Ingveoonse talen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Ingveonismen)
Ga naar: navigatie, zoeken
Verspreiding van de vijf Germaanse hoofdgroepen in de 1e eeuw na Chr.

De Ingveoonse of Noordzeegermaanse talen zijn een groep sterk verwante Germaanse talen en streektalen die in de buurt van de Noordzee gesproken werden. Hiertoe behoren het Oudfries, Oudengels en Oudsaksisch. Het Oudfries en het Oudengels vertonen binnen de Ingveoonse talen een dermate sterke gelijkenis dat soms van een Anglo-Friese subgroep binnen de Ingveoonse talen wordt gesproken.[1]

De Ingveoonse talen kenmerken zich door een verzameling klankverschuivingen die zich - net als bij het Hoogduits - door contacten tussen buurvolkeren in meerdere of mindere mate hebben verspreid. Vooralsnog wordt het kerngebied waarbinnen al deze kenmerken zijn ontstaan en van waaruit al deze invloeden zich hebben verspreid alleen geïdentificeerd met de Noordzee, niet met een bepaald volk. Dit kan samenvallen met het probleem dat onze kennis over de demografische geschiedenis van het Noordzeegebied nog veel leemtes vertoont, met name wat betreft de precieze rol daarin voor de Friezen. Voor het Nederlandse gebied wordt gemakshalve ook wel de naam Proto-Fries gebruikt, waarmee voor die gemeenschappelijke voorouder gewoonweg de Friezen worden geïmpliceerd.[2]

De taalfamilie is genoemd naar de volkeren die in het Latijn als Ingvaeones werden aangeduid, een groep stammen die volgens de Romeinse geschiedschrijvers de Germaanse kustgebieden bewoonden. Minder bekend is haar tegenhanger, de Istvaeoonse groep, genoemd naar de Germaanse bewoners die meer aan de Rijn woonden, de Istvaeones. Uit deze laatste familie zijn de Frankische talen en dialecten voortgekomen, waaronder het Nederlands.

Voorbeelden van talen en dialecten met veel Ingveoonse invloeden zijn het Nederfrankisch (waaronder het Nederlands, in het bijzonder de dialecten in Zeeland en West-Vlaanderen), de Nedersaksische streektalen, het Friso-Frankische dialect West-Fries, en vooral het Fries en het Engels.

Ingveoonse klankverschuivingen[bewerken]

Op het vlak van fonologie en morfologie onderscheiden de Ingveoonse talen zich van de andere West-Germaanse talen.

Met name Fries en Engels hebben een duidelijk Ingveoons karakter. In mindere mate kent ook het Nederlands Ingveoonse eigenschappen. Sommige dialecten vertonen deze dan weer sterker, zoals het West-Vlaams; in het Hollands zijn deze ingveonismen wellicht te herleiden tot een Fries substraat. Omdat de Ingveoonse talen hoofdzakelijk gesproken werden aan de Noordzeekust, worden ze ook wel als Noordzeegermaans of kustgermaans aangeduid.

Het verschil met de tweede Germaanse klankverschuiving ligt in het feit dat in dit geval de noordwestelijke talen van klank verschoven en de zuidoostelijke gelijk bleven, terwijl het bij de tweede Duitse klankverschuiving precies andersom was.

Verlies van nasaal met rekking van voorgaande klinker[bewerken]

Een Ingveoons klankverschijnsel is dat bij een Germaans woorddeel dat bestaat uit een klinker, een neusklank en een wrijfklank, die nasaal verloren gaat en de klinker wordt verlengd (iets soortgelijks heeft zich met name sterk voorgedaan in de geschiedenis van het Frans). Voorbeelden hiervan zijn de volgende cognaten: het Nederlandse vijf, het Engelse five, het Friese fiif, het Nederduitse fiev, in tegenstelling tot het Duitse fünf. Meestal blijven Ingveaoonse kenmerken echter beperkt tot het Engels en het Fries: vergelijk het Engelse us en het Friese ús met het Nederlandse ons en het Duitse uns. Verdere voorbeelden:

