Ipatjev-huis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Ipatiev-huis)
Ga naar: navigatie, zoeken
Het Ipatjev-huis op een oude briefkaart

Het Ipatjev-huis (Russisch: Дом Ипатьев; Dom Ipatjev of Ипатьевский дом; Ipatjevski dom) was het huis van handelaar Nikolaj Ipatjev in de Russische stad Jekaterinenburg op de Voznesenski-heuvel aan de oelitsa Karla Libknechta (vernoemd naar Karl Liebknecht; vroeger Voznesenski prospekt). Het werd bekend door de executie van de laatste tsaar Nicolaas II en zijn familie in de kelder van dit huis. Het huis werd gesloopt in 1977.

Geschiedenis van het gebouw[bewerken]

Bouw en eigenaren[bewerken]

Het Ipatjev-huis was 31 meter lang en 18 meter breed en relatief modern voor die tijd met onder andere stromend water, elektriciteit en telefoon en was verder rijkelijk versierd. Het had, doordat het op een heuvel stond, aan de oostelijke façade (de voorzijde) één verdieping en aan de westelijke façade twee. De kelders van het gebouw bevonden zich in de heuvel aan de oostzijde. Het werd gebouwd in opdracht van ijzer-mijnbouwingenieur en staatsraadslid Andrej Redikortsev in 1897. Door corruptiebeschuldigingen was hij echter genoodzaakt het te verkopen aan platina-mijnbouwondernemer I. G. Tsaravjev. Deze verkocht het huis in 1908 voor 6000 Roebel aan de rijke joodse handelaar Nikolaj Ipatjev (een broer van scheikundige Vladimir Ipatjev), die een metallurgisch bedrijf had. Hij woonde er op de eerste verdieping en had zijn kantoor op de begane grond.

Vlak voor de komst van de tsarenfamilie werd Ipatjev uit zijn huis gezet door de regionale Oeral-sovjet van de bolsjewieken, die het huis geschikt achten voor het huisvesten van de tsarenfamilie vanwege de centrale ligging in de stad.

Nicolaas II met zijn familie. Van links naar rechts: Olga, Maria, Tsaar Nicolaas II, zijn vrouw Alexandra, Anastasia, Aleksej en Tatjana.

Opsluiting en executie van de Romanovs[bewerken]

Deportatie vanuit Tobolsk en gevangenschap in Jekaterinenburg[bewerken]

De tsarenfamilie kreeg op 22 april 1918 te horen dat ze zouden worden verplaatst vanuit Tobolsk, dat door de Witten onder leiding van admiraal Aleksandr Koltsjak werd bedreigd. Omdat kroonprins Aleksej net gevallen was en een interne bloeding had, kon hij niet worden verplaatst. op 26 april vertrokken Nicolaas, zijn vrouw Alexandra Fjodorovna en dochter Maria met de trein richting Moskou, dat in handen was van de bolsjewieken. Ze werden op 30 april bij aankomst in Jekaterinenburg echter gedwongen uit te stappen en opgesloten in het Ipatjev-huis. Op 23 mei volgden hun andere dochters Olga, Tatjana en Anastasia en zoon Alexej. Hiernaast kwamen hun dokter Eugene Botkin, dienstmeid Anna Demidova, Ivan Charitonov en bediende Alouzy Tropp mee. Andere vrienden, zoals Pierre Gilliard en Sidney Gibbes die vanaf het begin bij hen waren, werden of opgesloten in gevangenissen of verzocht de stad te verlaten.

Het huis werd omgeven met een hoge houten schutting, zodat de Romanovs niet in de stad konden kijken of andersom gezien worden vanuit de stad. Ze werden bewaakt door een groep bolsjewieken onder leiding van commandant Avdejev. Hij werd op 4 juli vervangen door de joodse commandant Jakov Joerovski.

Moord op de tsarenfamilie[bewerken]

