektheorie wordt de term 'imitatie' dan ook doorgaans gereserveerd voor het incidenteel voorkomen van het middel als stijlelement in polyfone situaties, maar juist vooral in werken die van nature niet direct contrapuntisch of polyfoon geconcipieerd zijn.
Geschiedenis [bewerken]
Imitatie kent een lange geschiedenis. Het kwam reeds voor in de organa van de Notre Dame school (bijvoorbeeld bij Perotinus' "Sederunt"), in de conductus (bijvoorbeeld "Procurans odium") en in motetten ("S'on me regarde/Prenez en garde/Hé mi enfant") en het verschijnt af en toe als organiserende procedure (zoals in de eerste "Tanquam clausula in I-Fl Plut.29.1, f.47v").
De techniek was intrinsiek in bepaalde middeleeuwse vormen, als de Rota (bijvoorbeeld "Sumer is icumen in"), de Italiaanse "Trecento Caccia" en de gerelateerde Franse "Chasse".
In de vroege renaissance was imitatie een van de vele contrapuntische technieken, die bijvoorbeeld door Johannes Ciconia en Hugo de Lantins werden toegepast, maar het werd steeds belangrijker na midden 15e eeuw. De generatie van Josquin Des Prez, Loyset Compère en Heinrich Isaac maakten dat imitatie en basisgereedschap van veel van hun werken, in het bijzonder de paarsgewijze imitatie, werd.
Tegen het midden van de 16e eeuw werd de techniek van 'door-imitatie' (Adriaan Willaert, Clemens non Papa, Nicolas Gombert en Cristóbal de Morales) een belangrijk structureel compositorisch principe.
Gomberts "Super flumina Babylonis" en Giovanni Pierluigi da Palestrina’s "Sicut cervus desiderat" bijvoorbeeld bestaan uit opeenvolgende 'punten' van imitatie, elk met eigen woorden, waarbij elk punt na het vorige als het ware in de staart bijt van de vorige contrapuntische textuur.
Imitatie was een belangrijk organisatieprincipe in de 16e-eeuwse muziek, met name in de vormen als het Capriccio, de Ricercare en de Canzona die niet van dans- of theatrale muziek af waren geleid. Het middel imitatie (apart van canon en fuga) heeft zijn waarde in de muzikale taal behouden als middel om eenheid te scheppen, vooral ook in atonale muziek van de 20e eeuw, maar ook om variatie te scheppen in de weergave van een thema of om een psychologisch effect op de luisteraar te geven.
Imitatie in theoretische geschriften [bewerken]
In geschriften over muziektheorie verscheen imitatie voor het eerst als begrip bij Ramis de Pareia ("Musica practica", 1482), die het zowel bij strikte als vrije herhalingen van intervalopeenvolgingen hanteerde. Pietro Aaron ("De institutione harmonica", 1516) definieerde 'fuga' en 'imitatio' in één alinea alsog ze onderling uitwisselbaar waren, maar later ("Lucidario", 1545) verklaarde hij dat imitatie een qua intervallen niet exacte herhaling hoefde te zijn (terwijl de fuga strenger daarin was).
Gioseffo Zarlino ("Le istitutioni harmoniche", 1558, iii) omschreef imitatie als het bredere spectrum compositietechnieken waarvan de fuga een deelverzameling was: enkel wanneer de tweede stem op perfecte intervallen inzette (unisono, op de kwart en kwint of octaaf) werd door hem de term fuga gehanteerd. Zarlino en andere 16e-eeuwse theoretici gebruikten ook de term 'imitatio' voor de procedure die tegenwoordig als 'parodie' bekend is.
In 1622 definieerde Lodovico Zacconi ("Prattica di musica, seconda parte, iv") duidelijker 'imitatie' zoals het tegenwoordig wordt gebruikt in de muziektheretische betekenis: hij paste het toe in situaties waar de leidende stem gevolgd wordt in meer algemene wijze door een tweede stem die nadoet wat de eerste deed, en Henry Purcells editie van "John Playford’s Introduction to the Skill of Music" (1694) refereert aan imitatie als ‘een klein soort fugering die in enige tonen (globaal intervallen) voor kan komen’. Purcells definitie werd weer tenietgedaan door het onderscheid tussen fuga en imitatie dat Jean-Philippe Rameau maakte in zijn "Traité d’harmonie" (1722), die aanbeval dat de term 'imitatie' diende te worden gebruikt voor beperkte en voornamelijk decoratieve toepassing van het stijlmiddel. Theoretische discussies in de 19e en 20e eeuw gaan dan ook voornamelijk over de historische betekenis als voornaam compositioneel procedé van de renaissance en de barok.
Zie ook [bewerken]
Bronnen, noten en/of referenties
|