Invasie van Java

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Invasie van Java in 1811
Onderdeel van Nederlands-Indië
Berg Salak, gezien van de weg van Buitenzorg naar Dramaga
Berg Salak, gezien van de weg van Buitenzorg naar Dramaga
Datum augustus en september 1811
Locatie Java
Resultaat Engelse overwinning
Casus belli Verovering van Nederlands-Indië door Engeland
Territoriale
veranderingen
Java kwam in Engelse handen
Strijdende partijen
Flag of the United Kingdom.svg Engeland
Flag of the United Kingdom.svg Britse Oost-Indische Compagnie
Flag of France.svg Franse Keizerrijk
Commandanten
Flag of the United Kingdom.svg Robert Stopford
Flag of the United Kingdom.svg Samuel Auchmuty
Flag of the United Kingdom.svg Rollo Gillespie
Flag of France.svg Jan Willem Janssens
Troepensterkte
12.000 17.000
Verliezen
1.000 2.000
Portaal  Portaalicoon   KNIL

De invasie van Java in 1811 was een succesvolle Britse amfibische operatie tegen het Nederlands-Indische eiland Java tussen augustus en september 1811 tijdens de Napoleontische oorlogen. Java was daarvoor een kolonie van Nederland en kwam tijdens de Napoleontische tijd in Franse handen, eerst nog onder de Franse vazalstaat van het Koninkrijk Holland en vanaf 1810 direct onder Frankrijk. Administratief en militair gezien bleef het al die tijd grotendeels door Nederlanders gerund.

Samenvatting[bewerken]

Het waterkasteel te Djokjakarta

Na de inname van de Franse kolonies in West-Indië in 1809 en 1810 en een succesvolle campagne tegen de Franse heerschappij op Mauritië (1809-1810), werd de aandacht van de geallieerden gericht op Nederlands-Indië. In april 1811 werd vanuit India een expeditie gezonden, terwijl een kleine vloot fregatten instructie kreeg voor de kust van het eiland te kruisen, de doorvaart te hinderen en aanvallen te doen tegen diverse kustdoelen. Op 4 augustus werden de eerste troepen aan land gezet en op 8 augustus viel de niet versterkte stad Batavia. De verdedigers verzamelden zich op het fort Cornelis; dit fort werd door de Engelsen belegerd en viel in de vroege morgen van 26 augustus. De resterende Nederlandse, Franse en inlandse militairen trokken zich terug, achtervolgd door de Engelsen. Een serie nieuwe aanvallen brak het resterende verzet; de stad Salatiga werd op 16 september veroverd, gevolgd door de officiële capitulatie van Java op 18 september. Het eiland bleef in Engelse handen voor de resterende tijd der Napoleontische oorlogen en het Nederlandse gezag werd pas na het Verdrag van Parijs in 1814 hersteld.

Achtergrond[bewerken]

Nederland was al een aantal jaren onder bestuur van Frankrijk en in oorlog met Engeland. De pro-Franse H.W. Daendels werd benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië in 1807. Hij kwam aan boord van het Franse schip Virginie in 1808 te Java aan en begon met de fortificatie van het eiland om het te verdedigen tegen de dreiging van de Britse troepen. Hij stichtte een omheind kamp, Fort Cornelis, een paar kilometer ten zuiden van Batavia gelegen en verbeterde de defensieve kracht door de bouw van nieuwe ziekenhuizen, barakken, wapenopslagplaatsen en een militair opleidingsinstituut. In 1810 werd Nederland formeel geannexeerd door het Franse Keizerrijk. Als gevolg van deze bestuurlijke verandering werd J.W. Janssens persoonlijk door keizer Napoleon benoemd tot vervanger van Daendels als gouverneur-generaal. Hij was eerder in die functie werkzaam geweest in de Kaapkolonie en was daar gedwongen geweest te capituleren nadat hij door de Engelsen verslagen was tijdens de Slag van Blaauwberg in 1806. Hij kwam in april 1811 aan boord van de Franse fregatten Méduse en Nymphe en de korvet Sappho op Java aan en werd daarbij vergezeld door een grote troep (enkele honderden) lichte infanterie manschappen en enkele Franse officieren.

