Indische Nederlanders

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Indische Nederlander)
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Voor Indo-Europeanen in de betekenis van de verwante volkeren en talen van India en Europa, zie het artikel Indo-Europeanen.
Indo-Europese meisjes in Batavia (1925-1935)

Indische Nederlanders zijn Nederlanders van Nederlands-Indische afkomst.

Tot de Indische Nederlanders behoren niet alleen de mengelingen oftewel de Indo-Europeanen maar ook de volbloed Europeanen/Nederlanders (totoks) die in Nederlands-Indië zijn geboren of opgegroeid zijn in de Nederlands-Indische cultuur.[1] In dit artikel worden hoofdzakelijk de Indo-Europeanen besproken.

De termen Indo, afkorting van Indo-Europeaan maar ook Indisch of Indische, voor Indische Nederlander worden gebruikt om mensen van Indo-Europese afkomst mee aan te duiden.

Ten tijde van het Nederlandse koloniale bewind in het huidige Indonesië werd de term Indo-Europeanen gebruikt om de nakomelingen uit relaties tussen blanke (Nederlandse/Europese) mannen en inlandse (Indonesische) en andere Aziatische vrouwen aan te duiden die deel uitmaakten van de Europese maatschappelijke laag van de Nederlands-Indische samenleving. Omstreeks 1940 leefden naar schatting 170.000 tot 200.000 Indo-Europeanen in Nederlands-Indië. De huidige Indische Nederlanders (Indo-Europeanen) zijn hier grotendeels de nakomelingen van. Vele ook op Nederland georiënteerde Indo-Europeanen zijn niet meegeteld in deze schatting, omdat ze wel Nederlandse onderdaan, maar juridisch geen Nederlander waren. Deze specifieke groep Indo-Europeanen hadden de Europese status of waren daarmee gelijkgesteld, ze leefden in de Europees-Indische samenleving maar waren geen Nederlanders.[2]

Een nog grotere groep met gemengd bloed is het aantal Indonesiërs met een Europese voorvader die in 1940 al was opgegaan in de Indonesische bevolking. Indonesische wetenschappers schatten dat een miljoen mensen in hun land ook Europese voorouders hebben.

In Nederlands-Indië waren de Indo-Europeanen geen homogene groep. Ze waren divers qua afkomst, achtergrond, stand, opleiding en zelfs uiterlijk, "cultureel-maatschappelijk een uiterst heterogene, rijkgeschakeerde, diffuse groep".[3]

Oorsprong van de termen Indo-Europeaan en Indische Nederlander[bewerken]

De term Indo-Europeaan voor het eerst in een krant (Bataviaasch Handelsblad 1872)

Het woord Indo-Europeaan werd vanaf de negentiende eeuw gebruikt. Het voorste deel Indo is afgeleid van het Griekse Indoi dat Indië betekent en op zijn beurt weer afgeleid is van Indus.[4] Indo-Europeanen zijn nazaten van Europeanen die in Indië woonden. Indo is dus niet afgeleid van Indonesië, deze term werd in 1850 door James Richardson verzonnen en vanaf 1900 in academische kringen buiten Nederland en door Indonesische nationalistische groeperingen gebruikt, voor die tijd komt het begrip Indo-Europeaan al voor in de literatuur.[5]

Indische Nederlander werd als term voor het eerst gebruikt door Th. R. Landouw. In 1916 richtte Th.R. Landouw de Indische Democratische Partij op. Hij vreesde dat een deel van de Indo-Europeanen zich zou afkeren van de blanke Nederlanders en zou opgaan in de Indonesische bevolking. De rijkere in Nederland opgeleide Indo-Europeanen zoals hij zelf voelde zich echter niet meer verbonden met de minder bedeelde broeders. De bedoeling van de oprichters was de Indo meer bij de Nederlandse cultuur te betrekken. Landouw wilde voortaan spreken van Indische Nederlanders. Voorzitter B.W. van de Kamer wees het voorstel Indo's en totoks (volbloed Nederlanders) onder één noemer te brengen echter af. De woorden Indische en Nederlander in die volgorde kwamen wel voor in boeken geschreven door buitenstaanders voor die tijd, echter is het de vraag of het hier ging om een term en of het ging over Indo-Europeanen.

De term Indische Nederlander dook eind 1933 weer op bij de Indische NSB. Volgens de NSB moest blank niet letterlijk worden opgevat maar in de betekenis 'zijnde van westerse cultuur'. Om te benadrukken dat volbloed Nederlanders en Indo's gelijk waren verving men Indo-Europeaan met Indische Nederlander. De term Indo werd als denigrerend ervaren en had volgens de NSB afgedaan. Niet evenwel voor het bestuur van het Indo-Europeesch Verbond. Dat verzette zich tegen elke poging om de term Indo-Europeaan vervangen te krijgen en het IEV om te dopen in Indisch-Europeesch Verbond. Met regelmatige tussenpozen stond het onderwerp op de congresagenda, om telkens te worden afgewezen. Voorzitter De Hoog beschouwde de naam Indo als erenaam. "Wij zijn bruine Nederlanders stelde hij trots".[6]

Toen de NSB onder invloed van het Duitse nazisme alle gemengde seksuele relaties tussen blanken en niet blanken verbood en de ideologie van de raszuiverheid werd ingevoerd, betekende dit het einde van de populariteit de van de Indische NSB bij de Indo's. De term Indo won weer aan populariteit ten koste van Indische Nederlander.

Na de soevereiniteitsoverdracht in 1950 kwam de juridische term Europeaan te vervallen en werd het vervangen door Indische Nederlander. Doordat de situatie voor de Indo-Europeanen in Indonesië in de vijftiger jaren slechter werd wilde een aanzienlijk deel weg. Door onvrede over de afwachtende houding van Nederland wenste men niet meer als Indisch aangeduid te worden maar slechts als Nederlander, omdat Indisch niet meer relevant was en als stigmatiserend werd ervaren.

Mede dankzij Tjalie Robinson won het woord Indo na de Tweede Wereldoorlog weer in populariteit hoewel Indische Nederlander ook nog regelmatig gebruikt wordt.

Andere termen voor mensen van gemengd bloed[bewerken]

