Isaac le Maire

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Isaac le Maire (Doornik, ca.1558 - Egmond aan den Hoef, 20 september 1624) was een koopman voor de Vereenigde Oostindische Compagnie en later voor de Austraalse Compagnie. Hij is vooral bekend door zijn voortdurende strijd met de VOC, wat uiteindelijk de ontdekking van Kaap Hoorn tot gevolg had.

Isaac le Maire[1] werd in 1558 of 1559 in Doornik geboren. Hij leerde het koopmansambacht van zijn zwager Jacques van de Walle. Isaac had drie broers die eveneens in de handel zaten.[2] In 1584 stond hij in Antwerpen als welgesteld kruidenier geregistreerd. Bovendien was hij kapitein in het vendel van de Antwerpse burgerwacht. Hij huurde het huis Schilt van Bourgognien, maar hij vluchtte in 1585 na de val van Antwerpen naar de Noordelijke Nederlanden.

In 1585 vestigde hij zich in Amsterdam. Hij was in Antwerpen getrouwd met Maria Jacobsdr Walraven en ze kregen 22 kinderen,[3] waarvan zijn zoon Jacob de geschiedenis in zou gaan als ontdekkingsreiziger. Maximiliaan le Maire werd in 1641 het eerste Opperhoofd in Desjima. Isaac le Maire zou een grote invloed hebben op het reilen en zeilen van de VOC. Ook heeft hij aan het eind van de zestiende eeuw een rol gespeeld in de vorming van het gebied rond Den Helder. Hij liet grond bedijken in de omgeving van Huisduinen, dat toen nog een eiland was.

Inhoud

[bewerken] Handelaar in Amsterdam

In 1592 komt zijn naam in Amsterdam voor het eerst voor als deelnemer in de oudst bekende zeeverzekeringspolis. In de daaropvolgende jaren groeide hij in de handel in de Europese wateren. Hij was aanvankelijk niet een van de welvarendste kooplieden maar kon door garantstellingen binnen het directe en indirecte familienetwerk belangrijke investeringen doen. Hij vormde samen met Pieter van de Pulle en Dirck van Os een compagnie voor handel op Rusland. Ze vervoerden Baltisch graan en hout naar Spanje. Schepen die van Archangelsk kwamen met leer, was, bont of kaviaar hadden vaak Venetië en Livorno als bestemming. Ook handelden ze in wissels, zeeverzekeringen en bevrachtingen. Tussen 1594 en 1598 was hij groot in de vishandel tussen Engelse havens en Spanje.

Nadat Cornelis de Houtman in 1595-1597 de eerste tocht naar Indië uitvoerde, stortte Le Maire zich, net als veel andere handelaren, in het Indische avontuur. In 1599 richtte hij met enkele anderen in Amsterdam de Brabantsche Compagnie op, die twee reizen op Indië uitvoerde. De Brabantse Compagnie was zeer succesvol; in korte tijd leverde deze onderneming 400% winst op. Le Maire kocht in die tijd grote hoeveelheden land bij Egmond aan den Hoef.

In 1600 besloot hij zich te concentreren op de handel met Oost-Indië, maar ook in West-Indië handelde hij in die tijd al. In 1601 werd hij officieel burger van Amsterdam, en dat had ongetwijfeld te maken met de fusie van de Brabantse (de Nieuwe) en de Oude Compagnie tot de Eerste Vereenigde Compagnie op Oost-Indië tot Amsterdam. Deze compagnie, waarin Le Maire dus deelnemer was, rustte acht schepen uit naar Indië onder leiding van Jacob van Heemskerk.