Net na middernacht op 16 of 17 juli 1918 liet Joerovski de tsarenfamilie naar de kelders van het Ipatjev-huis brengen. Onder het voorwensel dat ze foto's wilden maken van de Tsarenfamilie, omdat dit gebruikt kon worden als bewijs dat de familie nog steeds in leven was. De werkelijkheid was echter dat Lenin opdracht had gegeven aan de lokale joodse Oeral-sovjetleider Jakov Sverdlov om te zorgen dat de tsaar geen problemen meer op zou leveren, daar deze nog steeds door veel Russen werd gezien als hun werkelijke leider. Uit documenten blijkt dat Sverdlov waarschijnlijk opdracht heeft gegeven aan Joerovski om niet alleen de tsaar, maar ook zijn hele familie te doden. Joerovski, die bekendstond als een bruut, trok daarop in de nacht van 17 juli met 10 militieleden naar de kelders en schoot om 2:33 in de morgen persoonlijk de tsaar en Aleksej dood, terwijl de anderen de overige familieleden en de kok, bediende, dienstmeid en dokter doodschoten. Een aantal van de meisjes overleefde de eerste schotenregen door de vele sieraden die ze droegen, waarna Joerovski met zijn executiepeloton met de bajonetten van hun geweren een einde maakten aan hun leven. Hierna werden ze naar buiten gesleept en op vrachtwagens geladen, waarna ze naar een verlaten mijnbouwschacht van een voormalige ijzermijn werden vervoerd genaamd Vier broers, naar de 4 grote dennebomen die daar stonden. Aldaar aangekomen ontkleedden ze de lichamen en staken de kleren in brand, waarbij ze de sieraden ontdekten die de kogels bij een aantal van de meisjes in eerste instantie hadden opgevangen. De lichamen werden daarop in de ondergelopen mijnschacht gegooid, maar er stond niet genoeg water om ze aan het oog te onttrekken. De dag daarop werd hun werk om 11 uur 's morgens gecontroleerd door lokale sovjetleiders en kregen Joerovski en zijn militieleden opdracht de lichamen ergens anders te begraven, waar ze minder makkelijk konden worden gevonden. Joerovski ging daarop de volgende nacht opnieuw naar de mijn en haalde de lichamen er weer uit, waarna hij en zijn militie probeerden de natte lichamen van de tsaar, Aleksandra, Aleksej en dokter Botkin te verbranden, wat echter onvoldoende lukte. Joerovski wilde daarop de lichamen in een andere mijnschacht dumpen niet ver daar vandaan. De vrachtwagens die de lichamen vervoerden kwamen echter vast te zitten in de modder op een landweggetje ten noorden van Jekaterinenburg.

Monument voor de tsarenfamilie in Ganina Jama (Ganja's mijn), de plaats waar de tsarenfamilie werd begraven. Nu het Klooster van de heilige koninklijke lijdendulders.

Omdat de trucks niet loskwamen, werd besloten de lichamen op die plek in een lokale mijnschacht genaamd Ganja's mijn te gooien en ze daar te begraven. Ze kregen echter niet de kans het werk af te maken doordat de Witten al tot vlak bij de stad waren opgerukt.

Komst van de Witten: Onderzoek (1918 - 1919)[bewerken]

Kort na de executie werd het huis door de bolsjewieken teruggegeven aan Ipatjev. Kort daarop, op 25 juli 1918, viel de stad in handen van de Witten, die meteen een onderzoek instelden naar de dood van de tsaar en zijn familie in het huis. De Tsjechische generaal Radola Gajda van de Witten vestigde zijn hoofdkwartier in het gebouw, ondanks protest van de onderzoekers, in oktober 1918. Tegen het einde van 1919 bedreigde het Rode Leger de stad en probeerde Ipatjev zijn huis te verkopen aan de Russisch-Tsjechische handelskamer. Admiraal Koltsjak kwam hier achter en verbood de verkoop. In plaats daarvan huurde hij het huis van Ipatjev voor 6000 Roebel voor 6 maanden, om het onderzoek voort te kunnen zetten. Het witte Leger werd daarop uit de stad verjaagd en Ipatjev emigreerde naar Praag.

Onder sovjet-bestuur (1919 - 1977)[bewerken]

Het huis stond daarop lange tijd leeg. In 1927 werd in het gebouw een museum over de revolutie en de moord op de Romanovs opgericht. Waarop het toerisme op gang kwam, al mochten de kelders niet worden bezocht, omdat de lokale sovjet daar zijn documenten bewaarde. In 1932 werd het museum weer gesloten. Na 1945 werd het gebouw op verschillende manieren gebruikt, zoals een atheïstisch museum, en als opslagplaats voor de archieven van de lokale sovjet. Het gebouw was verboden voor gewone Russen, maar leden van de communistische partij kwamen er wel met hun vrienden.

Het huis werd een curiositeit. Een Engelse verzamelaar kocht zelfs de hele muur van de kelder, waartegen de tsarenfamilie was vermoord.

Het huis werd in 1974 een historisch monument, maar het jaar daarop werden de bijgebouwen en de benedenkamers gesloopt.

Sloop[bewerken]

Ook buitenlandse zakenlieden kwamen tijdens hun reis naar de stad naar het huis. De sovjets wilden dit toerisme inperken en vreesden dat de plaats een bedevaartsoord zou worden voor Russische en buitenlandse aanhangers van de monarchie. Op 30 juli 1975 gaf de voorzitter van de KGB Joeri Andropov tijdens een vergadering van het Politbureau aan dat hij daarom het huis wilde slopen. Na een stemming werd hiermee ingestemd en Politbureaulid Michail Soeslov gaf opdracht aan de lokale Oeral-sovjetleider Boris Jeltsin om het gebouw helemaal te slopen, waarna deze het huis liet slopen in de nacht van 27 op 28 juli 1977 onder het mom van het verbeteren van de verkeersstromen in de stad. De plaats waar het Ipatjev-huis stond bleef vervolgens braakliggen. In het geheim kwamen er regelmatig Russen om te rouwen over de tsarenfamilie en er bloemen te leggen.