  • Blauwe: Indo-Europeaan, de oorsprong is een punt van twist. Werd en wordt gebruikt als scheldwoord en geuzennaam.
  • Petjoe(k): Indo-Europeaan, scheldwoord, oorspronkelijk Javaans voor Aalscholver.
  • Kleine Boeng: minder bedeelde Indo-Europeaan die aan de rand van de kampong woonde.
  • Belanda Hitam: Zwarte Hollander, De term werd door de Javanen gegeven aan de Afrikaanse soldaten die op Java in met name Purworejo, Semarang en Surakarta gingen wonen met hun Inlandse vrouwen en hun gemengde nakomelingen. De eerste 44 Afrikaanse soldaten die voor het KNIL in Ghana werden geronseld, waren voornamelijk afkomstig uit Afro-Nederlandse (gemengdbloedige) families. De meeste Belanda Hitam's hebben zich vermengd met Indo-Europeanen.
  • Euraziaat: Indo-Europeaan, naar het in Brits-Indië gebruikte Eurasian
  • Eurazier: Indo-Europeaan, naar het in Brits-Indië gebruikte Eurasian
  • Mesties: Indo-Europeaan, afkomstig van het Portugese mestico, dat 'van goed, zuiver ras' betekent wat relatief gebruikt werd om onderscheid te maken tussen de 'wittere' Indo's en de Inlanders. Mesties zou volgens andere bronnen juist afkomstig zijn van 'mixtus' dat 'gemengd' betekent in het Latijn.
  • Kasties: Indo-Europeaan,afkomstig van het Spaanse castizo, dat 'van goed, zuiver ras' betekent wat relatief gebruikt werd om onderscheid te maken tussen de 'wittere' Indo's en de Inlanders.
  • Mixstice: Indo-Europeaan, van het latijnse miscre dat mengen betekent.
  • Metis: Indo-Europeaan, Frans voor gemengdbloedig
  • Liplap/liblap: Indo-Europeaan, oorsprong onbekend. Mogelijk liflaf uitgesproken op z'n Maleis waarbij de f veranderd in de p.
  • Sinjo/Signo: jongeheer afgekort njo. Van het Portugese senhor. Oorspronkelijk gebruikt voor afstammelingen van Portugezen. Thans mannelijke mengbloed/Indo-Europeaan.
  • Nona: meisje, afgekort non en verkleind nonnie. Waarschijnlijk van de Portugese titel dona. Thans vrouwelijke mengbloed/Indo-Europeaan.
  • Njonja: vrouw, waarschijnlijk van de Portugese titel dona. Thans vrouwelijke mengbloed/Indo.
  • Serani: voor Portugese Christelijke halfbloeden en Indo's van het laagste soort (aldus de gebruiker). van het Arabische nasrani (Nazarenen van Nazaret). Van oorsprong een scheldwoord voor Christen geworden Moslims.
  • Testies: Indo-Europeaan met een Hollandse vader en een Indo-Europese moeder.
  • Toegoenees: mengbloeden uit de wijk Toegoe (Tugu) bij Batavia (Jakarta). Toegoenezen stammen af van Mardijkers vermengd met Indo-Europeanen.
  • Mardijker: van oorsprong de naam voor vrijgemaakte slaven en krijgsgevangenen maar waren meestal mengbloeden van verschillende herkomst. Hun voorouders kwamen uit India, Makasar, Bali, Ambon, Banda, Portugal, Afrika.
  • Toepas: van Portugese afkomstige mengbloeden
  • Poesties: onbekend
  • Indische jongens, resp. meisjes: gangbare aanduiding voor Indo-Europese mensen in de omgeving van Den Haag.
  • Inlandse jongens en meisjes: aanduiding voor Indo-Europese weeskinderen in het diaconiehuis te Batavia in de VOC-tijd.[7]
  • Van Batavia: predikaat gebruikt voor Indo-Europese kinderen in het weeshuis te Batavia in de VOC-tijd.[7]
  • Casados: Indo-Portugees
  • Blasteran: een Indo-Europeaan, afgeleid van bastaard. Wordt in het huidige Indonesië gebruikt waar de beladen oorsprong niet altijd bekend is.

Eerste Indo-Europeanen[bewerken]

Manado was de plaats waar in de 16e eeuw voor het eerst in de archipel een Indo-Europese gemeenschap ontstond.[8]
Indo-Europeanen werden er geboren door de aanwezigheid van eerst de Portugezen en vervolgens Spanjaarden en Nederlanders. De eerste koning van Manado, Muntu Untu, was de zoon van een Spaanse mestizo.[9]

Indo-Europese cultuur[bewerken]

De VOC directie had geen plannen om een permanente kolonie te vestigen er werd slechts gesproken over een centraal rendez-vous. Volgens Jan Pieterzoon Coen was er echter door de handelingen van de VOC een ongeplande kolonie ontstaan waar voordelen aan zaten. Hij legde uit dat er geld mee bespaard kon worden. Migranten zouden generaties van mannen voor het VOC leger en administratieve functies leveren. Hij pleitte voor het sturen van boeren, ambachtslieden en leraren, bij voorkeur wezen vanwege hun calvinistisch opvoeding en gebrek aan binding met Nederland. Over de Aziatische vrouwen die men, volgens hem door het gebrek aan visie van de VOC, had moeten kopen was hij niet te spreken. Hij vroeg de directie dan ook om behoorlijk trouw volk, het liefst jonge meisjes.[10]

Vrouwen[bewerken]

Op Coen en een enkeling na waren de meeste VOC bestuurders er geen voorstander van dat er Europese vrouwen naar Indië kwamen. Volgens hun observaties waren veel van deze uit weeshuis afkomstige vrouwen slechts op snel geld verdienen en terug naar Nederland uit. Ook werden ze ervan beticht voortdurend te klagen, dronken te zijn en hun rijkdom te etaleren. Het werd verstandiger gevonden te trouwen met een Aziatische vrouw. Volgens bestuurder Hendrik Brouwer waren kinderen uit deze relaties gezonder en hadden Aziatische vrouwen minder eisen. Een voorwaarde was wel dat de vrouw bekeerd werd tot het Protestantisme. Wanneer de vrouw slaaf was moest de bruidegom de bruid vrijkopen alvorens te kunnen trouwen,[10] deze vrouw en haar kinderen kregen automatisch de status van Europeaan.

Niet alleen promootte de VOC de verbintenis met een Aziatische vrouw, ook kocht de onderneming vrouwen op de Aziatische markt om ze als bruid door te verkopen aan het personeel. Soms kreeg een wanhopige man zelfs een vrouw waarna maandelijks een bedrag van zijn salaris werd ingehouden.[10] Doordat er weinig Nederlandse vrouwen gedurende in Indië woonden en de bevolking Aziatisch of deels Aziatisch was kon er een mestieze Indo-Europese cultuur ontstaan. Landhuizen van de rijken werden ingedeeld volgens Javaanse gewoontes en versierd met Indonesisch beeldhouwwerk.[10] Vrouwen gebruikten Aziatische statussymbolen als het kauwen op sirihpruimen en het zich laten begeleiden door een slaaf met parasol.

Nieuwe koloniale tijd[bewerken]

Na in de nieuwe verhoudingen na 1816 nam de dominantie van de Indo-Europese cultuur af. Het Nederlandse bestuur was volhardender en zelfverzekerder in het opleggen van de Nederlandse cultuur. Bestuurders brachten hun Nederlandse vrouw mee en na de opening van het Suezkanaal in 1869 nam het aantal Nederlanders toe. Oude Indische families verloren aan macht en invloed. Toch bleef het proces van mestizering van de cultuur in de meer geïsoleerde binnenlanden van Java doorgaan,[10] en er waren ook nieuwkomers die er prat op gingen dat hun Nederlands niet vrij was van mestiezering. In de laat koloniale periode had het dragen van kleding behorende bij bepaalde bevolkingsgroepen een bijzondere betekenis. Een Indo-Europese man kon Indonesische kleding dragen wanneer hij een kampoeng, Javaanse theater of ronggeng bezocht om makkelijker op te gaan in de bevolking. Voor vrouwen daarentegen betekende het buitenshuis dragen van Indonesische kleding een stap omlaag op de koloniale ladder.[10]

Tot 1900 was het in Indië gebruikelijk dat vrouwen en mannen tijdens een ontvangst apart zaten. Vrouwen in de zitkamer en mannen in de voorgalerij, geheel volgens Javaans gebruik.[10] De taal die mestiezen spraken was gedurende de VOC-tijd in eerste instantie Portugees en later Maleis. Het was de gewoonte van in Azië geboren vrouwen zich meerdere keren per dag te wassen. Oude Bataviase huizen hadden bijbouwen met een gesloten ruimte naast het kanaal waar men zich kon omkleden en met een trap die naar het water leidde.[10]

Heden[bewerken]

Tegenwoordig zijn er nog typische culturele elementen te onderscheiden bij de huidige Indo-Europeanen in Nederland. Typisch wil niet zeggen dat deze elementen uniek zijn, ze komen ook bij andere culturen voor, maar ze zijn wel anders of nadrukkelijker aanwezig dan elementen uit de West Europese cultuur. Niet elke Indo-Europeaan zal zich in al deze elementen herkennen. Ook worden sommigen meer Hollands opgevoed, of kiezen ze er voor om meer te assimileren. Over het algemeen is de Indo-cultuur een mengeling van Indonesische, Zuid Aziatische en Europese cultuur. Een voorbeeld is de min of meer verplichte gastvrijheid waarbij niet afgepast wordt gekookt, maar altijd rekening wordt gehouden met onverwachte gasten. Binnenshuis worden vaak geen schoenen maar slippers gedragen. Het is gewoonte iedereen een hand te geven bij aankomst of vertrek als men op bezoek is. Ouderen worden niet getutoyeerd. Het is een morele plicht anderen te behoeden voor gezichtsverlies; mensen worden niet publiekelijk bekritiseerd, andersom wordt daar ook op gerekend. Rijst wordt gegeten met een lepel of, soms, met de rechterhand. Voedsel wordt op tafel gezet zodat ieder er naar behoefte van kan pakken. Bij speciale gelegenheden wordt met een bord op schoot of in de hand gegeten. Bij speciale gelegenheden zit men niet in een kring maar door het gehele huis. Ook niet familieleden worden vaak oom en tante genoemd.[11]

Typisch voor de oudere generatie in Nederland en in mindere mate voor de volgende is het 'wapperen' met de hand om iemand naar zich toe te roepen. Bij het snijden, van bijvoorbeeld een appel, wordt altijd van zich af gesneden. Er wordt niet met de wijsvinger naar iemand of iets gewezen. Eten gebeurt nooit staand of lopend. Allemaal algemene gebruiken uit Indonesië. Omdat men soms niet bekend is met bepaalde gedeelde culturele elementen of ze niet kan benoemen, zegt men nogal eens dat 'Indisch' een gevoel is.