  • Germaans *tanþz wordt Engels tooth, Noord-Fries toss (versus Nederlands tand, Duits Zahn).
  • Germaans *samfþō, -ijaz wordt Oudengels sōfte (later wordt de "o" kort: soft), Fries sêft, Nederlands zacht [ft→cht] (versus Duits sanft).
  • Germaans *anþeraz wordt Engels other, Fries oar, Frans-Vlaams aajer (versus Nederlands en Duits ander [þ→d])
(het Oudengelse other werd met een lange -oo-klank uitgesproken, om in het Middel-Engels via een -oe- naar de huidige klank, die weer kort is, te evolueren)
(in het Fries is ook de th-klank die oorspronkelijk tussen de o en de a stond, verdwenen).
  • Germaans *gansz wordt Engels goose, Fries goes, Nederduits Goos (versus Nederlands gans, Duits Gans).

/ʏ/ → /ɪ/ → /ɛ/[bewerken]

De Nederlandse /ʏ/ (van bijvoorbeeld put) werd in bepaalde Ingveoonse dialecten ontrond, dat wil zeggen meer naar voren in de mond gearticuleerd tot een /ɪ/ (klank als in pit), welke soms vervolgens nog verwijd werd (vooral in het Fries) tot een /ɛ/ (klank als in pet).

Duits Nederlands West-Vlaams Zeeuws Engels West-Fries Fries Afrikaans
Pfütze* put pit pit pit pet pet put
dünn dun dunne, dinne dinne thin dun tin dun
Rücken rug rugge, rik rik ridge reg rêch, rich rug
Brücke brug brugge, (soms) brigge (Schouwen) brigge bridge breg brêge, brigge brug
Mücke mug mugge, mizje (verouderd) mogge midge mig mich muggie
Knüppel knuppel knippel (verouderd) knoppel kneppel kneppel knuppel

* Het Duitse woord Pfütze betekent tegenwoordig ‘plas’.

Andere Ingveoonse klankverschuivingen[bewerken]

De Germaanse lange æ werd in het Nederlands een a, terwijl hij in de Ingveoonse talen een e en vervolgens een i werd. Voorbeeld: Nederlands schaap tegenover Fries skiep en Engels sheep.[3]

Anglo-Friese klankverschuivingen[bewerken]

/ɣ/ → /j/[bewerken]

Op het fonetische vlak kenmerken de Ingveoonse talen zich verder door een grootschalige lenitie ofwel verzachting, dat wil zeggen het verschuiven van de /ɣ/-klank (de Nederlandse 'g' als in gaan) naar een /j/-klank. Dit fenomeen komt vrijwel alleen voor in het Fries en het Engels, en vormt een belangrijke reden voor taalkundigen om het Fries samen met het Engels tegenover andere Laagduitse talen te plaatsen. Voorbeelden:

Duits Nederlands Fries Engels
gestern gisteren juster yesterday1
ginder jinder yonder
Garn garen jern yarn
Regen regen rein rain
geschlagen geslagen slein slain
Hagel hagel heil hail
Nagel nagel neil nail
Flegel vlegel fleil flail
Segel zeil seil sail
Tag dag dei day
Weg weg wei way
gelten gelden jilde yield
gern gaarne jerne yearn2
Garten gaard gard, gerd, gord yard
gelb geel sfri. jeel3 yellow
Gischt gist sfri. jääst3 yeast
gähnen (geeuwen) ndfri. jåne4 yawn
Wagen wagen wein wain5
Geld geld jild yield
geben geven jaan me. yeven, yiven
gießen gieten jitte me. yeten
  1. In het Engels wordt achter de 'gisteren'-stam nog de bepaling 'dag' (day) gevoegd, die de letterlijke vertaling 'gisterendag' maakt. Als deze bijvoeging achterwege wordt gelaten, wordt de overeenkomst tussen het Friese 'juster' en het Engelse 'yester' nog duidelijker.
  2. Tegenwoordig in het Engels alleen een werkwoord, maar nog steeds met eenzelfde betekenis: "smachten, vurig verlangen".
  3. Saterfries = (Westerlauwers) Fries giel/geel; gêst.
  4. Noord-Fries = Saterfries jane, hojane.
  5. Archaïsche term voor een door een paard getrokken wagen. Het Engelse wagon is een leenwoord uit het Nederlands.