De Engelsen hadden al de Nederlandse-Indische bezittingen op Ambon en de Molukken geannexeerd en hadden kort daarvoor de Franse eilanden Réunion en Mauritius bezet. T.S. Raffles, een officier van de Britse Oost-Indische Compagnie, die gedwongen was geweest de Nederlandse bezittingen bij Malakka te verlaten toen Nederland werd geannexeerd, stelde aan Lord Minto, de gouverneur-generaal van India, voor Java en de andere Nederlandse bezittingen te veroveren met de hoeveelheid troepen die beschikbaar waren geweest tijdens de Mauritius-expeditie; hij stelde zelfs voor deze expeditie te begeleiden.

De strijd[bewerken]

ruïnes op Java

De Engelse marine kwam in actie bij de Javaanse kustlijn voor en tijdens de expeditie. Op 23 mei 1811 viel de bemanning van het oorlogsschip Sir Francis Drake een vloot van 14 Nederlandse kanonneerboten bij Soerabaja aan en wist negen daarvan te veroveren. Marrack, gelegen in het noordwesten van Java, werd aangevallen en het fort, dat de stad moest verdedigen, werd op 30 juli grotendeels vernietigd door manschappen van de schepen Minden en Leda. Diezelfde dag werd een floot van 6 Nederlandse kanonneerboten onder Franse vlag aangevallen door de Procris, waarbij vijf schepen veroverd werden en de zesde tot zinken gebracht.

Java-expeditie[bewerken]

Bazar te Buitenzorg

De Engelse troepen waren vroeg in het jaar 1811 verzameld op hun bases in India en werden aanvankelijk gecommandeerd door viceadmiraal William O'Bryen Drury; na zijn dood werd het commando overgenomen door schout-bij-nacht William Robert Broughton. De eerste divisie troepen, onder kolonel Rollo Gillespie, verliet Madras op 18 april en werd daarbij geëscorteerd door een troepenmacht onder kapitein-ter-zee Christopher Cole (aan boord van de kanonneerboot Caroline). De troepen bereikten Penang op 18 mei en werden op 21 mei verder aangevuld door de tweede divisie, geleid door generaal-majoor Frederick Augustus Wetherall, die Calcutta op 21 april verlaten had en begeleid werd door een troepenmacht onder kapitein Fleetwood Pellew (aan boord van de kanonneerboot Phaeton). Deze samengestelde troepenmacht zeilde naar Malakka, waar men op 1 juni aankwam. Aldaar verenigde zij zich met de troepenmacht uit Bengalen onder luitenant-generaal Samuel Auchmuty; hij werd begeleid door Broughton aan boord van de kanonneerboot Illustrious.

Auchmuty en Broughton werden vervolgens benoemd tot de opperbevelhebbers van de land- en zeemacht en van de expeditie. Nu de troepen verzameld waren had Auchmuty ongeveer 11.960 man onder zijn commando; de eerdere sterkte was door ziekte gereduceerd tot ongeveer 1.200 man. Diegenen die te ziek waren om te reizen werden bij Malakka aan land gezet en op 11 juni zeilde de vloot verder. Na onderweg diverse plaatsen te hebben aangedaan landde de troepenmacht op 30 juni bij Indramayu. Aldaar wachtte de vloot een tijd om te bezien wat de sterkte van de Nederlanders was. Kolonel Mackenzie, een officier die was aangewezen om de kust op te nemen, deed de suggestie om een landing uit te voeren bij Cilincing, een niet-verdedigd vissersplaatsje ten oosten van Batavia. De vloot ankerde op 4 augustus bij de Marandi-rivier en de troepen begonnen met de landing om 2 uur 's middags. De verdedigers werden door de aanval overvallen en pas na bijna negen uur arriveerden Frans-Nederlandse troepen ter versterking; toen waren al 8.000 man aan Engelse troepen geland. Er vonden nog enige schermutselingen plaats en de Frans-Nederlandse troepen werden teruggeslagen.

