Isaac le Maire

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Le Mairs polder bij Den Helder. Kaart uit 1641 door Claes Jansz. Visscher. (zicht vanuit het noorden)

Isaac le Maire (Doornik, 1558/1559 - Egmond aan den Hoef, 20 september 1624) was een koopman op de Oostzee en de Middellandse Zee en een bewindhebber van de Brabantsche Compagnie. Bij de start van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in 1602 was hij eveneens een van de bewindvoerders en een van de belangrijkste aandeelhouders. In 1616 richtte hij de Austraalse Compagnie op. Hij is vandaag de dag vooral bekend door zijn voortdurende strijd met de VOC-bewindhebbers, wat de ontdekking van Kaap Hoorn tot gevolg had.

Levensloop[bewerken]

Jongere jaren[bewerken]

Hoewel Le Maire een van de rijkste ingezetenen van Holland was, weten we weinig over de eerste veertig jaar van zijn leven. Hij werd in 1558 of 1559 in Doornik geboren.[1][2] Na de verovering van die stad in 1581 door de Spanjaarden onder Alexander Farnese vluchtte hij naar Antwerpen.[3] Hij leerde het koopmansambacht van zijn zwager Jacques van de Walle.[4] In 1584 stond hij in Antwerpen als welgesteld kruidenier geregistreerd. Tevens was hij kapitein in het vendel van de Antwerpse burgerwacht. Hij was er getrouwd met Maria Jacobsdr Walraven en huurde het huis Schilt van Bourgognien aan de Kaasstraat. Hij vluchtte na de Val van Antwerpen in 1585 naar Amsterdam. Het echtpaar kreeg tweeëntwintig kinderen.[5] Zijn zoon Jacob is bekend als ontdekkingsreiziger. Een andere zoon, Maximiliaan, werd in 1641 het eerste VOC-opperhoofd van Dejima in Japan.

Handelaar in Amsterdam[bewerken]

In 1592 komt in Amsterdam zijn naam voor als deelnemer in de oudst bekende zeeverzekeringspolis. In de daaropvolgende jaren werd hij steeds belangrijker met de handel op de Europese wateren. Dankzij zijn familienetwerk kon hij daarvoor belangrijke investeringen doen. Met Pieter van de Pulle en Dirck van Os vormde hij een compagnie voor handel op Rusland en vervoerde Baltisch graan en hout naar Spanje. Schepen die van Archangelsk kwamen met leer, was, bont en kaviaar hadden vaak Venetië en Livorno als eindbestemming. Ook handelde de compagnie in wissels, zeeverzekeringen en bevrachtingen. Tussen 1594 en 1598 was hij een grote mededinger in de vishandel tussen Engeland en Spanje.

In navolging van de Eerste Schipvaart, stortte Le Maire zich eveneens op de handel met de Indische Archipel. In 1599 was hij mede-oprichter van de Brabantsche Compagnie, die twee zeereizen op Oost-Indië uitvoerde. In korte tijd werd 400% winst gemaakt en Le Maire kocht grote hoeveelheden land bij Egmond aan den Hoef.[6]

Vanaf 1600 concentreerde hij zich op de handel met Oost-Indië. Op West-Indië handelde hij al. Op 19 februari 1601 werd hij officieel burger van Amsterdam, en dat had ongetwijfeld te maken met de door de stad Amsterdam gearrangeerde fusie van de Brabantsche en de Oude Oost-Indische Compagnie tot de Eerste Vereenigde Compagnie op Oost-Indië tot Amsterdam. Deze compagnie, waarin Le Maire deelnemer was, rustte onder Jacob van Heemskerck acht schepen uit naar Oost-Indië.[7]

VOC-aandeelhouder[bewerken]

