Geschiedenis van Zuid-Azië
De geschiedenis van Zuid-Azië (een werelddeel dat tegenwoordig de staten India, Pakistan, Bangladesh, Nepal, Sri Lanka, Bhutan en de Maldiven beslaat) reikt terug tot het 2e millennium v.Chr. Het gebied zag de geboorte van een aantal grote religies waaronder het hindoeïsme, boeddhisme en het sikhisme. Al voor het begin van onze jaartelling dreven de Indiërs handel met andere delen van de wereld, tot in China aan toe. De Indiërs hebben onder andere invloed gehad in het begin van het Khmer-rijk, Java en ook in Funan en Champa. Ook in hedendaags Thailand zijn er verscheidene pre-Tai koninkrijken zoals Haripunchai, Dvaravati en Lopburi die door de Indiërs beïnvloed zijn.
Inhoud |
Prehistorie [bewerken]
Vondsten van Homo erectus bij Hathnora in de Narmadavallei in Centraal India laten zien dat het subcontinent tenminste sinds het Midden-Pleistoceen (200.000 - 500.000 jaar geleden) door mensen bewoond werd.[1][2] De Mesolithische periode duurde op het subcontinent van ongeveer 30.000 tot 5000 jaar geleden. Moderne mensen verschenen ongeveer 12.000 jaar geleden op het subcontinent, na het einde van de laatste ijstijd. De oudste aanwijzingen voor permanente bewoning komen uit de grotten van Bhimbetka in het tegenwoordige Madhya Pradesh en zijn zo'n 9000 jaar oud. De Vroeg-Neolithische Mehrgarhcultuur in Beloetsjistan is zo'n 7000 jaar oud. In de Golf van Khambat zijn onder water sporen van een andere Neolithische cultuur gevonden. Koolstofdatering geeft een ouderdom van 7500 jaar voor deze voorwerpen.[3] Het Laat-Neolithicum viel in de Indusvallei tussen 6000 en 2000 v.Chr. en in Zuid-India tussen 2800 en 1200 v.Chr.
Oudheid [bewerken]
Voor 4000 v.Chr. hadden in de bergen die het Indisch Subcontinent scheiden van Afghanistan gemeenschappen van jager-verzamelaars plaatsgemaakt voor vaste nederzettingen van landbouwers, die bestonden uit hutten van bamboe en leem.[4] De Bronstijd begon op het subcontinent rond 3000 v.Chr..
Harappabeschaving [bewerken]
De eerste significant belangrijke beschaving in het gebied begon met het ontstaan van de Harappabeschaving (vroeger "Indusbeschaving" genoemd). Het bestaan van deze beschaving werd pas in het begin van de 20e eeuw door archeologen ontdekt. Ze bereikte haar bloei tussen 2600 en 1900 v.Chr., in dezelfde tijd als het Oude Rijk in Egypte en de Soemeriërs in Mesopotamië. Vergeleken met deze twee tijdgenoten besloeg de Harappabeschaving echter een veel groter gebied. De kern was de vallei van de rivier de Indus, maar de beschaving strekte zich uit van Gujarat en de Ganges in het oosten tot de Makran in het westen; en van de Arabische Zee tot in Centraal-Azië. Wat rest zijn ruïnes van strak geplande en goed georganiseerde steden. De belangrijkste ruïnes zijn die van Harappa en Mohenjodaro (tegenwoordig beide in Pakistan). Kenmerkend is het gebruik van baksteen. De huizen hadden in enkele gevallen meerdere verdiepingen. Straten en afvoersystemen voor water liepen kaarsrecht. In die tijd moeten het de grootste bevolkingscentra ter wereld zijn geweest; en de mate van stadsplanning was opmerkelijk.[5]
Van de beschaving zijn gebruiksvoorwerpen, gereedschappen, sieraden, artefacten, ceramiek en kleine beeldjes gevonden. De bewoners waren in staat tot het bewerken van koper, brons, lood en tin. Als eersten waren ze in staat door weven uit katoen textiel te maken. De Harrapanen hadden een schrift, dat uit rond de 400 tekens bestaat maar tot op heden onontcijferd blijft. Mysterieuze "zegels" met tekeningen en opschriften zijn teruggevonden tot in Mesopotamië. De naam "Meluhha" in Soemerische inscripties wordt algemeen met de Harappabeschaving geïdentificeerd. De Soemeriërs dreven over zee handel met dit gebied en importeerden onder andere koper, goud, ivoor en katoen.
De strakke planning van de steden en de uniforme maten van wegen, kanalen, gereedschap en bouwmateriaal doen een zekere mate van centraal gezag vermoeden. Ook over de wijze waarop de beschaving georganiseerd was tasten archeologen echter volledig in het duister. Er is vrijwel niets bekend over de religie. Geen enkel gebouw kon als tempel geïdentificeerd worden. Opgegraven menselijke resten laten echter zien dat de bewoners van verschillende etnische komaf waren.[6]
De Harappabeschaving lijkt geleidelijk in verval te zijn geraakt. In de centrale steden langs de Indus zijn aanwijzingen gevonden voor het afnemen van de bevolking en verdwijnen van centraal gezag rond 1900 v.Chr., mogelijk als gevolg van de grote overstromingen die het gebied in die tijd teisterden. Ook verminderde opbrengsten van het land als gevolg van overcultivatie en ontbossing kan een oorzaak geweest zijn voor de leegloop van de steden.[7] In sommige randgebieden echter, zoals Gujarat en het noordoosten van de Punjab, lijkt van een bevolkingsafname geen sprake. In die gebieden verdwijnen na 1900 v.Chr. slechts de zegels met het schrift en de typische Harappa-ceramiek.