Palatalisatie en assibilatie van velaire plofklanken[bewerken]

Een andere karakteristieke klankverschuiving die zich binnen de Ingveoonse talen alleen in de Anglo-Friese subgroep heeft voorgedaan is de assibilatie van de stemloze velaire plofklank /k/ naar de stemloze affricaat /t͡ʃ/ en stemhebbende velaire plofklank /g/ naar de stemhebbende affricaat /d͡ʒ/, indien ze werden gevolgd door een frontale klinker.[1] Een verschil tussen het Fries en het Angelsaksisch is dat in de laatstgenoemde assibilatie ook voorkwam ná een frontale klinker (vgl. Fries tsjerke en Engels church)[4]

Het ligt voor de hand dat aan deze assibilatie een palatalisatie is voorafgegaan. De Duitse germanist Theodor Siebs stelde dat de samenstelling /k/ + /î/ onmogelijk uit te spreken is zonder daarbij een /ç/-achtig overgangsgeluid te produceren (/ç/ spreekt men uit als de 'ch' in het Duitse 'ich'). Als de /k/ in die samenstelling wordt uitgesproken beweegt de tong alvast naar een positie tegen het gehemelte (palatum) die nodig is voor de productie van /î/. De palatale plofklank + /ç/ die hieruit ontstaat is moeilijk te onderscheiden van de affricaat /t͡ʃ/.[5]

Hoewel sommigen menen dat de assibilatie van /k/ en /g/ naar respectievelijk /ts/ en /dz/ al voor de migratie van de Angelsaksen naar de Britse eilanden moet hebben plaatsgevonden, menen de meeste taalwetenschappers dat deze ontwikkelingen zich onafhankelijk van elkaar op beide delen van het continent hebben ontwikkeld. Ervan uitgaande dat dit laatste het geval is, is het wel zeer aannemelijk dat deze ontwikkeling voortkomt uit een gemeenschappelijke predispositie voor deze verschuiving. Hierbij kan gedacht worden aan een neiging om de /k/ en /g/ extreem te palataliseren naar /kʲ/ en /gʲ/.[6]

/k/ → /t͡ʃ/[bewerken]

Voorbeelden van de genoemde stemloze klankverschuiving /k/ → /t͡ʃ/ (of /k/ → /t͡s/) zijn de volgende:

Duits Nederlands Fries Engels
Kirche kerk tsjerke church
Käse kaas tsiis cheese
Kaff kaf tsjêf chaff
Kelch kelk tsjelk chalice
kaak tsjeak cheek
kernen karnen tsjerne churn
kaudern koeteren tsjetterje chatter
keiben kijven tsifje
Kehr kier / keer tsier / tsjier chore
Kerl kerel tsjirl churl
Kessel ketel tsjettel oe. ċietel
jeglich elk elts each
reichen reiken ofri. tsia reach
gebrochen gebroken brutsen broken *
strecken strekken strekke stretch
sticken stikken stikje stitch

* vgl. het Engelse breach (='breuk')

/g/ → /d͡ʒ/[bewerken]

Voorbeelden van de stemhebbende klankverschuiving /g/ → /d͡ʒ/ (of /g/ → /d͡z/) zijn de volgende:

Duits Nederlands Fries Engels
Wiege wieg widze
eggen eggen eidzje oe. ecgan
sagen zeggen sizze oe. secgan
Gefangen gevangen finzen me. fangen
Rücken rug rêch ridge
Brücke brug brêge bridge
Mücke mug mich midge
Ecke egge ich edge

Ingveoonse woordenschat[bewerken]

Mede als gevolg van deze typisch Ingveoonse klankverschuivingen (Ingveonismen) komt op enkele punten de vorm van woorden met dezelfde betekenis in het Fries en Engels precies overeen, terwijl ze afwijken van equivalenten in het Nederlands en West-Vlaams (zie ook etymologie en cognaten):

Fries Engels Nederlands West-Vlaams
boai boy jongen joungen
brein brain hersenen (brein) hersen (brein)
doar door deur deure
sfri. griene
ndfri. grinj, grüne1
grind malen malen
hynder, hoars
sfri. hoangst
ndfri. màr
horse paard
ros
perd
jit yet nog nog
kaai key sleutel slooter
ljip
ndfri. liap
lapwing kievit kievit
loaitsje look kijken kykken
lofts
ndfri. leeft
left links linksch
sibbe
sfri. früünd
ndfri. kinn
kin verwante verwante
slang snake slang snaake
sfri. sleeuwe
ndfri. slief2
sleeve mouw mouwe
swiet sweet zoet zoëte
tegearre together samen
altegaar
tegaere
  1. Westlauwers Fries mealle.
  2. Westlauwers Fries mouwe.

Deflexie[bewerken]

In de morfologie vertonen de Ingveoonse talen deflexie in de samenvoeging van de accusatieve en datieve naamvallen tot de objectieve naamval en in de persoonsvormen, die in het meervoud alle gelijk werden. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Duits:

Duits West-Vlaams Nederlands West-Fries Fries Engels Afrikaans
wir haben Widder èn wij hebben wai hewwe wy hawwe we have ons het
ihr habt Gidder èt jullie hebt/hebben jolle hewwe jim hawwe you have julle het
sie haben Zidder èn zij hebben sai hewwe hja hawwe they have hulle het

Hierbij moet worden opgemerkt dat jullie een relatief nieuw voornaamwoord is in het Standaardnederlands, en dat in het Nederlands naast het moderne jullie hebben ook jullie hebt voorkomt, al is dat in de spreektaal niet (meer) gebruikelijk. Deze vorm is in de standaardtaal ooit onder invloed van het Brabants (gij/gullie hebt) ingevoerd. Vergelijk ook de Duitse standaardvormen ihr habt en ihr könnt.

Het Engels lijkt de vereenvoudiging nog het meest doorgetrokken te hebben; ook de enkelvoudpersonen zijn, met uitzondering van he/she/it en het verouderde thou, gelijk aan de meervoudspersonen.

Wederkerend voornaamwoord[bewerken]

In tegenstelling tot andere West-Germaanse talen kennen Ingveoonse talen geen aparte vorm voor wederkerende voornaamwoorden in de derde persoon. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat in het Nederlands pas vanaf de 14e eeuw sich (modern: zich) het woord hem (vrouwelijk: hare, meervooud: hen) ging vervangen. Het Afrikaans heeft nog steeds hom. Het woord 'zich' is geleend uit het Duits (sich). In het Nederlands betekenen "Hij wast zich" en "Hij wast hem" tegenwoordig iets geheel anders. In het Fries kan "Hy wasket him" beide betekenen (meestal betekent het "Hij wast zich"). Bij onduidelijkheid kan "-sels" toegevoegd worden: "Hy wasket himsels". Dit is ook het geval in het Engels, waar "-self" tegenwoordig standaard wordt toegevoegd: "He washes himself". Het West-Vlaams heeft dit kenmerk ook: "J'es em an 't wasken" of "Je wast hem", "zie wast em", evenals het West-Fries: "Hai waskt himself." Ook in andere Nederlandse dialecten, zoals het Zeeuws wordt hem als wederkerend voornaamwoord gebruikt.

Zie ook: Zich.

persoon Engels Fries West-Fries West-Vlaams Afrikaans Nederlands Duits
3e mannelijk him(self) him(sels) himself em homself zich sich
3e vrouwelijk her(self) har(sels) heurself eur haar(self)
3e meervoud them(selves) har(sels) hunself ulder hulle
onbepaald one(self) jin(sels) ut et -

Referenties[bewerken]

  • Cor van Bree, Een oud onderwerp opnieuw bekeken: het Ingweoons. Afscheidscollege 25 september 1997, Universiteit Leiden
  • Rolf H. Bremmer Jr, An Introduction to Old Frisian. History, Grammar, Reader, Glossary (Amsterdam and Philadelphia: John Benjamins, 2009)
  1. a b J. Harvey - Background on Frisian
  2. Blok, D.P. (1979): De Franken in Nederland, ISBN 9022837394
  3. A. van Loey, "Schönfelds Historische Grammatica van het Nederlands", achtste druk, Zutphen 1970
  4. Rolf H. Bremmer Jr., Stephen Laker, Oebele Vries - Advances in Old Frisian Philology, pag. 183
  5. Pyt Kramer - Frisian assibilation as a hypercorrect effect due to a substrate language
  6. Orrin W. Robinson (1992) Old English and its closest relatives: a survey of the earliest Germanic languages, pag. 197-198