In 1602 gingen alle Nederlandse compagnieën op in de VOC. Le Maire schreef met 97.000 gulden in en was de grootste aandeelhouder van de kamer in Amsterdam en de op een na grootste van allemaal.[8][9] Om die reden werd hij een van de bewindhebbers van de Amsterdamse afdeling en ging hij deel uitmaken van de eerste Heren XVII, het centrale bestuur van de VOC. Spoedig raakte hij in conflict met de VOC en de kerkeraad wegens malversaties rond de zeereis van Wybrand van Warwijck in 1602 die buiten de VOC om was georganiseerd, maar wel op naam van de VOC-bewindhebbers. Le Maire kon op papier de kosten niet verantwoorden die hij beweerde te hebben gemaakt op de tuigage van de vloot. De historicus Pertram vermoedt dat hij de rekening vervalst had, omdat hij voor zijn investeringen recht had op een vergoeding.[10] De schout ondervroeg hem, maar kon de fraude niet bewijzen omdat de andere bewindhebbers weigerden de benodigde inlichtingen te geven. Daardoor kon Le Maire met de schout schikken voor een bedrag van 1200 Vlaamse pond.[11][12] Vanwege de affaire werd hij door de VOC gedwongen op 22 februari 1605 af te treden als bewindhebber.[13][14] Waarschijnlijk is het zwijgen van de bewindhebbers de reden dat Le Maire na zijn vertrek akkoord ging met het ondertekenen van een afspraak om zich in de toekomst te onthouden van het beconcurreren van de VOC.[11] Hij werd verplicht expliciet te verklaren af te zien van handel drijven ten oosten van Kaap de Goede Hoop en door de Straat Magellaan naar het westen te varen. Ook mocht hij particulieren en bedrijven geen adviezen geven hoe in Indië handel te drijven. Om hem aan die belofte te houden, moest hij enkele landerijen in Egmond aan den Hoef als onderpand afstaan. Ook moest hij als borgsom een bedrag geven van 3000 Vlaamse pond.[15][16] De gebeurtenis stond aan de wieg van zijn voortdurende tegenwerking van de VOC. Na zijn vertrek stortte hij zich weer op de Europese kustvaart, vooral in graan. De winstgevende handel met Indië liet hem echter niet los.

Concurrent VOC[bewerken]

De eerste mogelijkheid om de VOC dwars te zitten, zag hij in de pogingen van Frankrijk om een handelscompagnie op Indië op te richten. Koning Hendrik IV van Frankrijk nodigde hem in 1607 uit ondersteuning te verlenen. Daarmee negeerde hij het concurrentiebeding met de VOC.

Le Maire stelde voor om Henry Hudson een nieuwe zeeroute naar Indië te laten ontdekken. Die zou gevonden moeten worden via de Noordoostelijke Doorvaart, waarvoor Hudson voor Engeland al twee keer een mislukte poging had gedaan. Met handel drijven via deze route, zou Le Maire geen contractbreuk met de VOC plegen.

De VOC kreeg er lucht en kocht Hudson af. Daarop besloten Le Maire en de koning om Melchior van den Kerckhove de nieuwe route te laten ontdekken, maar de tocht werd een mislukking.[17]

In 1609 reisde Isaac le Maire met Joris van Spilbergen, Balthazar de Moucheron en anderen naar Parijs om opnieuw de vorming van een Franse Oost-Indische Compagnie te bespreken. De Moucheron speelde in deze onderhandelingen een dubbelrol, omdat hij aan de Nederlandse gezant François van Aerssen (1572-1641) had gevraagd wat deze er voor over had om de gesprekken in de war te sturen. Het overleg stokte daarom door het wantrouwen in Le Maire van Franse zijde.

Binnen de VOC leidden de intriges van Le Maire tot grote verontwaardiging, maar van daadwerkelijke stappen tegen hem kwam het niet. Waarschijnlijk omdat de Nederlandse republiek wegens de Tachtigjarige Oorlog geen conflict met Frankrijk wilde.[bron?]