[bewerken] Aandeelhouder van de VOC

In 1602 gingen alle Nederlandse compagnieën onder aandrang van Johan van Oldenbarnevelt samen in de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Le Maire werd daarin een van de grootste aandeelhouders. Hij schreef in voor een bedrag van 85 000 gulden[4] en was daarmee de grootste aandeelhouder in de VOC. Hij kreeg daardoor de hoge bestuurlijke functie als bewindhebber in de VOC. Spoedig raakte hij echter in conflict met de VOC en de kerkeraad naar aanleiding van malversaties rond de reis van Wijbrant van Warwijck in 1602. Er gingen geruchten dat Le Maire opzettelijk kwitanties en andere bewijzen van zijn aandeel in de kosten niet had over gelegd. De vennoten van de VOC lieten hem door de schout dagvaarden, maar Le Maire schikte de zaak met hem voor 7200 gulden. De details van de overtreding werden binnenskamer gehouden. Le Maire moest als gevolg van deze gebeurtenis in 1605 de VOC verlaten, waarbij hij tevens moest afzien als concurrent van de VOC op te treden. Deze gebeurtenis stond aan de wieg van zijn wrok en tegenwerking van de VOC gedurende de rest van zijn leven. Na zijn vertrek uit de VOC stortte hij zich weer op de Europese kustvaart, in vooral graan. De winstgevende handel met Indië liet hem echter niet los.

[bewerken] Concurrent van de VOC

De eerste mogelijkheid om de VOC dwars te zitten zag hij in de pogingen van Frankrijk om een handelscompagnie op Indië op te richten. Koning Hendrik IV van Frankrijk nodigde hem in 1607 uit daartoe ondersteuning te verlenen. Le Maire adviseerde de Fransen over de oprichting en organisatie van een compagnie, en negeerde daarbij het concurrentiebeding met de VOC. Van een daadwerkelijke oprichting van een Franse compagnie kwam het echter nog niet.

Vervolgens kwam het plan om Henry Hudson in het Franse plan te betrekken. Hudson had voor de Engelsen al twee vergeefse pogingen gedaan om een nieuwe Noordoostelijke Doorvaart te zoeken, en kwam in 1608 naar Nederland om de VOC daarvoor te interesseren. Hij kwam met Le Maire in contact die aan de koning van Frankrijk voorstelde deze ontdekkingsreis te financieren. Le Maire zou met deze poging om een nieuwe route naar Indië te vinden geen contractbreuk met de VOC plegen, omdat de VOC alleen een octrooi had op handel via Kaap de Goede Hoop of de Straat Magellaan, tot dan de enige twee bekende routes naar Indië. De VOC kreeg lucht van dit voornemen en bood Hudson een beter contract aan wat uiteindelijk leidde tot zijn beroemde Derde reis. Nadat de VOC Hudson had afgevangen kwam het tussen Le Maire en de koning van Frankrijk in het geheim tot een overeenkomst om de Noord-Oostelijke ontdekkingsreis onder een andere kapitein te laten uitvoeren. De nieuw te ontdekken zeestraat zou naar de Franse koning moeten worden genoemd, en de nieuwe ontdekkingen zouden onder Franse vlag moeten worden gedaan. De tocht onder leiding van Melchior van den Kerckhove werd echter een mislukking.

In 1609 reisde Isaac le Maire samen met Joris van Spilbergen, Balthazar de Moucheron en anderen naar Parijs om opnieuw de vorming van een Franse Oostindische Compagnie te bespreken. De Moucheron speelde in deze besprekingen een dubbelrol, omdat hij op een gegeven moment aan de gezant van de Nederlanden had gevraagd wat deze er voor over had om de besprekingen in de war te sturen. De besprekingen stokten daarom door het wantrouwen in Le Maire van Franse zijde. Binnen de VOC leidden de intriges van Le Maire tot grote verontwaardiging, maar van daadwerkelijke stappen tegen hem kwam het niet, omdat de Republiek waarschijnlijk gedurende de oorlog met Spanje geen conflict met Frankrijk zocht. In 1610 werd de koning van Frankrijk vermoord en daarmee waren plannen voor een Franse Oost-Indische Compagnie voorlopig van de baan.