Opkomst van de Vedische beschaving [bewerken]
De Vedische beschaving, de tweede grote beschaving in het noorden van het Indisch Subcontinent, ontstond met de komst van nieuwkomers in het noordwesten van het subcontinent, die een Indo-Europese taal spraken. In tegenstelling tot de Harappanen waren deze "arya" (Ariërs) oorspronkelijk semi-nomadische veehouders, die niets van landbouw wisten. De Ariërs hadden echter, in tegenstelling tot de toenmalige bewoners van de Indus-Gangesvlakte, de beschikking over paarden en strijdwagens, die een militair voordeel gaven. Anders dan de Harappanen lieten ze een groot aantal geschreven bronnen achter. Hun taal, het Sanskriet, is de voorloper van de meeste moderne talen in het noorden van het subcontinent. Hoewel de Harappa- en Vedische beschavingen deels in hetzelfde gebied lagen, is nooit duidelijk bewijs voor interactie gevonden. De Ariërs kunnen zich mogelijk in de nederzettingen van de late Harappanen hebben gevestigd, maar de meeste historici plaatsen ongeveer twee eeuwen tussen het einde van de Harappabeschaving en de komst van de eerste Ariërs.[8]
De Arische beschaving kenmerkte zich door gebruik van het Sanskriet; een bevoorrechte priesterklasse die de rituelen leidt (brahmanen); en een in hiërarchische klassen (kasten) ingedeelde samenleving.[9] De oudste Arische geschriften zijn de Veda's, verzamelingen religieuze teksten, voornamelijk hymnes voor offerrituelen. Pas rond 500 v.Chr. werden deze teksten opgeschreven, daarvoor werden ze mond-op-mond doorverteld. De oudste veda is de Rig Veda, die ergens tussen 1600-900 v.Chr. ontstaan moet zijn.[10] Andere, iets minder oude bronnen zijn de Upanishads, Brahmana's en Purana's, die verhalen over de goden, mystieke wijsheden en beschrijvingen van de afstammingen en daden van heersers bevatten. Daarnaast zijn er de twee grote epen van India, de Mahabharata en Ramayana. Al deze teksten hebben nog steeds een belangrijke religieuze waarde voor hindoes. Helaas voor historici hadden deze werken, in tegenstelling tot de veda's, vooral propagandistische doelstellingen en is de historiciteit van de gebeurtenissen en karakters betwijfelbaar. Als bron voor de sociale en maatschappelijke omstandigheden tijdens het 1e millennium v.Chr. zijn ze echter van onschatbare waarde.
Het offerritueel lijkt een belangrijke plek in de Arische beschaving te hebben ingenomen. Bij uitzondering kwamen mensenoffers voor, maar meestal waren de belangrijke offers vee (symbool voor welvaart) of paarden (symbool voor kracht). De ashvamedha, het paardenoffer, werd door een stamleider of koning uitgevoerd en stond symbool voor de band tussen mensen en goden. De belangrijkste oorlogsgod was Indra, die met bliksemschichten gewapend was. Andere belangrijke Vedische goden waren Agni, de god van het vuur; Varuna, de god van de gerechtigheid en Surya, de zonnegod.
Waar de Ariërs oorspronkelijk vandaan kwamen is onbekend. Hun geschriften zelf zwijgen over een inval of land van oorsprong. Omdat Sanskriet een Indo-Europese taal is ontstond in de 19e eeuw de hypothese van een Arische invasie vanuit een gebied in Centraal-Azië, waarvandaan Arische volkeren zowel Europa als Zuid-Azië koloniseerden. De verhalen over veldslagen en oorlogen uit de veda's kunnen in dat geval op de conflicten tussen de Arische nieuwkomers en de oorspronkelijke bevolking (waaronder wellicht de Indusbeschaving) gebaseerd zijn. Zowel het idee van een gewelddadige inval als het idee van een massale volksverhuizing zijn tegenwoordig echter omstreden. Hoewel duidelijk is dat de Ariërs nieuwkomers waren,[11] is zelfs niet duidelijk of het woord "arya" uit de veda's wel altijd op een etnische groep slaat. Duidelijk is dat degenen die zich "arya" noemden neerkeken op anderen, die ze "dasa" noemden. Mogelijk was sprake van migratie in plaats van een invasie, en wisten de nieuwkomers de lokale bevolking, op wie ze neerkeken, te assimileren en te imponeren, waardoor ze als leiders aanvaard werden. De Arische cultuur verspreidde zich in dat geval, naast door natuurlijke bevolkingsgroei, ook door assimilatie. De oorspronkelijk semi-nomadische veehoudende nieuwkomers vestigden zich steeds meer in steden en namen de landbouwmethoden van de lokale bevolking over.
Kolonisatie, urbanisatie en staatvorming [bewerken]
Plaatsnamen in de Rig Veda verwijzen vooral naar een land van zeven rivieren, de tegenwoordige Punjab. Dit moet het gebied zijn waar de Ariërs zich het eerst vestigden. Later verspreidden ze zich oostwaarts naar het Gangesbekken. De doab tussen de Ganges en Yamuna is waar de Mahabharata zich afspeelt, die rond 800 v.Chr. moet zijn ontstaan. Dit gebied werd "arya-varta", het "thuisland" van de Ariërs, genoemd. De later ontstane Ramayana noemt echter ook gebieden verder naar het oosten en zuiden. Dit laat zien hoe de Arische beschaving zich langzaam verspreidde.
Opgravingen van ceramiek geven verdere aanwijzingen van het verspreiden van de Vedische cultuur over het noorden van het Indisch Subcontinent.[12] Daarbij was van belang dat vanaf ongeveer 1000 v.Chr. brons vervangen werd door ijzer, zodat zowel landbouwwerktuigen als wapens beter werden.[13] De Ariërs lijken langs twee corridors van het westen naar het oosten opgetrokken te zijn, daarbij de oorspronkelijke bevolking assimilerend. Aan de noordkant van het Gangesbekken, langs de voetheuvels van de Himalaya (de zogenaamde "uttarapatha") en aan de zuidkant langs de Deccan ("daksinapatha"). Dit patroon is eenvoudig te verklaren. Het bekken van de Ganges was in die tijd, anders dan tegenwoordig, bedekt met tropisch bos. Rond de rivier zelf was dit bos dichter en het land drassiger, oftewel moeilijker te ontginnen en in cultuur te brengen. Langs de twee corridors groeiden de nederzettingen. Vooral de noordelijke corridor zou in de latere Vedische periode (tussen 1000 en 500 v.Chr.) belangrijk worden.