De noodzaak van Europese burgers[bewerken]

Al vroeg in de VOC tijd besefte men de noodzaak van een permanente migranten groep in Indië. Deze groep, voortkomend bij voorkeur uit een Europese man en een (gedeeltelijk) Aziatische vrouw, zou kunnen voorzien in goedkoop personeel voor de VOC dat beter bestand was tegen het tropische klimaat.[10]
Met vijandige koninkrijken als buren was er behoefte aan een trouwe Europese bevolking. Deze hoopte men te vinden bij christelijke Aziaten, Indo-Europeanen en Indo-Europese weeskinderen, die konden dienen in het leger, de milities en als administratief en geestelijk personeel. Aziatische vrouwen die trouwden met een Europese man en hun kinderen kregen automatisch de status van Europeaan. Trouwen kon echter alleen met toestemming en onder de voorwaarde dat de vrouw protestant werd. In sommige gevallen werden Indo-Europese kinderen bij hun moeders uit het Aziatische kwartier weggehaald om in het weeshuis als Europese burgers op te groeien. De creatie van Europese burgers werd staatsbeleid.[10]
Gedurende de Franse periode besloot Gouverneur-generaal maarschalk Herman Daendels, een Britse aanval vrezend, het aantal Europeanen te vergroten door verlaten Indo-Europese kinderen te verzamelen en ze in het weeshuis te stoppen, zoals de VOC voor hem dat al deed. Hij vergemakkelijkte de procedure waardoor de formele erkening door de vader en 10 procent van diens salaris al genoeg was om kinderen Europees te maken.[10]

Heropvoeding en scholing[bewerken]

Tot de 20e eeuw werd heropvoeding van (Indo-)Europese kinderen informeel toegepast binnen Christelijke instanties. Tussen 1906 en 1918 ontwikkelde de overheid een formeel heropvoeding beleid voor deze kinderen.[12] Vanaf 1892 werden tehuizen opgericht voor de heropvoeding en scholing van kinderen. Vanwege de suikercrisis rond 1890 nam de werkloosheid en daardoor ook het aantal in de steek gelaten Indo-Europese kinderen toe. Daarop werden er op Java meerdere opvangtehuizen opgericht. Men werd er sterk nationalische opgevoed en praktisch opgeleid.[13] Van kinderen die door hun Inlandse moeder werden opgevoed werd gevreesd dat ze té Indisch werden wat hun loyaliteit aan het koloniale gezag en de Europese prestige niet ten goede kwam. Ze hadden niet alleen een bruine huid, maar spraken ook lokale dialecten en voelden zich thuis in de kampong. In het tehuis werden ze Europees opgevoed, maar ook niet te Europees zodat ze hun plaats niet uit het oog verloren. De vrees van de overheid was dat verwaarloosde, criminele jongeren vatbaar zouden zijn voor anti-koloniaal sentiment. Overheidsgestichten waren zowel gericht op het behoud van de raciale en culturele identiteit als op onderwijs.[14] De Indische overheid betaalde particulieren en organisaties tien gulden per maand per (Indo-)Europees kind en zeven en een half gulden per inheems kind. De instantie of particulier moest wel een goede reputatie hebben en werd overzien door een lokale politie agent of een vertegenwoordiger van de overheid. Tevens moest de verzorger van dezelfde landaard en religie zijn als het kind.[14] Veel van de volwassen jongens gingen uiteindelijk bij het leger of de marine. Meisjes werkten vaak in de huishouding en soms in het onderwijs of de verpleging.[12]

Een van die tehuizen werd opgericht door Johannes van der Steur die rond de 7000 kinderen onder zijn hoede had.

Afkomst Indo-Europeanen[bewerken]

Indo-Europeanen zijn ontstaan uit buitenechtelijke relaties en huwelijken tussen leden van verschillende bevolkingsgroepen. Voor de afschaffing van de slavernij in 1860 kwamen ze hoofdzakelijk voort uit relaties van Europese mannen met door hen, wel dan niet, vrijgekochte Aziatische en/of inlandse(Indonesische) slavinnen, maar ook uit relaties en huwelijken tussen Indo-Europeanen en Europeanen en Indo-Europeanen onderling. Na afschaving van de slavernij ging dit proces door, enkel waren de Aziatische of Indonesische vrouwen in kwestie geen slavin maar njai (concubine). Huidige Indo-Europese families met een lange historie in Nederlands-Indië kunnen zowel slavinnen als njai's als voormoeders hebben.

VOC periode, begin Nederlands-Indië[bewerken]

Gedurende de VOC-tijd tot 1860 werden Indo-Europeanen hoofdzakelijk geboren uit een Europese man en een Aziatische (vrijgekochte)slavin. De afkomst van zowel de Europese man als de Aziatische vrouw was zeer divers. De bevolking van Batavia bestond lange tijd uit mannen van verschillende Europese nationaliteiten, Chinezen, slaven en ex-slaven uit o.a. Zuid-Azië: India en Zuidoost Azië: Birma, Bali, Makassar, Banda, Melaka en mestiezen uit voormalige Portugese gebieden maar lange tijd geen Javanen. Later toen het grondgebied groter werd kwamen daar Sundanezen bij. Als een Europese vader de kinderen die hij bij een slavin had verwekt, niet erkende, bleven zij onder de hoede van hun moeder. Als zij zich tot het christendom bekeerden en daardoor de vrijheid kregen, gingen moeder en kinderen op in de bevolkingsgroep van vrije Aziatische christenen, de Mardijkers. Aangezien erkenning vaker niet dan wel plaatsvond was dat veelal het geval. In de hogere klassen was het gebruikelijk dat Indo-Europese zonen naar Nederland werden gestuurd om zich te vestigen of voor een opleiding. Indo-Europese dochters werden bij voorkeur gekoppeld aan Nederlandse nieuwkomers. Indo-Europese zonen die niet de mogelijkheid hadden om naar Nederland te gaan gingen relaties aan met of Indo-Europese of Aziatische vrouwen. Een relatie tussen een Indo-Europese man en een Europese vrouw kwam nauwelijks voor, zo'n relatie werd gezien als denigrerend voor de vrouw.[10] Gedurende de VOC periode werden huwelijken van Europeanen met (gedeeltelijk) Aziatische vrouwen aangemoedigd.

Vanaf 1860 na afschaffing van de slavernij in Nederlands-Indië[bewerken]

Een huwelijk tussen Europeanen en Indo-Europeanen, tussen Europeanen en inlanders of tussen Indo-Europeanen en inlanders was in de negentiende eeuw en daarna niet wettelijk verboden maar werd wel ontmoedigd door allerlei bepalingen. Zo hadden sommige werkgevers voor de Nederlandse man tot 1920 een trouwverbod gedurende de eerste zes jaren van zijn arbeidscontract (hij mocht ook niet met een Nederlandse vrouw trouwen) en waren er financiële drempels en administratieve verplichtingen (zoals het aanvragen van toestemming om te mogen trouwen). In de praktijk leefde meer dan de helft van de Europese mannen ongehuwd samen met hun inlandse of Aziatische nyai of muntji.

Volgens een wetsartikel uit 1848 had een moeder met de inlandse status geen rechten met berekking tot door een Europese vader erkende kinderen. Ze kon dus ook over minderjarige kinderen geen voogdij claimen na de dood van de vader.[10]

Namen[bewerken]

Aziatische slavinnen droegen vaak als achternaam de plaats van oorsprong. Wanneer ze trouwden met een Europeaan of een Indo-Europeaan, kregen ze de Europese status en een Europese naam. In sommige gevallen was de voornaam een afgeleide van de naam van haar man. Kinderen geboren uit een onechtelijke relatie die erkend werden kregen in sommige gevallen een van de vaders achternaam verbasterde achternaam. Een voorbeeld is Arnolda Schulp (schelp) wier vader Mossel heette.[10] Een ander voorbeeld is Kijdsmeir de naam van de buitenechtelijke erkende kinderen van Van Riemsdijk. Kijdsmeir is Riemsdijk achterstevoren. De verbastering van achternamen van erkende Indo-Europese kinderen ging in de twintigste eeuw door. Enkele voorbeelden zijn: Reijem (Meijer), Esreteip (Pieterse) en Nesjan (Jansen).[13]

Er bestaan verschillende Indische roepnamen. Sommige roepnamen zijn verbasteringen van de voornaam terwijl anderen geen enkel verband hebben met de voornaam. Wanneer een kind ziekelijk was, gaf een baboe het kind soms een andere naam omdat ze vermoedde dat het kind ziek was omdat het een naam had gekregen die niet bij hem paste. Andere familieleden namen dit over en bleven die naam als roepnaam gebruiken. Europese voornamen waren soms moeilijk uit te spreken voor bedienden en familieleden, namen werden hierdoor zo verbasterd dat iedereen ze uit konden spreken. Een ander fenomeen dat optrad bij de vertaling van een Europese naam was de verwisseling van de F,V en de P. Een naam als Frederik kon veranderen in Pede, Charles in Tjalie en Yvonne in Vonnie of Vonneke. Een roepnaam werd ook gecreëerd door de laatste lettergreep van de voornaam te herhalen.

Juridische indeling van de bevolking[bewerken]

In juridische zin kende de Nederlandse wetgeving slechts twee categorieën bevolkingsgroepen: inlands en Europees. Mensen van gemengde afkomst werden in één van beide categorieën ingedeeld. Bepalend hierbij was de wettelijke erkenning door de Europese ouder: kreeg men die, dan werd men juridisch ingedeeld bij de Europeanen, dat bekend werd als Indo-Europeaan, kreeg men die erkenning niet, dan bleef men inlands dus Indonesisch. In de praktijk betekende het laatste vaak dat het kind met zijn moeder 'in de kampong verdween', een uitdrukking die zelfs in officiële stukken werd gebruikt. Erkenning of wettiging van een kind, door een Europeaan(maar ook door een Indo-Europeaan) buiten huwelijk verwekt bij een niet-Europese vrouw(inlands/Indonesisch of Aziatisch), kwam voor een kind dus neer op een overgang van de ene naar de andere bevolkingsklasse. Een bijzondere situatie deed zich voor wanneer een inlandse of een niet erkende Indo-Europese vrouw trouwde met een Europeaan die daarna weer van haar scheidde. Haar juridische en maatschappelijke status veranderde dan van inlander in Europeaan en na de scheiding weer in inlander, met de wisselende kledingvoorschriften die daar bij hoorden.

In de grondwet van 1814-1815 werd voor het eerst gesproken over het 'Nederlandsche volk'. Hieronder vielen alle bewoners van de negen provincies die tot het grondgebied van Nederland behoorden. De Nederlandse nationaliteit was nog niet als een zelfstandige juridische status omschreven. Het Nederlandse volk kreeg het recht om in openbare functies benoemd te worden en kiesrecht. Volgens het eerste Nederlandse Burgerlijk Wetboek van 1838 geschreven na de val van Napoleon, was iedereen die in Nederland of in de koloniën was geboren Nederlander. Dit betekende dat vrijwel de gehele bevolking van Nederland én van de koloniën de Nederlandse nationaliteit bezat, maar slechts een heel klein aantal beschikte over een paspoort. De inheemse bevolking verloor in 1893 het Nederlandsschap en werd uitgesloten van de politieke rechten verbonden aan het Nederlanderschap en belandde in een nationaliteitsrechtelijk vacuüm. In 1910 werden zij Nederlands onderdaan door de wet Nederlands-onderdaanschap-niet-Nederlandersschap[15] Rond 1920 werd er een derde juridische categorie ingezetenen in het leven geroepen: 'Vreemde Oosterlingen'. Hierin werden immigranten uit niet westerse landen ingedeeld, met name Chinezen, Arabieren en Indiërs (uit Brits-Indië). Voor hen golden andere wetten en voorschriften dan voor de Inlanders en de Europeanen. Japanners werden niet daartoe gerekend, zij werden beschouwd als Europeanen omdat het Japanse rechtstelsel toentertijd gebaseerd was op Europees recht.

Door hun vader erkende Indo-Europeanen waren vanaf het begin van de VOC-periode juridisch Europeaan en kregen vanaf 1838 de Nederlandse nationaliteit.[16] Maatschappelijk gezien vormden de Indo-Europeanen een tussenlaag (onderste laag van de Europese groep) tussen de autochtone bevolking (de inlanders/Indonesiërs) en de sociale top van Europeanen. Een klein deel van die middenlaag of middenklasse, meestal de oude of de gegoede Indo-Europese families, behoorden tot de sociale top van de Europeanen/Nederlanders.

De term Nederlands onderdaan was ruimer dan de term Nederlander: inlanders (Indonesiërs) waren wel Nederlands onderdaan, maar geen Nederlandse staatsburger.[17] Na de onafhankelijkheid konden achterblijvende Nederlanders tot december 1951 kiezen om Nederlander te blijven of om Indonesiër te worden. Inlanders werden automatisch Indonesiër. Voormalige Nederlanders die Indonesiër waren geworden konden later gedurende een beperkte periode alsnog opteren voor het Nederlanderschap en uit Indonesië vertrekken. Dit waren de zogenoemde spijtoptanten.

Beroepen[bewerken]

Gedurende de hele koloniale periode waren militairen, van verschillende afkomst, de grootste beroepsbevolking.[10] De hoogste functie binnen het bestuur van de VOC in Azie was dat van Gouverneur-generaal. Dirk van Cloon was de enige Indo-Europeaan die deze functie heeft bekleed.[10] Onder hem de Directeur-generaal van de Handel en raadsleden. De leden van de Raad werden over het algemeen benoemd uit kringen van hogere Europese bestuursambtenaren. De Gouverneur-Generaal en zijn Raad gezeteld in Batavia hadden vrijwel absolute macht over de bewoners van de Nederlandse kolonies in Azie en stonden boven het leger. Onder de Raadsleden vielen de kooplieden die onderverdeeld waren in senior koopman, koopman en junior koopman.[10] De VOC had het beleid slechts in Europa geschoolde mannen op de belangrijkste functies te plaatsen. Om deze reden stuurden ambitieuze mannen hun in Azië geboren zonen naar Nederland, hoewel formeel niet toegestaan, om te studeren of permanent te vestigen. Slechts enkelen bereikte een hoge positie bij de VOC zonder onderwijs in Nederland. Voor in Indië opgeleide Indo's en totoks was slechts een VOC-functie weggelegd als soldaat, ambachtsman of copiist.[10] Indische families klommen in de meeste gevallen gedurende de VOC tijd op via de vrouwelijke lijn, waarbij zeer jonge dochters werden gekoppeld aan nieuwkomers en in Nederland geschoolde zonen van bevriende families. Deze schoonzonen konden opklimmen dankzij de invloed van hun schoonvader. Doordat de meisjes vaak jong trouwden en belangrijk waren voor de carrière van de nieuwkomers trouwden ze vaak meer dan eens. Na de dood van hun aanzienlijk oudere mannen beschikten ze naast de connecties van hun vader vaak over veel geld en goed. Ze werden zo begeerd dat de VOC een Islamitische wet aannam waarbij weduwen pas na een bepaalde periode weer mochten trouwen. Via deze omweg domineerden Indische families, vaak van gemengd bloed, de top van de maatschappij.