Speculant VOC-aandelen[bewerken]

Isaac le Maire stuurde in januari 1609 een memorandum aan Johan van Oldenbarnevelt, de toenmalige meest invloedrijke politicus van de Republiek, over de aandelenhandel en de staat van de VOC in het algemeen. Dit schrijven wordt beschouwd als het eerste aandeelhoudersactivisme ooit.[18]

Op 11 februari 1609 richtte hij met tien anderen de Groote Compagnie op met als doel te handelen in VOC-aandelen die niet in eigen bezit waren. Le Maire was de directeur. Hij bezat 4/15 deel van de aandelen en was daarmee veruit de grootste aandeelhouder.[19] Het consortium dumpte grote partijen aandelen op de markt.[20] Daarnaast deden Le Maire en zijn kompanen aan naked short sales, wat inhield dat ze afspraken om een koper op termijn (één of twee jaar) aandelen te leveren waarvan de verkoopprijs van tevoren was vastgelegd en die ze nog niet in eigendom hadden.[21] Ze speculeerden dat de koers in de tussentijd zou dalen en dat zij om winst te maken de te leveren aandelen kort voor de afwikkelingsdatum tegen een lagere prijs konden inkopen.[22]

Le Maire ging er waarschijnlijk vanuit dat de concurrentie van de op te richten Franse Oostindische Compagnie er voor zou zorgen dat de koers aanzienlijk zou dalen,[23] maar die kwam er niet omdat de Franse koning in 1610 vermoord werd. Om de koers toch te drukken, werden met succes allerlei geruchten verspreid.[24] Vooral in 1609 daalde de koers van het VOC-aandeel aanzienlijk en de VOC weet dit aan Le Maire.[bron?]

Via de Staten-Generaal wist de VOC te bewerkstelligen dat er in 1610 een verbod kwam op de handel in aandelen die niet in eigen bezit waren. Dit was de eerste staatsinmenging ooit in de handel van aandelen.[25]

De koers van het VOC-aandeel steeg vervolgens. Verscheidene aandeelhouders van zijn aandelenbedrijf gingen failliet en ook Le Maire verloor geld. Het consortium verloor in totaal 45.000 gulden.[26] Aangezien niet alle aandeelhouders aan hun financiële verplichtingen konden voldoen en enkelen malversaties hadden gepleegd, werd Le Maire voor de rechtbank gesleept.[27][28] Het bracht hem er toe afstand te doen van zijn Amsterdamse eigendommen en te vertrekken uit de hoofdstad.

VOC-monopolie doorbroken[bewerken]

Isaac le Maire trok zich terug op zijn bezittingen in Egmond aan den Hoef die hij tussen 1598 en 1600 gekocht had uit de boedel van de door schuldeisers geplaagde Lamoraal II graaf van Egmond. Opnieuw maakte hij plannen om het VOC-monopolie te doorbreken. Op grond van reisverslagen concludeerde hij dat er zuidelijk van de Straat Magellaan nog een doorgang kon zijn van de Atlantische naar de Stille Oceaan. In 1614 richtte hij daarvoor de Austraalse Compagnie op met als doel deze doorgang, die dus buiten het VOC-monopolie viel, te ontdekken.

In Hoorn werd de reis voorbereid, die onder leiding zou staan van zijn zoon Jacob. Willem Cornelisz Schouten werd als ervaren kapitein aangetrokken. In de zeilopdracht stond dat als een nieuwe route naar de Stille Oceaan niet gevonden zou worden, er niet door de Straat Magellaan gevaren mocht worden.

Indertijd bestond de gedachte dat er vlakbij Zuid-Amerika een groot onbekend Zuidland zou zijn. Isaac le Maire hoopte het te ontdekken en daarmee een groot nieuw handelsgebied aan te boren. Maar vooral was zijn drijfveer om het monopolie van de VOC te omzeilen.