De agriculturele ontwikkeling ging gelijk op met de opkomst van steden en, rond 800-600 v.Chr., de vorming van kleine staatjes.[13] In de semi-nomadische vroege Vedische gemeenschappen (stammen) werd de leider gekozen vanwege zijn capaciteiten om de stam voor rampen te behoeden, rituelen uit te voeren, en te leiden bij het roven van vee van andere stammen. De identiteit van het individu werd bepaald door de stam en zijn familiebanden, de status en de hoeveelheid vee die hij bezat. In de latere vaste landbouwnederzettingen en daaruit voortkomende steden ontstond een veel complexere samenleving. Identiteit werd nu ontleend aan staat en woonplaats, en de kasten werden ook belangrijker. De staatjes sloegen gouden of koperen munten om de handel te vereenvoudigen.
De ontstane staatjes worden "mahajanapada's" genoemd. Rond 600 v.Chr. waren er zestien dergelijke rijkjes in het Gangesbekken. De bestuursvorm verschilde: in sommige staatjes had de vorst een erfelijke functie, in andere werd hij gekozen door een raad, en weer andere ("republieken") werden door een raad bestuurd. Een van de rijkjes was Maghada, dat in het oostelijke Gangesbekken lag, in het centrale deel van de huidige Indiase deelstaat Bihar.
Boeddhisme en jaïnisme [bewerken]
Het kastensysteem was inmiddels volledig ontwikkeld. Religieuze rituelen werden uitgevoerd door een priesterklasse, een ander deel van de bevolking was van geboorte uit krijger, weer anderen ambachtslieden of boeren. Vermoedelijk werden rond deze tijd (800 - 500 v.Chr.) de Upanishads geschreven, Laat-Vedische teksten die een grote invloed zouden hebben op de Indische filosofie en maatschappij. Ongeveer in dezelfde tijd (wel als de gouden eeuw van de Indische filosofie gezien) werden het boeddhisme en het jaïnisme gesticht door respectievelijk Gautama Boeddha en Mahavira. Beide nieuwe religies waren gecentreerd rond een simpele doctrine en werden in Prakrit gepredikt, zodat ze snel veel aanhangers hadden onder het gewone volk. Overigens zijn religieuze verschillen tot de komst van de islam op het Indisch Subcontinent nooit redenen voor grootschalige conflicten geweest, deze religies bestonden meestal vreedzaam naast elkaar. Het jaïnisme zou beperkt blijven tot het subcontinent, terwijl het boeddhisme door reizende monniken en nonnen vanuit India naar Centraal Azië, China, Tibet, Sri Lanka en Zuidoost-Azië verspreid werd.
Klassieke periode [bewerken]
De periode tussen Ashoka (3e eeuw v.Chr.) en de Gupta's (5e eeuw n.Chr.) is door Indiase nationalisten wel een "donkere" tijd genoemd, vanwege het ontbreken van centraal gezag, het verval van de vedische waarden als gevolg van de opkomst van andere religies, en de voortdurende invallen van niet-inheemse volkeren uit het noordwesten. Historisch was het echter ook een periode van bevolkingsgroei, toenemende handel en welvaart, en uitwisseling tussen culturen en met andere werelddelen. Griekse invallers en Romeinse handelaren brachten technologie en kennis uit Europa mee. In het noorden van het subcontinent vond ook uitwisseling met Perzië en volkeren uit Centraal-Azië plaats. Tegelijkertijd verspreidden kunst, religie en wetenschap van Zuid-Azië zich naar Zuidoost-Azië en via Centraal-Azië naar China. De "klassieke" periode van Zuid-Azië culmineerde in de heerschappij van de Gupta's, onder wie religie, kunst en wetenschap opbloeiden en het moderne hindoeïsme begon te ontstaan. In het zuiden van het subcontinent en op Sri Lanka ontstonden ondertussen eigen culturen, weliswaar beïnvloed door de aryanisatie, maar duidelijk verschillend van het noorden.
Perzische en Griekse invasies [bewerken]
Gebieden in het noordwesten van het Indisch Subcontinent (tegenwoordig in Afghanistan en Pakistan ten westen van de Indus) kwamen door veroveringen van Darius de Grote rond 520 v.Chr. onder heerschappij van het Perzische Achaemenidenrijk. Deze gebieden bleven zo'n twee eeuwen lang Perzisch.[14] Toen Alexander de Grote in 334 v.Chr. het Achaemenidenrijk veroverde trok hij verder naar het oosten om in de Slag bij de Hydaspes (in de buurt van het tegenwoordige Jhelum in Pakistan) de lokale koning Poros te verslaan. Daarmee werd een groot deel van de Punjab aan Alexanders rijk toegevoegd.[15] Alexanders troepen weigerden echter verder dan de Hydaspes (Beas) te trekken en hij was gedwongen zijn verovertocht te staken. Alexander gaf sommige van zijn veteranen land in de Punjab en liet onderbevelhebbers achter om de administratie van deze provincies te regelen. Na zijn dood gingen deze onderbevelhebbers, die diadochen worden genoemd, onderling op de vuist en werden al snel van het subcontinent verdreven.
Zowel de Perzische als de Griekse invasie hadden grote invloed op de Indische beschaving. Het politieke systeem van de Perzen werd bijvoorbeeld overgenomen door de Maurya's. In de regio Gandhara (het tegenwoordige Afghanistan en noordwesten van Pakistan) konden door de invasies uit het westen Indische, Perzische, Centraal-Aziatische en Griekse invloeden samensmelten waarbij het Greco-boeddhisme ontstond, een belangrijke culturele stroming binnen het mahayana-boeddhisme die tot de 5e eeuw n.Chr. zou blijven bestaan.