Na de Sovjet-Unie[bewerken]

In 1990 werd het terrein door de lokale sovjets overgedragen aan het bisdom Jekaterinenburg. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie kwamen al snel kruisen op het terrein te staan en werd een houten kapelletje gebouwd, die in 1999 werd vervangen door een nieuwe kapel.

Ook boog de Russisch-orthodoxe Kerk zich over de vraag of de tsaar en zijn familie niet heilig moesten worden verklaard. Na 8 jaar vergaderen, werden de tsaar en zijn familie in 2000 tot strastoterpets verklaard en begon de bouw van een kathedraal op de plaats waar het Ipatjev-huis had gestaan. In 2003 kwam deze Kathedraal op het bloed gereed en werd geopend door de voormalige president Jeltsin (dezelfde man die het Ipatjev-huis had laten slopen). De lichamen van de tsarenfamilie werden in 1991 opgegraven en in 1998 herbegraven in de Sint Petrus en Paulus Kathedraal in Sint-Petersburg.

Teken aan de wand?[bewerken]

Tijdens het onderzoek door de Witten werden op de muren van de kelders teksten en tekeningen aangetroffen, waarvan men niet zeker weet wat het betekent en waardoor het verhaal de ronde deed dat de moord op de tsaren een joods complot was. Joerovski en Sverdlov waren namelijk beide joods en ook veel leden van de Oeral-sovjet waren joods. Dit was overigens vrij normaal bij de bolsjewieken. In de Oekraïense SSR was de Tsjeka in eerste instantie bijna voor 80% joods. De joden waren namelijk niet altijd erg goed behandeld onder het tsaristische regime en zochten naar een manier om meer vrijheid te krijgen, iets wat Jozef Stalin overigens later weer ongedaan maakte.

Op de muur werden voor dit complot 2 aanwijzingen gevonden. De eerste betrof een gedicht van de Duitse dichter Heinrich Heine dat op de muur werd gevonden:

Aanhalingsteken openen

Belsatzar ward in selbiger Nacht Von seinen Knechten umgebracht

Aanhalingsteken sluiten

In het Nederlands betekent dit: "Belsazar werd in dezelfde nacht door zijn knechten omgebracht". Dit gedicht is gebaseerd op een verhaal uit het Bijbelboek Daniël over koning Belsazar van Babylonië die een feest aanrichtte in zijn paleis en daarbij hij opdracht gaf om de gouden en zilveren bekers op te halen die waren meegenomen door het leger uit het bijbelse Israël.

Toen hij daarop zijn eigen goden prees, verscheen er een geheimzinnige hand op de muur, die de volgende woorden schreef: Mené Mené Tekèl Ufarsin. Daniël werd daarop gehaald en legde uit dat het om de hand van God ging en dat de woorden betekenden dat hij heiligschennis had gepleegd en dat daarom zijn rijk zou worden verdeeld onder de Meden en de Perzen. Die nacht werd Belsazar vermoord door zijn knechten en kort daarop werd zijn rijk veroverd door Cyrus II. De tekst op de muur van het Ipatjev-huis luidde echter geen 'Belsazar' maar 'Belsatzar'. In het Duits betekent 'tzar' tsaar. Dus redeneerde men dat er werd gezegd dat het rijk van de tsarenfamilie Romanovs zou eindigen en dat dit vanwege de gezamenlijke joodse achtergrond van de moordenaars dus een joods complot was.

Er wordt nu gedacht dat het ook op de muur kan zijn gezet door mensen die het huis binnengingen nadat de bolsjewieken de stad ontvluchtten voor de Witten.

Een andere aanwijzing was een tekst met cijfers en een aantal vreemde tekens. In 1923 publiceerde een man genaamd Enel een boek waarin hij stelde dat het 'geheime Perzische karakters' waren en dat de cijfers en tekens konden worden vertaald als; 'Hier, door geheime machten, werd de tsaar geofferd als een offer zodat zijn land kan worden vernietigd. Alle volken zijn op de hoogte gesteld van deze gebeurtenis'. Het is echter een van de vele uitleggingen, maar versterkte wel het idee dat het ging om een 'occult joods complot'.

De Franse schrijver Nicolas Ross schrijft in zijn boek La mort du dernier Tsar dat het echter ook mogelijk is dat de cijfers door iemand die een berekening wilde uitvoeren op de muur was gezet en dat de tekens het resultaat waren van het testen van zijn pen op de muur.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]