Hoewel in de zeilinstructie stond dat er geen handel mocht worden gedreven op kusten waar de VOC gevestigd was, moest zijn zoon bij aankomst in Oost-Indië aan de VOC-bewindvoerders duidelijk maken dat zij het VOC-monopolie niet hadden geschonden, omdat ze niet via Kaap de Goede Hoop of de Straat Magellaan waren gezeild. Vervolgens moest hij toestemming vragen om toch te mogen handelen. Naar verwachting zou dat verzoek niet ingewilligd worden en daarom zou Jacob al het mogelijke in het werk moeten stellen om gouverneur-generaal Gerard Reynst, die net als Isaac Le Maire deelnemer in de Brabantsche Compagnie was geweest, te prijzen en voor zich te winnen. Dat ging zelfs zover dat Jacob aan Reynst de hand van een van zijn dochters moest vragen. Op deze manier probeerde Isaac le Maire tweespalt te bewerkstelligen, want als Reynst toestemming zou geven in Indië te handelen, zou dat binnen de VOC tot een groot conflict kunnen leiden.

Op 14 juni 1615 vertrokken de schepen Eendracht en de Hoorn vanaf Texel. De zeereis zou in zoverre een succes worden dat het monopolie van de VOC met de ontdekking van de doorvaart langs Kaap Hoorn inderdaad gebroken zou worden, maar het mythische Zuidland werd niet ontdekt. De geheime instructie kon niet worden uitgevoerd, omdat Reynst inmiddels was overleden. Na het vertrek van de schepen van Texel, kreeg de VOC lucht van de reis en de opdracht werd verstrekt om de schepen bij aankomst te confisqueren. De Eendracht werd inderdaad in beslag genomen; de Hoorn was eerder bij brand verloren gegaan. De scheepsjournalen werden eveneens in beslag genomen en Jacob le Maire en Willem Cornelisz Schouten werden teruggestuurd naar Holland, waarbij Jacob onderweg overleed.

Nasleep zeereis[bewerken]

Tekening van de grafsteen van het graf van Isaac le Maire en zijn echtgenote, inclusief een extra nul die op het werkelijke graf ontbreekt.

De VOC herschreef de geschiedenis door de ontdekking van Kaap Hoorn in zijn geheel aan Willem Cornelisz Schouten toe te kennen. De VOC publiceerde zijn scheepsjournaal, waaruit de naam van Jacob le Maire geschrapt werd. Isaac le Maire heeft jarenlang geprocedeerd om dat te herstellen. In 1619 oordeelde de rechtbank dat het schip de Eendracht ten onrechte in beslag was genomen. De journalen moesten worden teruggegeven, waarna Le Maire in 1622 de Spieghel der Australische Navigatie door den Wijtvermaerden ende Cloeckmoedighen Zee-heldt Jacob Le Maire liet publiceren, om recht te doen aan zijn zoon. Voor de geleden schade werd hem 64.000 Vlaamse pond toegezegd. Desondanks vonniste de rechtbank dat het de Austraalse Compagnie niet was toegestaan handel te drijven in het Oost-Indische gebied, maar wel dat die het recht had te reizen via de nieuw ontdekte zeeroute langs Kaap Hoorn. Een jaar eerder was echter de West-Indische Compagnie opgericht, die in haar octrooi eveneens het monopolie had gekregen op reizen via Straat Magellaan èn andere routes in die omgeving. Dit was in strijd met de rechten die aan Le Maire en zijn Austraalse Compagnie waren verleend. Le Maire was echter moegestreden en stierf op 20 september 1624.

Hij werd begraven in de Buurkerk van Egmond Binnen. Op zijn grafsteen werd vermeld dat hij gedurende dertig jaar, behalve zijn eer, meer dan 150.000 gulden verloren, een voor die tijd gigantisch geldbedrag. Het bleek echter om het tienvoudige te gaan. In 1613 had hij namelijk laten weten in 28 jaar 1.600.000 gulden te hebben verloren. De graveur van de grafsteen moet een nul vergeten hebben.[29] De Austraalse Compagnie zette de juridische strijd voort, maar uiteindelijk besloten de Staten-Generaal in 1644 in het nadeel van de compagnie.