Val van Batavia[bewerken]

Fort Willem I

Janssens trok, op het vernemen van het bericht van de Engelse landing, met zijn leger (dan tussen de 8.000 en 10.090 man) terug van Batavia en betrok het garnizoen te Fort Cornelis. De Engelse troepen trokken intussen naar Batavia op en bereikten de stad op 8 augustus. Batavia werd niet tot nauwelijks verdedigd en gaf zich over aan de Engelsen onder kolonel Gillespie, nadat Broughton en Auchmuty beloofd hadden particulier bezit te respecteren. De Engelsen waren teleurgesteld toen zij ontdekten dat een deel van de stad in brand stond en dat veel opslagplaatsen, waar koffie en suiker bewaard werden, onder water gezet waren. Op 9 augustus 1811 kwam admiraal Robert Stopford te Batavia aan en verving Broughton, die door zijn superieuren als te voorzichtig was beoordeeld. Stopford had bevel om admiraal Albemarle Bertie als bevelhebber op te volgen, maar bij zijn aankomst vernam hij de dood van Drury en de voorgestelde expeditie naar de rest van Java, waarna hij doorreisde.

Generaal Janssen dacht dat het tropische klimaat en ziekten het Engelse leger zouden verzwakken. De Engelsen hadden het voordeel van deze verkeerde aanname en namen de ene positie na de ander. Het Nederlandse leger- en marinestation bij Weltevreden viel in Engelse handen na een aanval op 10 augustus. De Engelsen verloren 100 man, terwijl de verdedigers er meer dan 300 kwijt waren. In een van de schermutselingen werd Janssens Franse collega, generaal Alberti, gedood toen hij de Engelse troepen, die gestoken waren in groene uniformen, voor Nederlandse aanzag. Weltevreden was een aantal kilometer verwijderd van Fort Cornelis en op 20 augustus begonnen de Engelse troepen fortificaties aan te leggen; enkele waren slechts een paar meter verwijderd van de Frans-Nederlandse posities.

Overmeestering van het fort Cornelis[bewerken]

Tekening van Fort Cornelis, Batavia.

Het fort Cornelis werd verdedigd door 200 man en er stonden 80 kanonnen opgesteld op de wallen en bastions. De verdediging werd gevormd door een mengeling van Nederlandse, Franse en Oost-Indische troepen. De meeste van die inlandse troepen waren van twijfelachtig kaliber wat betreft loyaliteit en gevechtskracht, hoewel er manschappen bij waren van Celebes, die als krachtige artilleristen bekendstonden. Het veroverde fort te Weltevreden was voor de Engelsen een goede basis, van waaruit zij Fort Cornelis konden gaan bestoken. Op 14 augustus hadden zij de toegangswegen door de bossen en peperplantages klaar, waarlangs zij zwaar geschut en munitie konden aanvoeren; nu werden nieuwe werken aangelegd aan de noordelijke kant van het fort. Een aantal dagen lang vond er een hevige vuurgevecht plaats tussen het fort en de Engelse batterijen; dat vuur werd voornamelijk onderhouden door de marine en marineofficieren van de Nisus. In de vroege morgen van de 22ste augustus wisten de verdedigers van het fort voor een korte tijd drie Engelse batterijen ernstige schade toe te brengen maar zij werden uiteindelijk teruggedreven. Het vuur tussen de partijen nam toe, zwakte af op de 23ste augustus en nam de dag daarop weer toe. De Frans-Nederlandse positie verslechterde steeds meer toen een deserteur generaal Gillespie hielp twee van de redoutes te overmeesteren. Gillespie, die aan koorts leed, stortte in maar herstelde op tijd om een derde redoute te bestormen. De Franse generaal Jauffret werd krijgsgevangen genomen. Twee Nederlandse officieren, majoor Holsman en majoor Muller, offerden hun leven op door het kruitmagazijn op te blazen.