[bewerken] Speculant tegen de VOC

Isaac le Maire heeft ook geprobeerd met zijn kennis van de VOC de Compagnie financieel dwars te zitten. In 1609 richtte hij samen met acht anderen een geheime compagnie op met als doel handel te drijven in aandelen van de VOC. Le Maire bezat bijna een kwart van de aandelen. Deze zogenaamde “Grote Compagnie” verkocht aandelen VOC op termijn en op naam van de deelnemers, zonder ze echter in bezit te hebben.[5] Tegen de tijd dat deze aandelen geleverd moesten worden had men er belang bij dat de koers zo laag mogelijk was. Le Maire ging er waarschijnlijk van uit dat de concurrentie van de op te richten Franse Oost-Indische Compagnie er voor zou zorgen dat de koers van de VOC aanzienlijk zou dalen, maar die Franse compagnie kwam er uiteindelijk niet. Om de koers toch te drukken werden geruchten verspreid. Dit soort activiteit was ten nadele van de (bestaande) VOC-aandeelhouders, die zich soms genoodzaakt zagen hun aandelen tegen een te lage koers te verkopen. In het bijzonder in 1609 daalde de koers van het aandeel VOC aanzienlijk, en de VOC weet dit aan machinaties van Le Maire.

De VOC probeerde via de Staten-Generaal beperking op te leggen aan de vrije handel in aandelen VOC. Hiertegen verzette de compagnie van Le Maire zich fel, met het argument dat de koersdaling het gevolg was van de slechte gang van zaken bij de VOC. Maar de Staten-Generaal besloten in 1610 de verkoop van aandelen, die niet in bezit waren, te verbieden. In de loop van 1610 en 1611 steeg de koers van het aandeel VOC tegen de verwachting van Le Maire met zo’n 200%. De compagnie van Le Maire leed grote verliezen omdat nog veel aandelen geleverd moesten worden tegen een lagere prijs dan de marktprijs. Men was dus genoodzaakt deze aandelen met verlies te leveren. Veel deelnemers van zijn compagnie gingen failliet en ook Le Maire heeft aanzienlijke verliezen geleden, maar hij kon nog aan zijn verplichtingen voldoen. Dit fiasco bracht hem ertoe zich terug te trekken uit Amsterdam.

[bewerken] VOC-monopolie doorbroken

Isaac le Maire trok zich terug op zijn bezittingen in Egmond aan den Hoef, die tussen 1598 en 1600 uit de boedel van de Graaf van Egmond waren gekocht, en verkocht zijn Amsterdamse bezittingen. Hij ging er na enige tijd opnieuw plannen maken om het VOC-monopolie te doorbreken. De VOC had bij octrooi van de Staten-Generaal het monopolie op de reizen naar Indië via Kaap de Goede Hoop en via de Straat Magellaan, tot dan de enige twee bekende doorgangen naar Indië. Le Maire ging er naar aanleiding van andere reisverslagen van uit dat er zuidelijk van de Straat Magellaan nog een doorgang van de Atlantische naar de Stille Oceaan kon zijn. In 1614 richtte hij de Australische Compagnie op met het doel deze doorgang, die buiten het monopolie viel, te ontdekken. In Hoorn werd de reis voorbereid. Twee schepen werden klaargemaakt, de Eendracht en de Hoorn. De reis zou onder de verantwoording van zijn zoon Jacob le Maire worden uitgevoerd. Willem Cornelisz Schouten werd als ervaren kapitein aangetrokken. In de zeilopdracht stond uitdrukkelijk vermeld dat als een nieuwe route naar de Stille Oceaan niet gevonden zou worden, men niet door de Straat Magellaan zou mogen varen. Verder was het aan de expeditie verboden te handelen op kusten waar de VOC een vestiging had. In die tijd bestond nog de verwachting dat er een groot onbekend Zuidland zou zijn. Isaac le Maire hoopte er op dat te kunnen ontdekken, en zo een ongekend handelsgebied aan te boren. Maar bovenal was zijn drijfveer om het monopolie van de VOC te omzeilen. Aan zijn zoon Jacob gaf hij nog een merkwaardige geheime instructie mee: hoewel in de officiële zeilinstructie stond dat er geen handel mocht worden gedreven op kusten waar de VOC gevestigd was, moest zijn zoon bij aankomst aan de bewindvoerders in Indië duidelijk maken dat zij het VOC-monopolie niet hadden geschonden, omdat ze niet via Kaap de Goede Hoop of de Straat Magellaan waren gezeild. Vervolgens moest hij toestemming vragen om toch te mogen handelen. Naar de verwachting van Isaac le Maire zou dat verzoek niet ingewilligd worden, en daarom zou Jacob vervolgens al het mogelijke in het werk moeten stellen om Gouverneur Generaal Gerard Reynst, die net als hij deelnemer in de Brabantsche Compagnie was geweest, te prijzen en voor zich te winnen. Dat ging zelfs zover dat Jacob aan Van Reynst de hand van een van zijn dochters moest vragen. Op deze manier probeerde Isaac le Maire tweespalt binnen de VOC te bewerkstelligen, want als hij van Gerard Reynst op deze manier toestemming zou krijgen om in Indië te handelen zou dat tot een groot conflict binnen de VOC kunnen leiden.