Inpolderingspoging[bewerken]

Minder bekend is dat Isaac le Maire een kleine rol speelde als inpolderaar in Noord-Holland. Bij Huisduinen liet hij over een afstand van 2 km een dijk aanleggen.

De grond in Huisduinen zag hij waarschijnlijk als beleggingsobject. Rond 1600 waren de graanprijzen hoog en Le Maire was niet de enige welgestelde Nederlander die door droogmakerij of inpoldering op een relatief goedkope manier dure landbouwgrond probeerde te creëren.[30] De weilanden van de Hoogduinen waren voor landbouw te riskant, omdat zij bij storm onder water liepen. Het gebied werd als weidegrond gebruikt en de opbrengst was daarom niet hoog. Om de gronden geschikt te maken voor landbouw, wilde Le Maire een dijk aanleggen van de Hoogduinen naar de Nieuwlanderdijk. Als dat succesvol zou zijn, was hij van plan zijn bezit verder in te polderen.[31]

In 1600/1601 werd de dijk van de Hoogduinen naar de Nieuwlanderdijk na enige strubbelingen gerealiseerd. Le Maire verloor echter zijn interesse voor verdere inpoldering, omdat hij in de ban raakte van de handel op Oost-Indië die veel winstgevender leek te zijn.

Pas in 1640, Le Maire was toen al zestien jaar dood, werd na een overeenkomst tussen de Erven van Le Maire en de Gecommitteerde Raden in Hoorn de dijk tussen de Hoogduinen, De Garst en Quelderduin aangelegd. De polder kreeg de toepasselijke naam Le Maires polder. Maar daar bleef het bij.[32]

De gronden bleven tot 1789 in overeenstemming met zijn testamentaire wens in gemeenschappelijk beheer van zijn nakomelingen: ‘de Erven van Le Maire’. Daarna kwamen ze voor 60.000 gulden in eigendom van de Gecommitteerde Raden van Holland en Westfriesland.[33]

Literatuurlijst[bewerken]