Met de komst van de Engelsen (1810/1811) begon het einde van de dominantie van de Indische families, hoewel onsuccesvol, trachtten de Engelse heersers de macht van de Indische families te breken door slechts nieuwkomers toe te laten tot het bestuur. Door gebrek aan tijd en personeel slaagden ze daar nauwelijks in, maar zetten wel een trend voor de periode erna. Met de overdracht van Indië van Engelse naar Nederlandse handen kreeg Indië te maken met een zelfbewust zelfstandig Nederland. De nieuwe bestuurders hadden niet de behoefte om hun hele leven in Indië te wonen en waren daarom niet afhankelijk van Indische connecties en dochters. Bestuurlijke invloed via de vrouwelijke lijn nam voor Indische families hiermee af. In 1818 werd bepaald dat raadsleden Nederlands moesten zijn, legitiem, vastgelegd in het burgerregister van hun geboortestad. Ook mochten raadsleden geen familie van elkaar zijn door bloed of wet tot 4 niveaus van verwantschap. Wet nummer 48 van de grondwet in 1836 bepaalde de toekomst van de raad en veranderde het van een medewetgevend orgaan in een adviesorgaan voor de Gouverneur-Generaal.

De Indo-Europeanen waren tot de negentiende eeuw te vinden in alle beroepslagen in de Indisch Nederlandse samenleving. Een deel daarvan fungeerde, in vooral de achttiende eeuw, als "brug" tussen de Europeanen en Indonesiërs. Dat veranderde aan het eind van de 19de eeuw toen Indo-Europese handelaren het af moesten leggen tegen Europese-, Indonesische- en Chinese handelaren die directe handel gingen voeren met Singapore. Een andere factor is dat Nederland vanaf de 19e eeuw meer grip probeerde te krijgen op de kolonie door de hoogste functies toe te wijzen aan in Nederland geboren blanken. Dit betekende dat in de hogere beroepslagen het aantal Indo-Europeanen afnam.[18] Dat werd er niet beter op toen geschoolde inlanders werden aangenomen in functies die eerder exclusief aan Indo's toebedeeld werden. De juridische status van Europeaan sloot discriminatie niet uit. Het kwam vaak voor dat Indo-Europeanen een lager salaris kregen dan een volbloed Europeaan met dezelfde functie.[19] Ook moest men om in aanmerking te komen voor hogere functies in Nederland geboren zijn of daar een opleiding hebben genoten. Veel Indo-Europeanen hadden de middelen niet om direct naar Nederland te gaan om daar hoger onderwijs te volgen.[19] De gegoede Indo-Europese families konden dat wel, en in sommige gevallen waren zij, of hun kinderen, geboren in Nederland.

Veel Indo-Europeanen waren ambtenaar of dienden in het Koninklijke Nederlandse-Indisch leger (KNIL), en waren Nederlands/Europees of Nederlands/Europees georiënteerd. Het KNIL was tussen 1816 en 1870 voor Indo-Europeanen de grootste werkgever.[20] Andere hadden echter slecht betaalde baantjes en leefden 'aan de rand van de kampong' De zogenaamde paupers of lagere klasse. De lagere klasse werd vaak ondersteund door kerkelijke instanties, vrijmetselarij of anderen die zich wilden inzetten voor de minderbedeelden in de Europese samenleving in Nederlands-Indië.

Over het algemeen waren de Indo-Europeanen in drie sociale standen in te delen:

  • hogere klasse of de hogere middenstand
  • middenstand
  • lagere klasse.

De Indo-Europeanen waren niet actief in de landbouw. Het was hen wettelijk verboden om grond te bezitten. Indo-Europeanen deden geen werk onder hun stand. Eenvoudig of zwaar werk dat geassocieerd werd met inlanders werd zowel door de blanke Europeanen als Indo-Europeanen niet gedaan. Zwaar lichamelijk werk werd uitsluitend door de inlandse autochtone bevolking en door allochtonen zoals de Chinezen gedaan.

Het KNIL[bewerken]

Nadat de Nederlanders zich gevestigd hadden in delen van Indonesië probeerden zij zich meester te maken van de omliggende landen. Wanneer deze gebieden veroverd waren moest een bezettingsleger de orde handhaven en weerstandskernen uitschakelen. Met de vordering van de pacificatie werden dure buitenlandse huurlingen vervangen door een koloniaal leger bestaande uit officieren en manschappen uit eigen land en een kleiner deel inheems.[20] Omdat het Nederlandse volk in de negentiende eeuw uit te weinig mensen bestond was het leger aangewezen op Indo-Europeanen en inheemse militairen. Van 1816- 1870 is het aandeel Indo-Europeanen in het koloniaal leger groot, van 1870 tot 1917 neemt het aandeel sterk af en van 1917 tot 1942 is het aandeel Indo's in het leger relatief en absoluut het grootst, een klein deel is echter beroepsmilitair. In 1917 werd in Nederlands-Indië de dienstplicht ingesteld voor alle Europese ingezetenen, dit als reactie op de snelle opkomst van het Indonesische nationalisme.[20] Men was bang dat het hele staande leger uit inheemse militairen zou bestaan waardoor de veiligheid in gevaar zou worden gebracht. Vooral de luchtafweerafdeling had grote aantrekkingskracht op Indo-Europese jongens. Het KNIL was tussen 1816 en 1870 voor Indo-Europeanen de grootste werkgever.

Taal[bewerken]

Het Maleis en het Portugees werden vanaf de vroeg-koloniale tijd gebruikt als Lingua franca in Zuidoost-Azië en de Indonesische Archipel. Van uit het Maleis en het Portugees en uit een combinatie van deze twee talen, ontstonden verschillende pidgin en creoolse talen. De Indo-Europeanen die in Indië woonden toen de Nederlanders daar de macht overnamen spraken een verbasterde vorm van Portugees. Dit wordt wel aangeduid met de termen Maleis-Portugees, Portugees-Maleis, Indo-Portugees, Portugis, Papia Ternate en Papia Kristang. Ook Indo-Europeanen die uit de op de Portugezen veroverde gebieden naar Indië werden gebracht spraken een verbasterde vorm van Portugees.

Indo-Europeanen die tussen 1600 en 1800 in Indië werden geboren namen deze taal over. Na 1800 kreeg het Maleis, doorspekt met Portugese woorden, de overhand. In Batavia (Jakarta) ontstond een Maleise variant met veel Nederlandse woorden.

Ook in andere steden in Indië nam het gebruik van Nederlandse woorden toe. Vanaf het begin van de twintigste eeuw begon het Nederlands, met name het Indisch-Nederlands en de creoolse variant er van, te domineren bij de Europeanen in Indië.[21]

Overblijfselen van het creool Portugees in de taal van de Nederlands-Indische cultuur zijn onder andere de woorden sinjo en nona, verbasteringen van signor en donna, gebruikt voor Indo-Europese kinderen.

Een fragment uit een Maleis-Portugees verhaal (1780)[22]

De Eed op het Kerkhof
Pasa bira bira coorpoe, skoeta
toedoe banda, brienka brienka
oloe. Grande cobisojoe noe lem-
bransa poor panja aloen koeja.
Ille boeska ki atja te kapen.
oeng kris, oen badé, oeng
klëwan, oen spada, oeng katana.