Op 14 juni 1615 vertrokken beide schepen van Texel. De reis zou een succes worden in die zin dat het monopolie van de VOC met de ontdekking van de doorvaart langs Kaap Hoorn inderdaad gebroken zou worden, maar het onbekende Zuidland werd niet ontdekt, en de geheime instructie kon niet worden uitgevoerd omdat Gerard Reynst inmiddels was overleden. Nadat de schepen uit Texel vertrokken waren kreeg de VOC lucht van de bedoeling van de reis. Er werd daarom een instructie naar Indië gestuurd dat, indien de expeditie daar aan zou komen, de schepen zouden moeten worden geconfisqueerd. En zo geschiedde. Jacob le Maire en Willem Cornelisz Schouten werden teruggestuurd naar de Republiek, maar Jacob le Maire overleed gedurende de retourreis. De VOC probeerde de geschiedenis te herschrijven door de nieuwe ontdekkingen aan Willem Cornelisz Schouten toe te kennen.

[bewerken] De nasleep van de reis

Tekening van de grafsteen van Isaac le Maire en zijn vrouw

Isaac le Maire heeft nog jaren moeten vechten om zijn gelijk te behalen. In 1619 oordeelde de rechtbank dat het schip de Eendracht ten onrechte door de VOC in beslag was genomen. De journalen moesten aan Le Maire worden teruggegeven en Le Maire kon in 1622 eindelijk de Spieghel der Australische Navigatie door den Wijtvermaerden ende Cloeckmoedighen Zee-heldt Jacob Le Maire publiceren, om recht te doen aan de ontdekkingen van zijn zoon. Voor de geleden schade werd hem 64.000 pond toegezegd. Toch oordeelde de rechtbank dat het de Australische Compagnie niet was toegestaan handel te drijven in het Oost-Indische gebied, maar wel dat men het recht had te reizen via de nieuw ontdekte route langs Kaap Hoorn. Een jaar eerder was echter de West-Indische Compagnie opgericht, die in haar octrooi eveneens het monopolie had gekregen op reizen via Straat Magellaan én andere routes in die omgeving. Dit was dus in strijd met de rechten die aan de Australische Compagnie van Le Maire waren verleend.

Le Maire was echter moegestreden en stierf op 20 september 1624. Hij werd begraven in de Buurkerk van Egmond Binnen, en op zijn grafsteen werd vermeld dat hij gedurende 30 jaar (behalve zijn eer) 1,5 miljoen guldens had verloren, een voor die tijd zeer groot bedrag. De door hem opgerichte Australische Compagnie zette de juridische strijd voort, maar uiteindelijk besloten de Staten-Generaal in 1644 in het nadeel van de compagnie.