De drie redoutes die verloren waren gegaan hadden de sleutel gevormd tot de verdediging en het verlies daarvan demoraliseerde de Oost-Indische troepen van Janssens. Veel van hen verafschuwden ook hun verbinding met de Fransen. De Engelsen bestormden het fort omstreeks middernacht van de 25ste augustus, na een bitter gevecht, dat de Engelsen een verlies van 630 manschappen kostte. De verliezen van de verdedigers waren echter groter, maar alleen die aan officieren werden geregistreerd.Van hen werden 40 gedood, 63 gewond en 230 gevangengenomen, onder hen ook twee Franse generaals. In totaal werden ongeveer 5.000 man gevangengenomen, waaronder drie generaals, 34 veldofficeren, 70 kapiteins en 150 subalterne officieren. In het fort werden 1.000 doden gevonden, deze manschappen waren tijdens de eerdere aanval gesneuveld. Janssens zelf ontsnapte met een paar andere overlevenden naar Buitenzorg maar werd gedwongen deze stad te verlaten toen de Engelsen naderden. De totale verliezen van de Engelsen, na de val van Fort Cornelis, was ongeveer 141 aan doden, 733 gewonden en 13 vermisten (leger) en 15 doden, 45 gewonden en 3 vermisten (marine); in totaal werden 156 man gedood, raakten 788 gewond en werden er 16 vermist (27 augustus).

Latere acties[bewerken]

Schepen van de Engelse marine bleven patrouilleren langs de kust en doelen aanvallen. Op 4 september probeerden 2 Franse kanonneerboten, de Méduse en de Nymphe, te ontsnappen van Soerabaja. Zij werden achtervolgd door de Bucephalus en de Barracouta, totdat de Barracouta het contact verloor. De Bucephalus bleef hen achtervolgen tot de 12de september, toen de Franse fregatten terugvoeren en dreigden het schip aan te vallen. Commandant van de Bucephales, kapitein Charles Pelly, liet het schip omkeren en probeerde de achtervolgende Franse schepen in een hinderlaag te lokken, maar deze zagen het gevaar en voeren weg. Op 31 augustus veroverden troepen van de fregatten Hussar Phaeton en Sir Francis Drake en de sloep Dasher het fort en de stad Soemenep op Madoera; dat was in het zicht van een grote Nederlandse troepenmacht. Het overige gedeelte van Madoera en verschillende eilanden in de omgeving daarvan plaatsten zichzelf niet lang daarna onder Brits bestuur. Omdat men aannam dat Janssen naar Cheribon was gevlucht landde aldaar op 4 september een troepenmacht vanaf de Lion, de President, de Phoebe en de Hesper, waardoor de verdedigers van die plaats zich al snel overgaven. Generaal Jamelle, een lid van de staf van Janssen, werd gevangengenomen tijdens de val van de stad. De stad en het fort Taggal gaven zich op 12 september over, nadat de Nisus en de Phoebe daar aan de kust arriveerden.

Terwijl de marine de kuststeden innam veroverde het leger verder de binnenlanden van het eiland. Janssen had op 3 september opnieuw een leger van 1.200 manschappen onder prins Prang Wedono en andere Javaanse militairen bijeen weten te brengen. Op 16 september viel Salatiga in Britse handen. Janssen viel een Britse legermacht onder kolonel Samuel Gibbs aan maar werd verslagen. Veel inheemse militairen vermoordden hun officieren in een poging aan de strijd te ontsnappen. Nu zijn effectieve troepenmacht gereduceerd was tot een handvol manschapen kon Janssen niet anders meer dan zich op 18 september aan de Engelsen over te geven.

Nasleep[bewerken]

De Nederlandse eilanden of gebiedsdelen Ambon, Harouka, Saparoea, Nasso-Laut, Boeroe, Manipa, Menado, Koepang, Amenang, Kemar, Twangwoo en Ternate hadden zich in 1810 overgegeven aan de Engelse troepen onder leiding van kapitein Edward Tucke, terwijl kapitein Christopher Cole de Banda-eilanden veroverde, waarmee de verovering van de Nederlandse bezittingen in de Molukken voltooid was. Java was de laatste belangrijke koloniale bezitting die nog niet onder Engels bewind was en de val daarvan markeerde het einde van de oorlog in de Indische wateren. Raffles werd benoemd tot luitenant-gouverneur van Java. Hij maakte een einde aan de Nederlandse administratieve methodes, liberaliseerde het landbezit en breidde de handel uit. Engeland gaf Java en andere Oost-Indische bezittingen in 1814, als een gevolg van het Verdrag van Parijs, aan Nederland terug.

Bronnen, noten en/of referenties