Maurya's [bewerken]
Het koninkrijk Maghada was oorspronkelijk een van de Mahajanapada's, volgens de overlevering gesticht door de Haryanka's in 684 v.Chr. De hoofdstad was eerst Rajagriha, later werd dat Pataliputra (bij het tegenwoordige Patna). Op de dynastie van de Haryanka's volgden de Shishunga's, vanaf 424 v.Chr. de Nanda's en vanaf 321 v.Chr. de Maurya's.
In 321 v.Chr. maakte de eerder verbannen generaal Chandragupta Maurya, geadviseerd door het militaire genie Chanakya een einde aan de Nanda-dynastie door koning Dhana Nanda af te zetten. Dit betekende het begin van de Maurya-dynastie. Chandragupta Maurya veroverde vervolgens niet alleen een groot deel van het Indisch Subcontinent, maar verlegde de grenzen van zijn rijk tot aan Perzië en Centraal-Azië door Gandhara te veroveren op de Griekse diadochen.
Chandragupta Maurya bekeerde zich tot het jaïnisme en zorgde voor de verspreiding van deze religie in Zuid-India. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Bindusara, die een aantal rijkjes op het zuidelijke subcontinent veroverde of schatplichtig maakte.
Bindusara werd opgevolgd door zijn zoon Asoka, die er in het begin op uit was zijn rijk verder uit te breiden. Na een bloederige strijd onderwierp hij het koninkrijk Kalinga, maar kreeg spijt van zijn daden. Hij bekeerde zich tot het boeddhisme en bedreef daarna een politiek van geweldloosheid (ahimsa). Overal in zijn rijk liet hij zuilen met daarin gebeiteld de edicten van Asoka oprichten, die gebaseerd waren op het boeddhisme. Deze edicten zijn de oudste bewaard gebleven historische documenten op het subcontinent, vanaf deze tijd kunnen dynastieën redelijk nauwkeurig gedateerd worden. Dankzij Asoka zou het boeddhisme zich verspreiden over grote gebieden in Zuid- en Oost-Azië. In het Mauryarijk werd het de de facto staatsgodsdienst. Asoka's kleinzoon Samprati bekeerde zich echter tot het jaïnisme en hielp deze religie te verspreiden.
Na de Maurya's [bewerken]
Al 50 jaar na de dood van Asoka (185 v.Chr.) kwam er een einde aan de Maurya-dynastie, toen koning Brihadratha werd vermoord door zijn generaal Pusyamitra Sunga. Sunga stichtte de Sunga-dynastie, die op zijn beurt weer gedeeltelijk werd verdrongen door de Kanva-dynastie (71 - 26 v.Chr.). Het rijk was inmiddels een groot deel van zijn voormalige gebied kwijt en na nederlagen (30 v.Chr.) tegen de Satavahana-dynastie, die na de dood van Asoka zelfstandig geworden waren en het centrale deel van India regeerden, was de hegemonie van Magadha voorgoed voorbij.
Zowel in het zuiden als noorden ontstonden een aantal onderling rivaliserende rijkjes en dynastieën. Een aantal daarvan heerste tijdelijk over een groter gebied. Desondanks was de middenperiode een periode van grote culturele ontwikkeling en welvaart, die voortkwam uit de handelscontacten die vooral het zuiden had met het Romeinse Rijk in het westen[16] en Zuidoost-Azië in het oosten. Veel van de zuidelijke dynastieën heersten ook over grote gebieden in Zuidoost-Azië en verspreidden er het boeddhisme en hindoeïsme.
De Satavahana-dynastie heerste vanaf ongeveer 230 v.Chr. over wat nu Midden-India is. De belangrijkste heersers waren Satakarni, die de Sunga's uit het noorden versloeg en Gautamiputra Satakarni. Tegelijkertijd lag van de 2e eeuw v.Chr. tot de 3e eeuw n.Chr. in de Himalaya het koninkrijk Kuninda.
Boeddhisme en jaïnisme hadden hindoeïsme in het noorden en midden vervangen als dominante godsdienst. Tijdens de Gupta's zou het boeddhisme een schisma doormaken en splitsen in de hinayana- en mahayanascholen. Tegelijkertijd vond iets soortgelijks plaats in het jaïnisme, dat splitste in de digambara- en svetambarascholen. Na de 5e eeuw maakte het hindoeïsme echter een come-back, om tot op heden de dominante godsdienst van India te blijven. Het zuiden was al die tijd dominant-hindoeïstisch, omdat de invloed van de Maurya's er veel kleiner was geweest.
Een andere nieuwe stroming was het christendom, dat volgens de overlevering in 52 n.Chr. door de apostel Tomas naar Kerala was gebracht.
Noordelijke rijken [bewerken]
In het noordwesten van het subcontinent ontstonden vanaf de 2e eeuw v.Chr. een aantal "hybride" dynastieën en rijken, de Indo-Grieken, de Indo-Scythen, de Indo-Parthen en de Indo-Sassanieden. Het Indo-Griekse Rijk werd gesticht toen de Indo-Bactrische koning Demetrius het noorden van het Indisch Subcontinent binnenviel in 180 v.Chr. en strekte zich uit over gebied in het tegenwoordige Afghanistan en Pakistan. Het rijk hield bijna twee eeuwen stand en werd geregeerd door een opeenvolging van dertig Griekse koningen, die vaak aan de macht kwamen na een burgeroorlog met hun voorganger. De Indo-Scythen waren een Indo-Europese Saka stam (Scythen), die uit het zuiden van Siberië naar Bactria migreerden en van daaruit Sogdiana, Kasjmir, Arachosia en Gandhara binnenvielen. Hun rijk hield stand tussen de 2e eeuw v.Chr. en de 1e eeuw n.Chr. De Indo-Parthen (in Indische bronnen "Pahlava's" genoemd) versloegen een aantal lokale heersers (waaronder de Kushana heerser Kujula Kadphises) in het tegenwoordige Afghanistan en Noord-Pakistan en beheersten daarna een tijd lang een deel van Gandhara. Nog later zou de Indo-Sassanide cultuur ontstaan door het mengen van de Indische cultuur met die van de Perzische Sassanieden.