[bewerken] De inpolderingspoging van Isaac le Maire

Isaac le Maire liet in 1600 de dijk aanleggen, die langs Hoochduyn liep tot aan de aansluiting op de Nieuwe Landts dijk (gemarkeerd met sluys). Het dijkenstelsel om Le Mairs Polder werd in 1640 door zijn erfgenamen aangelegd. (Fragment van een kaart van C.J. Visser (1641), noord en zuid zijn verwisseld)

Minder bekend is dat Isaac le Maire een kleine rol als inpolderaar in Noord-Holland heeft gespeeld. Van 1598 – 1600 kocht hij grond in Egmond aan den Hoef en Huisduinen van de door schuldeisers geplaagde Lamoraal II van Egmond. Toen hij zich in 1610 uit Amsterdam terugtrok ging hij op zijn bezittingen in Egmond aan den Hoef wonen.

De grond in Huisduinen zag hij waarschijnlijk als beleggingsobject. Rond 1600 waren de graanprijzen hoog en Le Maire was niet de enige welgestelde Nederlander die door droogmakerij of inpoldering op een relatief goedkope manier dure landbouwgrond probeerde te creëren. De weilanden van Hoogduinen waren voor landbouw te riskant omdat zij bij storm onder water liepen. Het gebied werd alleen als weidegrond gebruikt, en de opbrengst was daarom niet hoog. Om de gronden geschikt te maken voor landbouw wilde Le Maire een dijk aanleggen van de Hoogduinen naar de Nieuwlanderdijk om de gronden zo voor het water af te sluiten. Als dat succesvol zou zijn, wilde hij zijn bezit vervolgens verder inpolderen.

Zijn bedijkingsplannen in Huisduinen bestonden uit twee fases:

  1. Een proefbedijking om ervaring op te doen: de aanleg van een dijkje van Hoogduinen naar de bestaande Nieuwlanderdijk, om zo de Hoogduinen af te sluiten voor binnendringend zeewater.
  2. Bedijking van het kweldergebied in de noordellijke Koegrasgronden.

In 1600/1601 werd de dijk van Hoogduinen naar de Nieuwlanderdijk na enige strubbelingen gerealiseerd. Le Maire verloor echter zijn interesse voor verdere inpoldering, omdat hij in de ban raakte van de handel op Indië, die veel winstgevender bleek te zijn. Pas in 1640, Le Maire was al 16 jaar dood, werd na een overeenkomst tussen de Erven Le Maire en de Gecommitteerde Raden te Hoorn de dijk tussen Hoogduinen, De Garst en Quelderduin aangelegd. De polder kreeg de toepasselijke naam Le Maires polder. Maar daar bleef het bij. De Erven Le Maire verzochten in 1783 de Staten (opnieuw) om hun gronden aan de oostzijde van de dijk te mogen afsluiten, maar de Staten wezen het af. Vijf jaar later verkochten de Erven Le Maire de gronden aan de Gecommitteerde Raden.

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:


  1. De naam komt in vele spellingsvarianten voor, zoals Lameer of Lemaire. In de moderne geschiedschrijving wordt alleen de naam le Maire' gebezigd.
  2. Isaacs broer Pieter le Maire werd rond 1600, samen met Andries Silmer en Jacques Bernarts, in Hamburg als agent van Isaac aangesteld. David le Maire vestigde zich in 1604 in Livorno, en toen hij in 1617 overleed werd hij vervangen door een derde broer, Salomon le Maire. Wijnroks p.254-255
  3. Doopbewijzen Stadsarchief Amsterdam. Van de 22 kinderen bleven er ca. 14 in leven. Bij zijn overlijden stonden er nog 9 kinderen in het testament. Schoorl p. 176-177
  4. Mogelijk heeft hijzelf niet het gehele bedrag opgebracht. Zijn zwager Jacques van der Walle had schuldeisers en heeft waarschijnlijk deelgenomen aan de VOC onder Isaacs naam. Wijnroks, p.243
  5. Dit is misschien het eerste gedocumenteerde geval van short gaan.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen