Indicatorplanten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Indicatorplanten zijn planten die Rijkswaterstaat soms in de berm in z.g. proefvakken plaatst, teneinde vast te stellen of deze een natuurlijke en/of economische verrijking kunnen zijn van de wegberm. In totaal heeft men wel 450 soorten planten in de wegbermen geteld, daarvan vinden er 150 een wezenlijke plaats in de berm, de echte bermplanten.

Enkele voorbeelden zijn: korenbloem, reukloze kamille, gele ganzenbloem, klokje, klaproos, leeuwenbek en blauwe knoop.

Rijkswaterstaat streeft ernaar het maaien van de bermen zo veel mogelijk te beperken. Het kost tijd en geld en het is vaak moeilijk en gevaarlijk. Bovendien oordelen biologen dat door het maaien een gevarieerde begroeiing wordt belemmerd.

Men zoekt het nu vooral in grassoorten waarbij veelvuldig maaien niet noodzakelijk is. Aan de andere kant is er de ervaring dat een ongemaaide berm de passerende automobilisten vaak verlokt om er afval neer te gooien. Opruiming van dat afval langs bepaalde rijkswegen kost tijd en geld en zo gaat wat men aan de ene kant scheen te winnen, aan de andere kant toch weer verloren.

Bij normaal onderhoud wordt van elke vijftig kilometer autoweg elke week een vrachtwagen afval gehaald. Maar toch zijn er meerdere bezwaren tegen een hoger opgroeiende vegetatie. Het brandgevaar wordt groter en er worden meer onkruidzaden geproduceerd, die schadelijk kunnen zijn voor het aangrenzende cultuurland.

Gestreefd wordt naar een compromis van te gebruiken soorten planten die het uitzicht (bij kruispunten) niet te veel belemmeren, niet te hard groeien, niet te veel uitzaaien, etc. Rekening houdende met al deze factoren, plaatste Rijkswaterstaat langs diverse wegen een zg. proefvak met daarin zo'n 10 tot 12 verschillende indicatorplanten, waarbij ook gekeken wordt naar hun gedrag of overgevoeligheid voor luchtvervuiling.