In de 1e eeuw n.Chr. ontstond het rijk Kushana in het noorden, gesticht door de Yuezhi, een Indo-Europese stam uit Centraal-Azië. Het rijk strekte zich op zijn hoogtepunt uit van Bactria in het tegenwoordige Afghanistan en Tadzjikistan tot ver in de Gangesvlakte, misschien zelfs tot aan de Golf van Bengalen.
Zuidelijke rijken [bewerken]
De Westelijke Kshatrapa's (35 - 405 n.Chr.) waren Saka-heersers van een rijk in west-centraal India. Ze waren de opvolgers van de Indo-Scythen en tijdgenoten van de Kushana's in het noorden en de Satavahana's in het zuiden.
In het uiterste zuiden lagen een aantal rijken en rijkjes naast elkaar, waaronder de Pandya's, Chola's, Chera's, Kadamba's, de Westelijke Ganges-dynastie, de Pallava's en Chalukya's. Een aantal van deze rijken veroverde aanzienlijke gebieden van Zuidoost-Azië wat leidde tot de verspreiding van het hindoeïsme daar. Een boeddhistische dynastie, de Kalabhra's, onderbrak korte tijd de dominantie Chola's, Chera's en Pandya's in het zuiden.
Gupta's [bewerken]
In de 4e en 5e eeuw heerste de Gupta-dynastie over het grootste deel van het noorden van het Indisch Subcontinent, deze periode wordt wel een "gouden eeuw" van India genoemd. De Gupta's zorgden voor een opbloei van cultuur en wetenschap en introduceerden een effectievere politieke administratie. Het was de tijd van de terugkeer van het hindoeïsme en de Vedische Purana's zijn waarschijnlijk tijdens deze periode geschreven. De wiskundige Aryabhata (rond 476-550), die wordt gezien als één van de grondleggers van de moderne wiskunde, leefde aan het einde van de Guptaperiode in Paliputra. De periode van rust maakte het voor Chinese Tang monniken, waaronder Fa Hien en later I-Tsing, mogelijk om India te bezoeken en beschrijven.
De Witte Hunnen, een waarschijnlijk Hephtalitisch volk uit Centraal-Azië, hadden zich in de vroege 5e eeuw in Afghanistan gevestigd, hun hoofdstad was Bamiyan. Aan het begin van de 6e eeuw vielen ze Noord-India binnen en maakten een einde aan het Guptarijk. Daarna was het subcontinent weer enige tijd verdeeld over een groot aantal lokale rijkjes, hoewel de Gupta's over een gebied in Magadha bleven heersen.
India in de middeleeuwen [bewerken]
Middeleeuwse rijken [bewerken]
De periode die volgde op de val van het Guptarijk wordt als Middeleeuwen aangeduid, ongeveer analoog met de Europese Middeleeuwen.[17] De laatste Gupta-heerser werd door de Vardhanakoning Harsha (590–647) verslagen, die vervolgens het grootste deel van het noorden weer verenigde. Na Harsha's dood viel zijn rijk weer uiteen. In het noorden kwam deze periode abrupt tot een einde door invallen van islamitische heersers uit Centraal-Azië. In het zuiden was de overgang geleidelijker.
Dit was de periode van de klassieke hindoe-architectuur. Veel van de bekendste tempels van Zuid-India werden in deze tijd gebouwd. In het uiterste zuiden ontstond onder de Pallava's (later de Chola's) de uitbundige Dravidische architectuur.
Van de 7e tot 9e eeuw streden drie dynastieën om de hegemonie in het noorden: de Pratihara's van Malwa en later Kannauj; de Pala's van Bengalen en de Rashtrakuta's uit de Deccan. De Pala's werden later opgevolgd door de Sena's en het Pratihararijk splitste in een aantal kleinere rijkjes, die als de eerste Rajputstaatjes kunnen worden gezien. Rajputdynastieën zouden uiteindelijk in een groot deel van het noorden van het subcontinent de lokale machthebbers vormen. De Rajputs boden ook lange tijd verzet tegen de islamitische invallers.
Vanaf het midden van de 7e eeuw tot de 11e eeuw werden Gandhara, delen van de Punjab en de Kabulvallei geregeerd door de Shahi's. De Shahi's waren een hindoeïstische dynastie van kshattriya's.
De Chalukya's heersten over de Deccan (het midden van het subcontinent) vanaf het midden van de 6e eeuw tot 753. Hun hoofdstad was Badami in Karnataka. In 753 werden ze opgevolgd door de Rashtrakuta's. De Chalukya's regeerden opnieuw van 972 tot 1190, nu vanuit Kalyani. Het rijk van de Chalukya's viel midden in de 12e eeuw uiteen in verschillende kleinere rijkjes.
Verder naar het zuiden, rond Kanchipuram, lag tegelijkertijd het rijk van de Pallava's. Deze werden later opgevolgd door de Chola's uit wat tegenwoordig het noorden van Tamil Nadu is. In de 11e eeuw ontstond in Karnataka het rijk Hoysala. Al deze zuidelijke staten dankten hun welvaart aan de handel met hun overzeese koloniën in Zuidoost-Azië en Indonesië en (via de islamitische wereld) met Europa. In de 14e eeuw zouden ze, na invallen van islamitische legers uit het noorden, zich samenvoegen tot het hindoeïstische koninkrijk Vijayanagar. De middeleeuwen houden in India definitief op in 1565, met de val van Vijayanagar.
Aankomst van de islam [bewerken]
Na de verovering van het Sassaniedenrijk door het Arabische kalifaat in de 7e eeuw grensde het subcontinent in het westen aan gebieden onder islamitisch gezag. Dat de islam via deze route eeuwenlang niet verder oprukte, was vooral te danken aan de Shahi's, hindoevorsten die het tegenwoordige oosten van Afghanistan regeerden. In 711 landde een Arabische expeditie onder Muhammad bin Qasim in Sindh. Bin Qasim veroverde de Indusvallei tot Multan, maar werd daarna teruggeroepen naar Irak. In de daarop volgende eeuwen zou Sindh in handen van islamitische heersers blijven, hoewel ze vanaf de 9e eeuw het gezag van de kaliefen afwierpen. De Arabische sultans van het gebied vertoonden echter over het algemeen geen grote na-ijver om hun onderdanen te bekeren. Ze sloten verdragen en voerden oorlogen met hun buurstaatjes, of deze nu door hindoes of andere moslims bestuurd werden. De islam arriveerde ook met handelaren langs de kust van Kerala in het zuiden. Vanaf de 7e eeuw lagen hier Arabische handelsnederzettingen.