(Heupwiegend loopt hij rond,
overal luistert hij, zijn ogen
lonken. Een groot verlangen
heerst in zijn geest om iets
Hij probeert een
kris te vinden, een priem, een
kapmes, een zwaard of een dolk.)

De taal waarmee een Indo-Europeaans kind in de twintigste eeuw opgroeide kon verschillend zijn. In tangsi's (kazernes) zal vooral het Tangsi Maleis de moedertaal zijn geweest.[23] Kinderen die door baboes of inlandse moeders werden opgevoed kregen Maleis of een streektaal als eerste taal mee. Bij andere gezinnen en in weeshuizen was het Nederlands of een andere Europese taal dominant.

Vanaf het moment dat men naar school ging, veel Indo-Europese kinderen bezochten de Europeesche Lagere Scholen waar onderwijs in het Nederlands werd gegeven, werd het Nederlands steeds dominanter. Indo-Europeanen die als moedertaal Maleis of een streektaal hadden en op school Nederlands leerden, spraken vaak in de tussenfase een creoolse taal die Petjoh wordt genoemd, een mengvorm van Maleis en Nederlands. Er ontstonden in meerdere perioden verschillende varianten van deze mengtaal.
Aan het eind van de negentiende eeuw sprak het grootste deel van de Indo-Europeanen thuis een variant van het Petjoh. Petjoh in al zijn varianten werd meestal aangeduid als het Indisch-Nederlands der Indo-Europeanen. Daarna werd deze taal meer en meer verbannen naar de straat waar het vooral een jongenstaal werd.[24] De oudste vorm van Petjoh stamt uit de VOC-tijd toen kinderen van VOC-dienaren en inheemse vrouwen, met Nederlands als vadertaal, werden grootgebracht door slaven en bedienden die creools Portugees met hen spraken.[24]

Een fragment in het Petjoh van Batavia[25]

Ik seht: "Als so, alleen djoeloeng-djoeloeng jij fang!"
Hij seht: "Itoe diejè!"
Ik seht: "Njang klein-klein fóór wat?"
Hij seht: "Foor kwamaroem".
Ik seht: "Foor wat?"
Hij seht: Foor waramoeki".
Ik seht: So-euven jij seh anders".
Hij seht: "Ha-a. Muuleke woort dese. Laat maar dese woort, alsmaar ding-nja hoet".
Ik seht: "Wat foor ding, dese ding. Lekker?"
Hij seht: "Masa lekker. Als jij denken freten door maar-door jij".

Goede beheersing van het Standaardnederlands, toen Algemeen Beschaafd Nederlands genoemd, werd in de twintigste eeuw steeds belangrijker voor een goede positie in de Nederlands-Indische maatschappij. Volgens een onderzoek uit 1900 sprak echter slechts 443 of 29,3 procent van 1.476 pupillen met de Europese status een beetje Nederlands, terwijl 621 of 41,5 procent helemaal geen Nederlands sprak.[10]

Tot in hoeverre men het Maleis of een streektaal bleef spreken hing af van de afkomst en de relaties met inlandse familieleden en bedienden zoals de baboe. Indische Nederlanders, inclusief de volbloed Nederlanders, spraken tenminste wat woorden en zinnen Maleis of streektaal. Een deel van met name kinderen die in de jaren zestig naar Nederland kwam kampte met een taalachterstand. In sommige Nederlandse steden ging het zelfs om de helft van de kinderen. De oorzaak was het verbod op Nederlands onderwijs vanaf 1958 in Indonesie en doordat naarmate de migratie vorderde het aantal hoogopgeleide afnam en het aantal Indonesische moeders toenam.[26]

Bekend zijn de zogenaamde stopwoorden zoals adoe!, adoh of doeh en lôh! of lâh (uitroepen van verbazing en als stopwoord) en kasi-an (uitroep van medelijden). Het gebruik van deze woorden is niet specifiek Indisch of Indo-Europees. Ze worden gebruikt door meerdere bevolkingsgroepen in Zuidoost-Azië zoals Maleisië, Singapore en Indonesië. Andere voorbeelden zijn garnalenhersens een letterlijk vertaling van het Maleis/Indonesische otak udang waarmee een dom persoon wordt aangeduid, te erug als vervanging van het Maleis/Indonesische terlalu,[27] al als vervanging van sudah[28] en het verzachtende achtervoegsel hoor als in geeft niet hoooor. Sommige Nederlandse woorden en begrippen hebben andere betekenissen zoals beuken dat niet alleen slaan betekent maar ook iets intensief, met kracht/smaak doen[28] en naar boven gaan dat ontspannen,[29] de koelere berggebieden opzoeken, betekent.

Kleding[bewerken]

Een Euraziatische vrouw in het boek Oud en Nieuw Oost-Indië (1726) van François Valentijn (1666-1727)

Gedurende het grootste deel van de VOC tijd droegen Indo-Europese, maar ook totok vrouwen, een sarong en een kebaya die tot de knieën reikte. Wanneer men op bezoek ging bij een dame wier man de status van raadslid had verruilde men de kebaya voor een die tot de enkels reikte. Op zondag wanneer men naar de kerk ging, en bij andere speciale gelegenheden, droeg men een Europese jurk en hoed.[10]

Volgens het reglement van het Bataviase weeshuis uit 1752 werden de Indo-Europese meisjes daar van de volgende kledij voorzien: 2 nette blousen van Guinea stof, 1 grove blouse van gebleekte stof, 3 bodices van Chinees linnen, 2 matrozen stijl kebaya's, 4 fijne Bengaalse hoofddoeken, 1 kledingstuk van Indiase stof, 2 zakdoeken, 2 paar schoenen, 2 paar sandalen, en 3 paar kousen. Indo-Europese meisjes kregen geen Europees corset maar in verhouding tot de Europese meisjes meer Aziatische kleding.[10] Wanneer een Indo-Europese of inheemse vrouw nyai werd ruilde ze haar gekleurde sarong in voor een witte en ging ze slippers dragen.[10]

Waarschijnlijk vanaf het begin van de negentiende eeuw droeg de Indo-Europese vrouw op haar huwelijksnacht een sarong met zacht blauw patroon op een witte achtergrond. Deze batik, die geproduceerd werd aan de noordkust van Java, werd batik kelengan genoemd en was ook de kleding waarin ze begraven werd.[30]

Politiek[bewerken]

De Indo-Europeaan Ernest Douwes Dekker en zijn Indische Partij, met een grote Indo achterban, speelden een grote rol in de opkomst van het nationalisme in Nederlands-Indië. Zo ontmoette de leden van vereniging Boedi Oetomo elkaar bij Douwes Dekker thuis. Boedi Oetomo zette zich in voor de ontwikkeling van het land en volk en was daardoor niet radicaal genoeg voor de oprichters en leden van de Indisch Partij die streefden naar onafhankelijkheid van Nederland. Sukarno zag Douwes Dekkers als zijn 'politiek vader' van wie hij het 'politiek nationalisme' had geleerd. Er zijn vermoedens dat het boek "Gods Geboorte", een beschrijving van de filosofie van de Indo Petrus S.L. Ward door Douwes Dekker, de basis legde voor één van de vijf zuilen van de Indonesische Pancasila, het geloof in één God.[31] Het Indo-Europeesch Verbond opgericht door journalist Karel Zaalberg was een belangenorganisatie voor Indo's die streefde naar een autonoom Indië met een grote rol voor Indo-Europeanen. Deze partij was echter voorzichtiger in het uiten van zijn mening omdat de Indo-Europeanen hoofdzakelijk in overheidsdienst werkten en de welvaart van Indo's voor deze partij voorop stond. Beide organisaties werden nauwlettend in de gaten gehouden door de Indische overheid, zo zouden er bij bijeenkomsten soms spionnen aanwezig zijn. De Indische Partij werd in 1913 verboden. Ernest Douwes Dekker is officieel benoemd tot Held van Indonesië.