Referenties
  1. Het eventuele geboortejaar is afgeleid van een document van 21 oktober 1599, waarin gemeld wordt dat Isaac le Maire veertig jaar is. In: Noordkerk (1773) Handvesten van Amsterdam
  2. De naam Le Maire - Frans voor de burgemeester - komt in vele spellingsvarianten voor, zoals Lameer of Lemaire. In de moderne geschiedschrijving wordt le Maire gebezigd.
  3. Engelbrecht, W.A. en Herwerden, P.J. van; (1945) De ontdekkingsreis van Jacob Le Maire en Willem Cornelisz. Schouten in de jaren 1615 - 1617 Deel 2 De Linschoten-Vereeniging XLIX (2). Martinus Nijhoff, Den Haag, p. 1
  4. Le Maire had drie broers die eveneens koopman waren. Isaacs broer Pieter le Maire werd rond 1600 met Andries Silmer en Jacques Bernarts in Hamburg aangesteld als vertegenwoordiger van Isaac. David le Maire vestigde zich in 1604 in Livorno en toen hij in 1617 overleed, werd hij vervangen door een derde broer, Salomon le Maire. In: Wijnroks (2003) p. 254-255
  5. Doopbewijzen Stadsarchief Amsterdam. Daarvan stierven er ongeveer acht op jonge leeftijd. Bij zijn overlijden stonden er negen kinderen in het testament. In: Schoorl (1968) p. 176-177
  6. Er is niets bekend over hoe groot zijn aandeel is geweest in de voorbereidingen, scheepsuitrustingen en handel. In: Engelbrecht, W.A. en Herwerden, Dr. P.J. van (1945), p. 4
  7. Ook van deze zeereis is het aandeel van Isaac le Maire onbekend.
  8. Engelbrecht, W.A. en P.J. van Herwerden (1945) deel 2, p. 6
  9. Mogelijk heeft hijzelf niet het gehele bedrag opgebracht. Zijn zwager Jacques van der Walle had schuldeisers en heeft waarschijnlijk deelgenomen aan de VOC onder Isaacs naam. In: Wijnroks (2003) p. 243
  10. Dillen, J.G. van; (1930) Isaac Le Maire en de handel in actiën der Oost-Indische Compagnie In: Economisch Historisch jaarboek 16, p. 26
  11. a b Engelbrecht, W.A. en P.J. van Herwerden; (1945), p. 9
  12. Eén Vlaamse pond stond gelijk aan zes gulden.
  13. IJzerman, J.W. (1928) Een en ander over Pieter Lintgens, p. 136
  14. De kwestie werd in 1610 opgerakeld toen de fiscaal van het Hof van Holland de schout vermaande en alsnog vervolging van Le Maire verlangde, maar de burgemeesters van Amsterdam sprongen voor de schout in de bres en tot een rechtszaak kwam het niet. In: Engelbrecht, W.A. en P.J. van Herwerden; (1945), p. 9
  15. Engelbrecht, W.A. en P.J. van Herwerden; (1945), p. 10
  16. 3000 Vlaamse pond stond gelijk aan 18.000 gulden.
  17. Afgesproken was dat een nieuw te ontdekken zeestraat naar de Franse koning vernoemd zou worden en de zeereis werd onder Franse vlag uitgevoerd.
  18. Memorandum, 24 januari 1609 In: Van Dillen, (1930) p. 40-43
  19. Dillen, J.G. van; (1930) p. 121
  20. Isaac le Maire verkocht in 1610 voor een bedrag van 69.400 gulden aan aandelen. Bron: Nationaal Archief NA 1.04.02/7066, fol. 182-199, 201 In: Gelderblom, Oscar en Joost Jonker; (2004) The Finance of the Dutch East India Trade and the Rise of the Amsterdam Capital Market, 1595–1612 (The journal of Economic History, volume 64, nummer 3, p. 657)
  21. Het consortium verhandelde de meeste VOC-aandelen in de periode van juni 1609 tot en met januari 1610. In: Petram, L.O.; (2011) p. 26
  22. Petram, L.O.; (2011) The world’s first stock exchange: how the Amsterdam market for Dutch East India Company shares became a modern securities market, 1602-1700
  23. Engelbrecht, W.A. en P.J. van Herwerden; (1945) Deel 2, p. 30
  24. Dit was ten nadele van de VOC-aandeelhouders die zich soms genoodzaakt zagen hun aandelen met verlies te verkopen.
  25. Petram, L.O.; (2011), p. 25
  26. Dillen, J.G. van; (1930)
  27. Stapel, F.W. (1927) Pieter van Dam's Beschrijvinge van de Oostindische Compagnie Eerste boek, deel I, p. 149-155
  28. Petram, L.O.; (december 2011) Treasury management: De Nederlandse wortels van de moderne aandelenhandel In: MCA, nummer 6
  29. Dillen, J.G. van, Geoffrey Poitras en Asha Majithia (z.j.) Isaac Le Maire and the early trading in Dutch East India Company shares
  30. Hengel, C.G. van den (1965) Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap. Deel 79. Groningen: Wolters, J.B., p. 348
  31. Zijn bedijkingsplannen in Huisduinen bestonden uit twee fases. Ten eerste een proefbedijking om ervaring op te doen: de aanleg van een dijkje van de Hoogduinen naar de bestaande Nieuwlanderdijk om de Hoogduinen af te sluiten voor binnendringend zeewater. Ten tweede de bedijking van het kweldergebied in de noordellijke Koegrasgronden.
  32. De Erven van Le Maire verzochten in 1783 de Staten van Holland om het grondbezit aan de oostzijde van de dijk af te sluiten, maar dat werd afgewezen.
  33. Schoorl, H. (1968) Isaäc le Maire, koopman en bedijker