Het noorden had altijd een gestage instroom van stammen en avonturiers uit de steppes van Centraal-Azië gekend. In de 6e eeuw volgden de Huna's in de voetsporen van Parthen, Scythen, Grieken en anderen. Nadat de volkeren van Centraal-Azië in de 10e eeuw tot de islam waren bekeerd, werd de instroom echter een grotere bedreiging voor de heersers in de Indus-Gangesvlakte. Turks-Perzische krijgslieden uit Centraal-Azië gebruikten tactieken die in India onbekend waren, zoals snelle, dicht op elkaar rijdende cavalerie-eenheden. Veel van hun soldaten waren zogenaamde mammelukken, tot de islam bekeerde slaven die opgeleid werden tot militairen en bestuurders.
De eerste islamitisch-Turkse veroveraar die het noorden van India binnendrong was Mahmud van Ghazni. Nadat de Shahi's onderworpen waren lag de Punjab voor hem open. Mahmud van Ghazni leidde tussen 1001 en 1025 17 plundertochten door het noorden van India. Hij liet in Ghazni een schitterende hoofdstad bouwen, waar hij alle rijkdommen die hij kon vergaren naar toe sleepte. Mohammed van Ghazni's opvolgers, de Ghaznaviden en Ghowriden, beheersten een rijk dat ook de Punjab besloeg. Muhammad Ghori versloeg in 1192 de Rajputheerser van Delhi, Prithviraj Chauhan. Daarna veroverde hij een groot deel van de Gangesvlakte. Na zijn dood in 1206 stichtte zijn generaal, de mammeluk Qutb-ud-din Aybak, het Sultanaat van Delhi.
Sultanaat van Delhi [bewerken]
De opvolgers van Qutb-ud-din-Aybak worden de slavendynastie (1206 - 1290) genoemd. Het Sultanaat van Delhi veroverde grote delen van de noordelijke vlakten, tot het ongeveer de omvang van het eerdere Guptarijk had. De slavendynastie werd opgevolgd door de Khilji- (1290 - 1320) en Tughlaq- (1320 - 1413) dynastieën, die een groot deel van Centraal-India aan het rijk toevoegden.
Hoewel de opmars en plundertochten van de moslims vaak met grote wreedheden tegen de hindoe-bevolking gepaard ging, zou in de tweede helft van de 14e eeuw de cultuur van de invallers (Afghanen, Arabieren en Turken) beginnen te vermengen met die van de oorspronkelijke bevolking. Nieuwe stijlen ontstonden in de kunst, filosofie, architectuur en literatuur. Door vermenging van de Sanskritische prakrits met de talen van de nieuwkomers (Perzisch, Turks en Arabisch) ontstond het Urdu, tegenwoordig de dominante taal in het noorden van het subcontinent.
Vijayanagar en de Deccan-sultanaten [bewerken]
Door de veroveringen van met name Mohammed Tughlaq (sultan van 1325 - 1351) werden de hindoe-rijken in het zuiden in het nauw gedreven. Het laatste grote hindoe-rijk, Vijayanagar, werd in 1336 gesticht om de islamitische invallers te verdrijven, onder andere het koninkrijk Hoysala ging in het rijk op.
Mohammed Tughlaq was gedwongen zijn ambitie het hele subcontinent onder zijn heerschappij te brengen op te geven en trok zich terug naar het noorden. Mohammeds onderbevelhebber Aladdin Bahman Shah kwam in opstand en stichtte het Bahmanidenrijk in de Deccan. Dit sultanaat en Vijayanagar zouden gedurende de 14e en 15e eeuw een serie bloedige oorlogen uitvechten om de controle van Centraal-India.
Van 1482 tot 1518 viel het Bahmanidenrijk uiteen in de vijf onderling ruziënde Deccan-sultanaten. Vijayanagar profiteerde van deze verdeling door grote gebieden op de sultans te veroveren. Uiteindelijk sloten de islamitische staatjes in het noorden een verbond en versloegen Vijayanagar in de Slag bij Talikota, waarmee een einde kwam aan de macht van Vijayanagar. Het rijk zou nog tot 1646 bestaan maar nooit meer een belangrijke militaire macht vormen.
Mogols [bewerken]
In 1526 viel Babur, een Timoeride (Turco-Perzische) afstammeling van Timoer Lenk, met zijn leger vanuit Afghanistan de Punjab binnen. Baburs troepen waren uitgerust met vuurwapens, tot dan toe onbekend op het subcontinent, waardoor zijn leger de veel grotere legers van de sultan van Delhi kon verslaan. Hij veroverde het grootste gedeelte van de noordelijke vlakten en stichtte het Mogolrijk, dat ongeveer twee eeuwen lang de Indische geschiedenis beheerste. Het rijk zou voor het eerst sinds de Maurya's bijna het hele subcontinent beslaan. Vanaf 1707, met de dood van keizer Aurangzeb, zou het rijk langzaam beginnen te vervallen.
De Mogoltijd was een tijd van economische vooruitgang en opbloei van kunst, filosofie en wetenschap. De Mogolkeizers lieten in hun rijk grote paleizen, forten, moskeeën en tuinen bouwen. De Mogols zelf waren allen moslim, maar regeerden over een bevolking die merendeels hindoe was. Sommige keizers waren religieus tolerant en patroniseerden openlijk andere godsdiensten en filosofieën, anderen lieten tempels slopen en niet-moslims zware belastingen betalen.