Japanse bezetting[bewerken]

Een paar maanden nadat de Japanners Nederlands Indië hadden veroverd begon men met de registratie van Nederlanders. Men werd opgedeeld in volbloed en gemengdbloedig. Omdat het voor de Japanners niet duidelijk was waar de loyaliteit van de gemengdbloedige Indo-Europeanen lag kregen ze het voordeel van de twijfel en werden ze niet in kampen gestopt. Deze mensen worden Buitenkampers genoemd. Om aan te tonen dat men gemengdbloedig was diende men te beschikken over een asal oesoel, een afstammingsbewijs. Zonder inkomen en in veel gevallen zonder echtgenoten en vaders, die krijgsgevangen en of volbloeds waren, was het leven buiten het kamp waar het steeds vijandiger werd allesbehalve makkelijk. Omdat de Indo-Europeanen weigerden zich pro-Japans op te stellen kwam er in 1943 een tweede selectie waarbij Japanse ambtenaren bepaalden tot welke groep men behoorde, zo werd er onder andere gekeken naar de manier van lopen en bij twijfel was vooral de kleur van de ogen doorslaggevend.[32]

Vertrek naar Nederland[bewerken]

In het begin van de jaren vijftig moedigde de Nederlandse regering emigratie aan vanwege de stagnerende economische groei (uiteindelijk zouden zo'n 50.000 Indische Nederlanders vanuit Nederland naar andere landen emigreren). De immigratie van Indische Nederlanders werd mede hierom dan ook niet aangemoedigd. Veel Indische Nederlanders werd het moeilijk gemaakt om zich in Nederland te vestigen. Verzoeken om voorschotten voor een bootticket werden vaak afgewezen, een enkele passage vierde klasse koste in 1957 rond de 1000 gulden. Deze opstelling van de regering zorgde er voor dat Indische krachten zich gingen bundelen.[26]
In 1953 kwam de Hoge Commissaris in Indonesie A. Th. Lamping terug op zijn standpunt die hij twee jaar eerder maakte in de Nederlandse media dat de toekomst van Indo-Europeanen in Indonesie lag, ditmaal pleite hij voor versoepeling van de overkomst naar Nederland.[26]
Op 5 december 1957 werden all Nederlanders, zo'n 40.000 personen, staatsgevaarlijk verklaard en gesommeerd Indonesië te verlaten.[26] Deze dag staat bekend als Zwarte Sinterklaas. Bijna 40.000 Nederlanders vertrokken in de maanden daarop, terwijl de economische banden vrijwel geheel werden verbroken. Op 17 augustus 1960, vijftien jaar na het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid, werden ook de diplomatieke betrekkingen met Nederland verbroken.
Ondanks dat de migratie van de Indische Nederlanders bekendstaat als geruisloos waren er toch aansluitingsproblemen. Hoewel het overgrote deel goed Nederlands sprak kampte een deel van met name kinderen die in de jaren zestig naar Nederland kwamen met een taalachterstand. In sommige Nederlandse steden ging het zelfs om de helft van de kinderen. De oorzaak was het verbod op Nederlands onderwijs vanaf 1958 in Indonesie en doordat naarmate de migratie vorderde het aantal hoogopgeleide afnam en het aantal Indonesische moeders toenam.[26]

Tussen 1945 en 1965 zijn ongeveer 300.000 Nederlanders, Indo-Europeanen en Indonesiërs naar Nederland vertrokken. Deze migratie werd destijds aangeduid met het woord 'repatriëring'. Een groot deel van deze groep mensen was echter nooit eerder in Nederland geweest.

De migratie verliep in vijf golven.

  • 1945-1950: in verband met de capitulatie van Japan vertrokken ca 100.000 personen, hoofdzakelijk mensen die tijdens de Japanse bezetting in de jappenkampen gevangen hadden gezeten en onmiddellijk of binnen enkele jaren naar Nederland vertrokken.
  • 1950-1957: in verband met de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië vertrokken bestuursambtenaren, politieapparaat, rechterlijke macht en leger naar Nederland. Na de opheffing van het KNIL in juli 1950 vertrokken ook veel ex-KNIL-militairen, waaronder 4000 Molukkers met hun gezinnen en vele Belanda Hitam, KNIL-soldaten van Afrikaanse afkomst. Totaal aantal personen onbekend.
  • 1957-1958: Naar aanleiding van de Nieuw-Guinea-kwestie, die tot gevolg had dat personen met de Nederlandse nationaliteit in Indonesië tot ongewenste vreemdeling werden verklaard, vertrokken ca. 20.000 mensen.
  • 1962: in verband met de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië werden alle op Nieuw-Guinea verblijvende Nederlanders (ca. 14.000 personen) geëvacueerd. In de periode van het zgn UNTEA-bestuur kwam een groep van ongeveer 500 Papoea's die in Nederlandse overheidsdienst waren geweest met hun gezinnen naar Nederland.
  • 1957-1964: spijtoptanten waren mensen die na de soevereiniteitsoverdracht hadden gekozen voor het Indonesische staatsburgerschap, maar spijt hadden van hun keuze. In 1957 en 1958 was het Nederlandse toelatingsbeleid voor hen nog zeer restrictief, maar het werd vanwege de noodsituatie waarin de spijtoptanten door de politieke omstandigheden waren komen te verkeren verruimd; ca. 25.000 van hen konden alsnog naar Nederland komen en Nederlander worden.[33]
1rightarrow blue.svg Zie ook "Repatriëring van Indische Nederlanders" in het artikel Repatriëren.

Het Gebaar[bewerken]

In 2001 heeft de Nederlandse regering het zelfstandig bestuursorgaan Stichting Het Gebaar opgericht om aan, kort gezegd, mensen die Nederlander zijn gebleven of geworden, en tijdens de Japanse bezetting in Indië verbleven of elders door de Japanners werden geïnterneerd of tewerkgesteld, en in 2001 nog leven, een uitkering te betalen van in totaal € 159 miljoen als gebaar in verband met problemen bij het rechtsherstel na afloop van de Japanse bezetting in Nederlands-Indië, en tekortkomingen, kilte, en te veel formalisme en bureaucratie, bij de opvang in Nederland (voor zover van toepassing). Op verzoek van de Indische gemeenschap is geen onderscheid gemaakt tussen wie wel en wie niet in Jappenkampen hebben gezeten ("binnenkampers" en "buitenkampers").

Het bedrag is uiteindelijk vastgesteld op €1.822 per persoon, corresponderend met 87.000 betrokkenen.

1rightarrow blue.svg Zie ook "Rechtsherstel KNIL-militairen" in het artikel Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger.

Aantallen[bewerken]

Jakarta (Batavia) 1679[34]
Oostzijde: 271 Indo-Europeanen
Westzijde: 291 Indo-Europeanen
Voorstad: 198 Indo-Europeanen
Totaal: 760 Indo-Europeanen

Ommelanden (van Batavia) 1699
132 Indo-Europese mannen
165 Indo-Europese vrouwen
54 Indo-Europese jongens>14
33 Indo-Europese meisjes>14
65 Indo-Europese jongens<14
58 Indo-Europese meisjes<14
Totaal: 507 Indo-Europese personen

Indo-Europese bewoners weeshuis te Batavia 1674-1729
1674: 10 jongens, 20 meisjes
1680: 32 jongens, 23 meisjes
1687: 23 jongens, 28 meisjes
1696: 21 jongens, 17 meisjes
1700: 11 jongens, 21 meisjes
1706: 11 jongens, 26 meisjes
1712: 24 jongens, 17 meisjes
1718: 12 jongens, 31 meisjes
1726: 13 jongens, 16 meisjes
1729: 13 jongens, 13 meisjes

Uit onderzoek over de toename van mensen met de Europese status tussen 1881 tot 1940 komen de volgende getallen: 16.000 gemengde huwelijken, 29.000 kinderen uit gemengde huwelijken, 48.000 erkende kinderen geboren uit ongetrouwde relaties, 210.000 totok's[10]

Het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) berekende in 1990 het aantal Indische Nederlanders in Nederland: 472.600 mensen van Indisch/Indonesische origine, waarvan 187.700 mensen in Indië/Indonesië waren geboren. In beide categorieën vormden zij de grootste minderheidsgroep in Nederland.

