Isaac Paul Delprat
Isaac Paul Delprat (Den Haag, 25 november 1793 - aldaar, 14 mei 1880) was een Nederlands generaal; onder meer lid van de Tweede Kamer en commandant van de Koninklijke Militaire Academie. Hij was de broer van Félix Albert Théodore Delprat, minister van Oorlog in het kabinet-Thorbecke III.
Opleiding [bewerken]
Delprat ontving zijn opleiding aan de Nutsschool en privaatonderwijs in de wiskunde, eerst van zijn vader, D. Delprat, die Waals predikant was, later van rooimeester Van der Spuy, die zijn vader door professor van Swinden was aangeraden. Delprat werd in juni 1810 als cadet geplaatst op de militaire school te Den Haag. Nadat deze school aan het einde van dat jaar gesloten werd, was hij enige tijd werkzaam bij de waterstaat werkzaam onder A. Blanken, maar werd in november 1811 als élève aan de école des ponts et chaussées te Parijs geplaatst. Op 1 mei 1812 werd hij gedetacheerd bij de waterstaatswerken in Den Helder maar aan het einde van de zomer keerde hij naar Parijs terug. Daar aangekomen werd hij op 24 december 1813 benoemd tot tweede luitenant-ingenieur en na enige tijd bij het beleg van Naarden dienst te hebben gedaan werd hij geplaatst te Bergen op Zoom. Delprat werd echter al in mei 1814 als assistent in het onderwijs in de geniewetenschappen aan de Artillerie- en Genieschool te Delft geplaatst.
Loopbaan [bewerken]
Op 15 december 1814 werd Delprat benoemd tot eerste luitenant, op 17 december bevorderd tot tweede kapitein en op 11 maart 1825 tot eerste kapitein. Van april tot november 1818 en eveneens in 1819 was hij als genieofficier te Bergen in Henegouwen gedetacheerd, vervolgens werd hij telkens weer met het onderwijs in Delft belast. Al in 1821 verscheen een verhandeling van hem over Gronddruk tegen muren en schoeiingen. In 1825 werd een door hem bewerkt antwoord op een prijsvraag, uitgeschreven door het Departement van Oorlog, over de Vorderingen, die de aanval en verdediging van vestingen sinds het beleg van 's-Hertogenbosch in 1629 had gemaakt, hoewel een ander antwoord bekroond was, toch van Rijkswege uitgegeven. In 1826 kwam een werk van hem uit over De baan der projectielen. Op 11 augustus 1828 werd hij bij de stichting van de Koninklijke Militaire Academie te Breda aangesteld als hoofd van het onderwijs in de wis- en natuurkundige vakken. Hij werd, toen de Belgische opstand uitbarstte, in oktober 1830, te Antwerpen, eerst in de vesting, later op de Citadel geplaatst en maakte zich bij het beleg van dit fort, waar hij van 9 december 1830 tot 29 juni 1831 aanwezig was, zeer verdienstelijk.
In februari 1832 werd Delprat weer in zijn eerdere betrekking aan de Militaire Academie geplaatst, die naar Medemblik was overgebracht. Toen, door het Koninklijk Besluit van 10 juni 1836, deze inrichting weer te Breda gevestigd werd, werd hij daarbij als tweede commandant geplaatst. Op 23 augustus 1841 werd hij commandant en op 19 oktober 1843 werd hij bij de staf der genie geplaatst, hoewel zijn betrekking aan de Academie hetzelfde bleef. Op 17 september 1836 werd hij benoemd tot majoor. In 1840 en 1842 kwamen zijn standaardwerken, de grote leerboeken voor de cadetten in de mechanica en in de werktuigbouwkunde uit. Het eerste was reeds gedeeltelijk tijdens zijn verblijf op de Citadel van Antwerpen bewerkt. Statica, dynamica, hydrostatica en hydrodynamica waren allen uitvoerig bewerkt. Het tweede deel was meer aan de praktijk aangepast. Delprat werd op 5 november 1843 benoemd tot luitenant-kolonel en op 2 augustus 1852 tot kolonel bevorderd. In samenwerking met kolonel, later luitenant-generaal Seelig, wijzigde hij het militaire onderwijs zodanig, dat er wetenschappelijke officieren gevormd werden. Zelf schreef hij de leerboeken en op zijn aandrang werden door bekwame mannen, onder wie met name Badon Ghyben, Van Kerkwijk, Strootman, Storm Buysing en Storm van 's Gravezande, degelijke handleidingen geschreven. Bij Koninklijk Besluit van 25 oktober 1852 verkreeg Delprat op zijn verzoek ontheffing van het commando der Academie. Vanwege zijn grote verdiensten werd hij niet gepensioneerd (hoewel hij dit tegelijk verzocht had) maar werd benoemd tot lid van het Comité van Defensie en vestigde zich in Den Haag. In 1854 was hij de eerste voorzitter van de Vereeniging tot verbetering der woningen van de arbeidende klasse te ’s-Gravenhage. Deze woningvereniging bouwde de eerste sociale huurwoningen in Den Haag.