Hoewel de Mogols wreed konden optreden tegen opstanden of bij het onderwerpen van vijandige rijkjes, volgden ze een integratiepolitiek met de cultuur van de bevolking. In tegenstelling tot de sultans van Delhi zagen een aantal Mogolkeizers in dat het niet mogelijk zou zijn de gehele bevolking tot de islam te bekeren. Dit vormde een belangrijke reden voor hun succes. Het beste voorbeeld hiervan was Akbar de Grote (1556 - 1605), die de belasting voor niet-moslims afschafte, de heilige dagen en feesten van hindoes, sikhs, boeddhisten, jaïns, christenen en parsi's respecteerde en zelfs een eigen godsdienst stichtte, deen ilahi, die een mengeling moest vormen van al deze religies. De Mogolkeizers trouwden met Indische prinsessen, gaven lokale maharadja's bepaalde voorrechten en probeerden ook in de kunst de eigen Perzische stijl met die van het subcontinent te vermengen (dit leidde bijvoorbeeld tot de Indo-Saraceense bouwstijl in de architectuur en de invoering van miniatuurschildering uit Perzië).
Jehangir (1605 - 1627) vervolgde zijn vaders politiek en liet de Shalimartuinen in Kasjmir aanleggen. Shah Jahan (1627 - 1658) is vooral bekend vanwege de bouw van de Taj Mahal. Zijn zoon Aurangzeb (1658 - 1707) volgde echter een andere politiek dan zijn voorgangers. Hij was een vroom moslim en liet grote moskeeën bouwen, waarvoor hij vaak tempels liet slopen. Ook voerde hij de belasting voor niet-moslims weer in. Dit stuitte op verzet en Aurangzeb was gedurende een groot deel van zijn regering bezig met militaire campagnes om opstanden neer te slaan of vijandige staatjes (waaronder de Maratha's), die aan de randen van het rijk vormden, te bevechten. Toen Aurangzeb stierf was het rijk begonnen aan een langzaam verval.
Komst van de Europeanen [bewerken]
India was al bekend bij de Europeanen sinds de oudheid en met name tijdens de Griekse en Romeinse rijken was er een directe intensieve handel over zee en landwegen tussen deze gebieden. Sinds de opkomst van de islamitische rijken die tussen Europa en India lagen werd het contact een stuk minder intensief en werd voornamelijk door islamitische tussenhandelaren onderhouden. Na de ontdekking van een rechtstreekse zeeweg, om Afrika heen, naar Indië door Vasco da Gama (1498) kwamen de Europeanen weer intensiever in aanraking met Indië. Eerst waren het de Portugezen die zich op verschillende plaatsen vestigden en de handel met dit land beheersten; zij handhaafden zich te Goa tot 1961. In het midden van de 17e eeuw traden de Nederlanders in hun plaats, die op de kusten van Malabar en Coromandel verschillende nederzettingen hadden. Weldra kregen ook de Britten er vaste voet; de Britse Oost–Indische Compagnie oefende van 1624 af tevens staatkundige macht uit. Ook de Franse Oost–Indische Compagnie ontwikkelde zich snel en verwierf Pondicherry en Chandernagore in Bengalen en tijdelijk ook Madras. Het Rijk van de grootmogol was steeds meer achteruitgegaan, onderscheiden staten hadden zich onafhankelijk gemaakt. De Britten wisten door verschillende veroveringen onder Lord Clive zijn gebied steeds meer uit te breiden.
Na de overwinning bij Plassey (1757) op de Bengaalse heerser Sirad ud Daulah verwierf het de eerste territoriale rechten in Bengalen. Daarna dwong Clive de Fransen tot terugtrekking. Bij de Vrede van Parijs (1763) ontving weliswaar Frankrijk Pondicherry en Chandernagore terug, doch in 1770 werd de Franse Oost–Indische Compagnie ontbonden.
De eerste gouverneur–generaal was Warren Hastings (1773–1785), die het gebied uitbreidde en het bestuur organiseerde. Ook zijn opvolgers vergrootten de Britse macht, onder andere door de verovering van Sindh en het rijk van de Sikhs (1849). Deze veroveringen en de plotselinge hervormingen die Lord Dalhousie (1848–1856) wilde invoeren, wekten grote verbittering, die onder zijn opvolger, viscount Canning (1856–1862), tot een uitbarsting kwam, de Sepoy–opstand. Te Mirat bij Delhi brak op 10 mei 1857 een oproer uit. Delhi werd door de Britten belegerd en na een bloedige bestorming ingenomen. Daarna werd Hindoestan langzamerhand onderworpen en aan de schijnbare heerschappij van de grootmogol een einde gemaakt.
Brits-Indië [bewerken]
Het bestuur van Indië werd nu in 1858 aan de Britse Kroon overgedragen. De gouverneur–generaal kreeg de titel van Onderkoning. In 1876 kreeg koningin Victoria de titel van Keizerin van India. In binnenlandse aangelegenheden kreeg India een grote mate van zelfstandigheid.
In de tweede helft van de 19e eeuw ontwaakte het politieke bewustzijn onder de ontwikkelde Indiërs. Onder de eerste figuren die naar grotere invloed op het bestuur streefden, waren Gokhale en Tilak, van wie de eerste de gematigde, de tweede de meer radicale richting vertegenwoordigde. In 1885 kwam op initiatief van de Engelsman A.O. Hume voor het eerst het All Indian National Congress (Congrespartij) bijeen. Aanvankelijk ging dit lichaam zeer gematigd te werk, doch onder invloed van de moslims ontwikkelde het zich op den duur in meer extremistische richting, vooral na 1892. Een scherp conflict tussen het Britse bestuur en de Indische bevolking brak uit toen de onderkoning Lord Curzon in 1905 Bengalen in twee provincies verdeelde. In 1909 bracht Lord Minto als onderkoning een bestuurshervorming tot stand, waarbij een soort Indisch parlement in het leven werd geroepen, de Morley–Mintohervormingen. Dit bracht de gemoederen evenwel slechts weinig tot rust. De verdeling van Bengalen werd ongedaan gemaakt; tevens werd de zetel van de regering van Calcutta overgebracht naar Delhi, de oude residentie van de grootmogols.