Er is een demografische berekening uit 2003 dat in 2001 de 1e en 2e generatie Indische Nederlanders in Nederland ongeveer 458.000 mensen telden. Met dit gegeven is in te schatten dat zeker 800.000 mensen in Nederland van Indische afkomst zijn.[35] Echter onderzoeker dr. Peter Post van het NIOD schat dat er tussen de 1,5 to 2 miljoen mensen met Indisch bloed in Nederland wonen.[36] Daarbij zijn de Indische Nederlanders die in het buitenland wonen niet meegerekend. In een studie uit 2005 wordt geschat dat het aantal Indo's dat naar Australië ging rond de 10.000 ligt.[37]

Cultureel erfgoed[bewerken]

Tot het erfgoed van de Indo-Europeanen kan gerekend worden:

  • Krontjong Kemajoran, de krontjong stijl uit de Jakartaanse wijk Kemayoran waar overwegend Indo-Europeanen woonden.
  • Indo-Europese batik (batikken) in Indonesië bekend als Batik Belanda (Nederlandse batik)
  • Indo-Europese kebaya, ook wel Kebaya Belanda genoemd. Mogelijke inspiratiebron voor de Nyonya Kebaya.
  • De kondé, een haarwrong die door Indo-Europese vrouwen werd gedragen. Waarschijnlijk afkomstig van 'Coiffure à la Condé.[38]
  • De Indische keuken
  • Indo-Rock
  • Komedie Stamboel, een Indisch volkstheater met Indo-Europese acteurs en actrices dat opgericht werd in Surabaya
  • Indische literatuur
  • De Tong Tong Fair, Indische festival in Den Haag
  • Moesson, Indisch tijdschrift voorheen Onze Brug
  • De Indo, internationaal tijdschrift
  • El Atabal (Málaga, Spanje), Indisch dorp gesticht door Tjalie Robinson
  • (Shaolin) Kempo, vechtstijl. Een combinatie van Kuntao, Karata en Judo
  • Maen Pukulan/Poekoelan, vechtstijl uit de door Indo-Europeanen bewoonde wijken in Jakarta/Batavia.

Een grootschalig evenement dat jaarlijks vanuit de Indische gemeenschap wordt georganiseerd is de Tong Tong Fair (voorheen de Pasar Malam Besar). Ook heeft de Indische gemeenschap al vanaf 1956 een eigen periodiek Moesson (van 1956-1958 Onze Brug en vanaf 1958-1978 Tong Tong geheten).

Wijken en Steden[bewerken]

Hieronder volgt een lijst met straten, wijken en steden met een hoge concentratie Indo-European in het verleden en heden. Een aantal van de wijken in Nederlands-Indië werden frikandellenwijken[13] genoemd, een andere naam voor achterbuurt:

  • De wijk Karang Bidara of Karangbidara in Semarang[39]
  • De wijk Krambangan of Kerembarang in Surabaya[39]
  • De wijken Kemayoran (Indo's) en Toegoe (Toegoenezen) in Batavia
  • De straten Spinhuisgracht en Tijgersgracht in Batavia[10]
  • Den Haag
  • Arnhem
  • Apeldoorn
  • Amsterdam
  • Carambei, Brazilië

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Met vlag en rimpel. Erfgenamen van Indië. (2004) Teleac, Kosmos-Z&K Uitgevers Utrecht/Antwerpen, NUR 761, ISBN 90-215-4336-2

  1. Glissenaar, Frans, Indië verloren,rampspoed geboren. Hilversum: Uitgeverij Verloren BV, 2003, blz. 87.
  2. Jones, Guno, Tussen onderdanen, rijksgenoten en Nederlanders, Rozenberg Publishers, Amsterdam, 2007, ISBN 978-90-5170-779-3, blz 85
  3. Meijer, Hans, "In Indië geworteld, B. Bakker, 2004.
  4. P.J. Veth, Uit Oost en West, Uitgeverij L.J. Veen, ISBN 90 204 0237 4, pag.127
  5. De Gids, jaargang 50, 1886, P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam, pag 289
  6. Hans Meijer, In Indië geworteld, Uitgeverij Bert Bakker, ISBN 90 351 26173, pag.148
  7. a b Batavia, Uitgeverij Balans, 2001, ISBN 90 5018 723 4, pag. 336.
  8. Wahr, C.R. Minahasa (history) Website
  9. Wahr, C. R. Minahasa (history) Website
  10. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x Jean Gelman Taylor, pag.11,12, the university of wisconsin press 1983, ISBN 0-299-09470-7.
  11. Marlene de Vries, Amsterdam University Press 2009, ISBN 9089641254.
  12. a b Dirks, Annelieke, pag. 22
  13. a b c Hans Meijer, pag. 37, Uitgeverij Bert Bakker, ISBN 90-351-2617-3.
  14. a b http://www.nieuws.leidenuniv.nl/dossiers/dossier-azie/indonesie/dossier-indonesie/indische-kinderen-om-verschillende-redenen-heropgevoed.html
  15. Gérard-René de Groot, Handboek Nieuw Nationaliteitsrecht, Kluwer, 2003, ISBN 9026841116, 9789026841118.
  16. Jones, Guno, Tussen onderdanen, rijksgenoten en Nederlanders, Rozenberg Publishers, Amsterdam, 2007, ISBN 978-90-5170-779-3, blz. 60.
  17. Wet op het Nederlands onderdaanschap (Wet van 10 februari 1910, Stb. nr. 55).
  18. Gerrit Schutte and Heather Sutherland , pag. 250 t/m 277, http://www.acehbooks.org/pdf/ACEH_00307.pdf.
  19. a b D.D.: het leven van E.F.E. Douwes Dekker, Uitgeverij Verloren, 1999, ISBN 90-6550-064-2.
  20. a b c Centrum Onderzoek Maatschappelijke tegenstellingen, 1992, blz. 25.
  21. Petjoh, Prometheus, 1998, ISBN 90-5333-607-9.
  22. Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde, Oude Wetering 1986
  23. Anak Kompenie, Uitgeverij Tong Tong, 1965, ISBN 978-90-78847-02-1.
  24. a b Weg tot het Westen (1993) KITLV Uitgeverij, pag. 293
  25. UItgeverij Tong Tong
  26. a b c d e Ulbe Bosma, pag. 121, 122, Uitgeverij Bert Bakker 2009, ISBN 978 90 351 3242 9.
  27. nedindlexicon.nl/trefwoord/9038 (gearchiveerd)
  28. a b Bert Paasman, Stichting Tong Tong 2009, ISBN 9080143332.
  29. Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde, pag 7.
  30. Harmen C. Veldhuizen, pag. 34,35,62, Gaya Favorit Press 1993, ISBN 978-979-515-250-7.
  31. Frans Glissenaar, pag. 236, Uitgeverij Verloren, ISBN 90-6550-064-2.
  32. Harmen C. Veldhuizen, pag. 30, 31, Tjalie Robinson B.V., ISSN 0165 6546
  33. Tussen Onderdanen, Rijksgenoten en Nederlanders
  34. name="Hendrik E. Niemeijer","Batavia", blz.400,401, 406, Uitgeverij Balans, ISBN 90 5018 723 4
  35. CBG-file, pagina 58, koninklijkhuis.nl: "Prinses Margriet opent 3 juni 2005 in Den Haag 'De Indische Zomer'"
  36. Algemeen Dagblad, 16 augustus 2010.
  37. Cote, Joost and Westerbeek, Loes, ‘Recalling the Indies: Colonial Culture and Postcolonial Identities‘, (Askant Academic Publishers, 2005). ISBN 90-5260-119-4 [1]
  38. Uit Oost en West (2003) Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen, ISBN 90-204-0237-4
  39. a b The Komedie Stamboel: Popular Theater in Colonial Indonesia, 1891-1903 Ohio University Press; annotated edition edition (April 17, 2006), ISBN 0896802469