Delprat werd in juni 1854 in het kiesdistrict Den Haag tot lid van de Tweede Kamer gekozen, en nam als zodanig op 8 juli daarop volgend zitting, waardoor hij als militair op non-actief kwam. Hij werkte veel in afdelingen, waar hij veel invloed had bij militaire en waterstaatszaken en onderwijs en behoorde tot de conservatieve partij. Op 29 maart 1858 werd hij benoemd tot generaal-majoor titulair en moest vanwege deze benoeming als kamerlid aftreden, maar werd op 18 mei daarop volgend herkozen. In juni 1858 werd hij opnieuw gekozen en in juni 1862 gaf hij, bij de periodieke aftreding, de wens te kennen niet opnieuw herkozen te worden. Hij werd op 14 september 1858 gepensioneerd, maar werd, zowel voor als na zijn pensionering in diverse commissies benoemd. De belangrijkste daarvan waren: lid van een commissie voor de Rijksbuskruitfabriek en het vervoer van buskruit door het Rijk (1823), lid van een commissie van de Koninklijke Academie van Wetenschappen over de geologische kaart, in 1856 lid van een commissie van de Academie over bliksemafleiders en in 1858 van een commissie van de Academie over hetzelfde onderwerp. In 1856 was Delprat voorzitter van een commissie belast met een onderzoek naar de verhoogde waterspiegel op de Waal en de Merwede. In 1857 was hij lid van een commissie over verzakkingen van kaaimuren in Nijmegen. In 1858 voorzitter van een commissie tot onderzoek van de weerbaarheid van de Zuider Lingedijk, enz. Delprat verloor enige jaren voor zijn overlijden zijn gezichtsvermogen, maar zelfs toen nog leverde hij aan het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs nog vertalingen van artikelen die hem belangwekkend schenen. Hij werd op 29 oktober 1827 correspondent, op 28 oktober 1836 lid van de Academie van Wetenschappen, op 17 junu 1861 door de hogeschool van Utrecht benoemd tot doctor honoris causa. In 1829 werd hij eerste secretaris van het Wiskundig Genootschap, in 1822 lid van het Provinciaal Utrechts Genootschap, in 1829 lid en in 1863 lid-consultant van het Bataafs Genootschap voor Proefondervindelijke Wijsbegeerte, in 1839 lid van de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. Delprat werd op 15 juni 1854 tot lid van het bestuur van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs gekozen, onmiddellijk daarna tot vicepresident en op 26 juni 1860 tot president benoemd. De vergadering van 13 juni 1866 benoemde hem tot erelid. Hij overleed op 14 mei 1880 in Den Haag. Na zijn dood zijn in 1896 de Delprat-woningen aan de Hoefkade in Den Haag naar hem vernoemd.
Biografie van een aantal door Delprat geschreven werken [bewerken]
- 1821. Gronddruk tegen muren en schoeiingen;
- 1826. De baan der projectielen;
- 1832. over de weerstand van balken en ijzeren staven;
- 1834. Over de gedaante der gewelven en de afmetingen van hun rechtstanden;
- 1840 en 1842. Leerboeken
- 1840. De drukking van een last op verschillende steunpunten;
- 1844. De wateropbrengst van de vijzel;
- 1844. Het berekenen der gemiddelde snelheid in stromend water;
- 1849. De druk op de kanonnen door de ontbranding van hun lading;
- 1844-1874. Vele verhandelingen over waterloopkunde.
Bronnen, noten en/of referenties
|