Alexander Gogel
Isaäc Jan Alexander Gogel (Vught, 10 december 1765 - Overveen, 13 juni 1821) was een Nederlands staatsman en minister aan het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw.
Biografie [bewerken]
Gogel vertrok op 16-jarige leeftijd naar Amsterdam om te werken in de handel. Eerst in dienstbetrekking, maar vanaf 1791 voor zijn eigen handelshuis. In Amsterdam zag Gogel de gevolgen van een corrupte regentendom en het zwakke stadhouderlijk gezag en kwam hij in aanraking met het Franse revolutionaire gedachtegoed over democratie. Gogel ontwikkelde daarbij de gedachte dat de democratische idealen van de revolutie het best konden worden verwezenlijkt binnen een eenheidsstaat. In november 1794 moest hij Amsterdam heimelijk ontvluchten omdat hij, Carel Wouter Visscher, Nicolaas van Staphorst, met wie hij naar Bremen reisde, Rutger Jan Schimmelpenninck en Cornelis Rudolphus Theodorus Krayenhoff, Samuel Iperusz. Wiselius, (en nog zeven anderen) betrokken waren bij wapenopslag op het Bickerseiland en het tekenen van een petitie om verschoond te blijven van een Engels garnizoen. Er volgde een inval bij het leesgezelschap Doctrina et Amicitia, dat bijeenkwam in de Kalverstraat.[1]
Direct na de omwenteling in 1795, waarna de Bataafse Republiek ontstond, keerde Gogel terug naar Amsterdam, waar hij een 'politiek commentaar' schreef voor het hoofd van de Franse bezettingsmacht, generaal Pichegru. Hij werd verkozen in diverse bestuurlijke organen op gemeentelijk, provinciaal en landelijk niveau. Hij werkte mee aan de eerste unitaristische Staatsregeling van 1798. De bepalingen daarin over de samenvoeging en omzetting van de gewestelijke staatsschulden, de komst van een landelijk uniform belastingstelsel en een systeem van jaarlijkse begrotingen worden algemeen aan Gogel toegeschreven.
Het 'unitarische' Uitvoerend Bewind radicaliseerde snel, wat Gogel allerminst beviel. In het diepste geheim zocht hij contact met de 'moderaten', die bij de staatsgreep van 22 januari 1798 waren uitgeschakeld. Hij stuurde Daendels naar Parijs om aan het Directoire toestemming te vragen voor een nieuwe staatsgreep. Deze vond plaats op 12 juni. Pieter Vreede, De Lange van Wijngaarden en andere radicalen werden afgezet en Gogel vormde een nieuw Uitvoerend Bewind. Zelf bleef hij Agent van Financiën.
De hervorming over de overheidsfinanciën was snel geregeld, maar de belastinghervorming liep door tegenwerking vertraging op. Pas in 1805, dus in de tijd van het Bataafs Gemenebest, werden Gogels oorspronkelijke ideeën, hoewel hier en daar wat afgezwakt, tot wet verheven.
Gogel is met name in de Franse tijd (1795-1813) bestuurlijk actief geweest, meestal als minister van Financiën (1798-1801; 1805-1809; 1810-1813) maar ook als waarnemend minister van Binnenlandse Zaken (1801) en Buitenlandse Zaken (1798) en als zaakgelastigde in Parijs (1810).
Na de terugkeer van de Oranjes in november 1813 vluchtte Gogel naar Parijs. In de zomer van 1814 keerde hij met toestemming van de Franse regering terug naar Nederland, maar hij weigerde publieke functies onder koning Willem I te vervullen. Hij begon een blauwselfabriek. Wel bleef hij ten aanzien van met name de overheidsfinanciën en belastingen op de achtergrond een belangrijk adviseur.
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Voorganger: Willem Berend Buys |
Agent van Buitenlandse Zaken a.i. 1798 |
Opvolger: Maarten van der Goes van Dirxland |
| Voorganger: Hieronymus van Alphen |
Agent van Financiën 1798-1801 |
Opvolger: Andries Sybrand Abbema |
| Voorganger: - |
Minister van Binnenlandse Zaken a.i. 1801 |
Opvolger: Hendrik van Stralen |
| Voorganger: Jan Arend de Vos van Steenwijk |
Secretaris van Staat van Financiën 1805-1806 |
Opvolger: - |
| Voorganger: - |
Minister van Financiën 1806-1809 |
Opvolger: Jean Henry Appelius |
| Voorganger: Jean Henry Appelius |
Intendant voor de financiën en der publieke schatkist 1810-1813 |
Opvolger: Cornelis Charles Six van Oterleek |