Gedurende de Eerste Wereldoorlog ontving het Verenigd Koninkrijk van zijn Indisch rijk krachtige steun in geld en manschappen. De leiders van de Indische nationale beweging verwachtten namelijk dat Indië na het beëindigen van de oorlog de dominionstatus zou krijgen. Toen dit niet geschiedde, volgde een heftige opleving van de nationalistische oppositie. De regering trachtte deze te onderdrukken door speciale maatregelen (Rowlatt Act, 1919), die echter verontwaardiging ontketenden: zo kwam het volk in de Punjab op vele plaatsen in opstand, hetgeen leidde tot een heftig bloedbad in Amritsar (1919), aangericht door de troepen van generaal Dyer. Wel werden door de Montagu–Chelmsfordhervormingen Indische burgers bij het bestuur betrokken.
Als leider van de Indische nationale beweging trad in die jaren naar voren Mohandas Karamchand Gandhi. Deze streefde ernaar op geweldloze wijze, door 'burgerlijke ongehoorzaamheid', het Britse gezag te bestrijden. Zijn eerste campagne begon in 1920, met medewerking van de moslims. In 1930 organiseerde hij opnieuw een grote ongehoorzaamheidsbeweging, waarbij hij het zoutmonopolie van de regering poogde te breken. In hetzelfde jaar werd het rapport van het door de Simon–commission in 1928 gehouden onderzoek naar de toekomstige status van India gepubliceerd. Het beval de verlening van zelfbestuur aan. Nog in 1930 vond te Londen de eerste rondetafelconferentie plaats, die echter door de meer extreme Indiërs werd geboycot. Aan een volgende conferentie nam Gandhi echter deel als vertegenwoordiger van de Congrespartij (1932).
Het resultaat van deze conferenties was de Government of India Act van 1935, waarin een federatief India met een grote mate van zelfbestuur voor de provincies werd ingesteld. Sedertdien heerste er een relatieve rust, ofschoon noch de Congrespartij, onder Jawaharlal Nehru, noch de in 1906 opgerichte Moslim Liga, onder Muhammad Ali Jinnah, volledig tevredengesteld was. Beide wensten een volkomen onafhankelijk India, maar terwijl het Congres de eenheid van het land wilde behouden, met de moslims als minderheid, streefde de Moslem Liga een tweeledige staat na. De 512 vorsten waren bedacht op het behoud van hun rechten en in het algemeen vóór bestendiging van de bestaande toestand.
De dag nadat het Verenigd Koninkrijk de oorlog had verklaard aan het Duitse Rijk (3 september 1939), verklaarde de onderkoning, Lord Linlithgow, ook India in staat van oorlog. Dit lokte veel kritiek uit. Gandhi bleef de geweldloosheid prediken; Nehru en anderen wensten het Verenigd Koninkrijk te helpen onder voorwaarde van een politiek akkoord. Het Britse antwoord op deze eis werd door het Congres niet aanvaard en Gandhi kreeg opnieuw de leiding in handen. De zware nederlagen die de geallieerden in het Verre Oosten leden, vooral de val van Singapore en de kritieke toestand in Birma, verwekten in India grote beroering. Gandhi bleef voorstander van geweldloosheid, terwijl Nehru de Britten wilde helpen in ruil voor onafhankelijkheid. Een andere leider, Subhas Chandra Bose, week uit naar Japan, vormde een 'voorlopige regering van India' en stichtte een vrij Indisch leger, dat aan de zijde van de vijand streed. In maart 1942 kwam Sir Stafford Cripps naar India met voorstellen, die onder andere de stichting van een onafhankelijke Indische Unie en het opstellen van een nieuwe grondwet behelsden. In juni 1943 begon Gandhi een heftige 'Verlaat Indië–actie', die tot zijn arrestatie en die van vele anderen leidde.
Deling van Brits-Indië [bewerken]
Na de Tweede Wereldoorlog kwam het Congres versterkt uit de verkiezingen tevoorschijn en op verzoek van de onderkoning Lord Wavell vormde Nehru in september 1946 een interim-regering. De verdeeldheid tussen het Congres en de Moslim Liga maakte echter de vorming van één onafhankelijke Indische staat onmogelijk. Ten slotte wist Wavells opvolger, Lord Mountbatten, na talloze besprekingen de verdeling van Brits Indië in twee staten, India en Pakistan, te doen aanvaarden. Op 15 augustus 1947 werd de Indian Independence Act van kracht, waarmee een eind was gekomen aan het Brits–Indische Rijk.
Na de onafhankelijkheid [bewerken]
India en Pakistan hebben sindsdien nog verscheidene grensconflicten gehad. India greep ook in bij de burgeroorlog tussen West- en Oost-Pakistan in 1971 waarna het laatste gebied zichzelf afscheidde als het land Bangladesh. Tot in 2003 zijn de spanningen tussen beide landen zeer hoog en zijn ze verwikkeld in een wapenwedloop.
Bronnen, noten en/of referenties
Literatuur
|
| Geschiedenis van Azië |
|---|
|
Geschiedenis van: Afghanistan · Armenië · Azerbeidzjan · Bahrein · Bangladesh · Bhutan · Brunei · Cambodja · China · Filipijnen · Georgië · India · Indonesië · Irak · Iran · Israël · Japan · Jemen · Jordanië · Kazachstan · Kirgizië · Koeweit · Laos · Libanon · Maldiven · Maleisië · Mongolië · Myanmar · Nepal · Noord-Korea · Oezbekistan · Oman · Oost-Timor · Pakistan · Palestina · Qatar · Rusland / Siberië · Saoedi-Arabië · Singapore · Sri Lanka · Syrië · Tadzjikistan · Taiwan · Thailand · Tibet · Turkije · Turkmenistan · Turkse Republiek Noord-Cyprus · Verenigde Arabische Emiraten · Vietnam · Zuid-Korea Geschiedenis van het Indisch Subcontinent |