Indische filosofie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Filosofie
Banner-philosophy.png
Geschiedenis van de filosofie
Westerse filosofie Presocratische filosofie
Antieke filosofie
Middeleeuwse filosofie
Renaissancefilosofie
Moderne filosofie
Hedendaagse filosofie
Oosterse filosofie Hindoeïsme
Chinese filosofie
Japanse filosofie
Confucianisme
Taoïsme
Boeddhisme
Zoroastrisme
Arabische filosofie
Indische filosofie
Religieuze filosofie Christelijke filosofie
Joodse filosofie
Islamitische filosofie
Categorie filosofie Boeken
Filosofen
Stromingen
Portaal  Portaalicoon  Filosofie

Indische filosofie (Sanskriet: Darshanas) is de overkoepelende term voor een aantal vormen van filosofie die op het Indische subcontinent zijn ontstaan. Hiertoe behoren onder meer de hindoeïstische filosofie, de boeddhistische filosofie en de filosofie van Jain. De filosofie van het Indische subcontinent behoort tot de vroegste vormen van wijsgerig denken.[1] De verschillende stromingen verschillen op heel wat belangrijke punten, waardoor het moeilijk is om een omvattend beeld van de Indische filosofische gedachtegang weer te geven.

Beschrijving[bewerken]

Wat de verschillende stromingen binnen de Indische filosofie vooral gemeen hebben zijn de concepten Samsara, Dharma en Karma - die ze elk op hun eigen manier uitwerken - en de aanname dat er een alomvattende onderliggende orde van eenheid bestaat die aan zowel natuurverschijnselen als aan de door het lot bepaalde dingen ten grondslag ligt. Dit idee kwam voor het eerst ter sprake in de Rig-Veda. De scholen die de Veda nog steeds accepteren (dit zijn onder andere de Nyaya, Vaisheshika, Samkhya, Yoga, Mimamsa en Vedanta) staan ook wel bekend als de ástika, terwijl de scholen die de Veda hebben verworpen - zoals de Charvaka, het Boeddhisme en het Jaïnisme - nástika genoemd worden.

De Indische filosofie onderscheidt zich met name van de Westerse filosofie doordat zij is gebaseerd op het idee van de darshana, de openbaring van iets goddelijks en/of heiligs. De grote nadruk ligt op de waarheid buiten het verstand; aan kennis die met het menselijke verstand is verworven wordt maar een zeer beperkte waarde toegekend. Daarnaast is de Indische filosofie in hogere mate dan de Westerse filosofie gericht op het praktische, dat wil zeggen dat zij vooral wil dienen als gids en leidraad in het dagelijks leven; het filosoferen wordt dus gezien als een praktische noodzaak die vereist is om erachter te komen hoe men zijn leven het beste kan leiden. De stelsels zijn verder in hogere mate dan in de Westerse cultuur gebonden aan aloude tradities en meer in het bijzonder aan het gezag dat aan de Vedische oude geschriften wordt toegekend; voor de toegankelijkheid van de Indische filosofie voor buitenstaanders werkt dit laatste enigszins nadelig. Typisch voor de Indische manier van denken zijn verder nog het geloof in reïncarnatie (in het hindoeïsme en jaïnisme staat dit bekend als Moksha respectievelijk Kaivalya, in het boeddhisme als Nirwana), de hoge mate van onderlinge verdraagzaamheid en de duidelijke neiging om het aardse leven en het actieve leven dat zich daarop afspeelt te geringschatten en zich hiervan af te wenden.

Ook politieke filosofie heeft altijd een belangrijk onderdeel van de Indische filosofie gevormd. Een van de eerste teksten die aan de Indische politieke filosofie was gewijd is de Arthashastra, die rond de 4e eeuw v.Chr. geschreven moet zijn. De politieke filosofie van India is sterk beïnvloed door het Dharmisme. Hierin spelen vooral de begrippen Ahimsa en Satyagraha - die door Mahatma Gandhi werden gepopulariseerd in de tijd dat India voor zijn onafhankelijkheid streed - een zeer belangrijke rol.

Geschiedenis[bewerken]

De Indische filosofie werd vooral in de periode tussen 1000 v.Chr. en de eerste eeuwen van de Christelijke jaartelling uitgewerkt en verspreid. De eerste hoofdperiode wordt verder onderverdeeld in 3 subfasen:

1. Het Oud-Vedische tijdvak (ca. 1500 v.Chr. - 1000 v.Chr.), waarin de hymnen van de Rig-Veda een zeer belangrijke rol spelen. In deze periode hadden de Ariërs zich nog niet over heel Indië verspreid.

2. De tijd van de offermystiek (ca. 1000 v.Chr. - 750 v.Chr.), waarin er een kastenstelsel ontstond nadat de Indo-Ariërs zich van de inheemse volkeren - die zij sjoedra's noemden - wilden onderscheiden. Met name de kaste van de priesters (Brahmanen) werd hierbij zeer belangrijk.

3. De tijd van de Upanishads (ca. 750 v.Chr. - 500 v.Chr.)

De tweede hoofdperiode laat men lopen van ca. 500 v. Chr tot 1000. Hierin was sprake van steeds meer kritiek op de brahmaanse godsdienst en traden Mahavira en Boeddha naar voren, die ervoor zorgden dat er op het Indische subcontinent niet langer sprake was van slechts één religie. Ook was de Indische filosofie vanaf toen niet langer bedoeld was geheime leer maar werd opengesteld voor een breed publiek, inclusief de lagere kasten die er niet eerder bij betrokken waren geweest. In plaats van het Sanskriet werd de volkstaal als voertaal gebruikt.

Met name tussen 800 v.Chr. en 200 vond er tussen de verschillende filosofische scholen een heftige competitie plaats. Sommige van deze scholen zoals het Shaivisme, het Advaita Vedanta, het Boeddhisme - dat zich later vanuit India grotendeels verplaatste naar China en Japan - en het Jaïnisme hebben deze strijd overleefd, terwijl andere zoals de Samkhya en de Ājīvika tegenwoordig niet meer bestaan.

In de periode 1750–1947, de tijd van de Britse koloniale bezetting, verkreeg de Indische filosofie haar huidige vorm. Denkers als Vivekananda, Rabindranath Tagore, Sri Aurobindo, Ananda Coomaraswamy, Ramana Maharshi en Sarvepalli Radhakrishnan gaven aan de traditionele Indische filosofie een eigentijdse betekenis, terwijl Bhagwan Sri Rajneesh en Jiddu Krishnamurti hun eigen filosofische scholen ontwikkelden.

Tegenwoordig zijn personen als Deepak Chopra en instanties als de Brahma Kumaris Spirituele Academie en de Hare Krishna-beweging het meest toonaangevend.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Störig, Hans Joachim, Geschiedenis van de filosofie, 31