Isolaat
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Een isolaat of geïsoleerde taal (niet te verwarren met een isolerende taal) is in de taaltypologie een natuurlijke taal waarvan tot nu toe met geen enkele andere taal een 'genetische' verwantschap kan worden aangetoond, m.a.w. een taal die bij nog geen enkele taalfamilie kan worden ingedeeld. Maar aangezien de vergelijkende taalkunde steeds meer vorderingen maakt, is het niet ondenkbaar dat heel veel talen die nu als isolaten worden beschouwd ooit bij een bepaalde groep zullen kunnen worden onderverdeeld, dan wel worden beschouwd als creooltaal.
[bewerken] Voorbeelden
Het bekendste en tevens enige Europese voorbeeld is het Baskisch. In Siberië en Oost-Azië zijn het Ainu, het Ket en het Giljaaks of Nivch vooralsnog onomstreden voorbeelden van isolaten. Ook het Japans en het Koreaans worden soms wel als isolaten beschouwd, maar deze talen vertonen met name op het grammaticale vlak onderling sterke overeenkomsten en zijn daarom waarschijnlijk in ieder geval aan elkaar verwant. Verder zouden ze beide tot de Altaïsche talen kunnen behoren. Van de talen die tot en met de 19e eeuw op het eiland Tasmanië werden gesproken is niet bekend of ze verwant waren aan de Austronesische talen, en als gevolg van de Europese kolonisatie is dit hoogstwaarschijnlijk ook niet meer na te gaan.
Ook uit de Oudheid is een aantal talen bekend waarvan de verwantschap niet met zekerheid is vast te stellen, zoals:
- Etruskisch
- Egeïsch (vóór-Griekse talen)
- 'Azianisch'
- Elamitisch
- Sumerisch
- Kassitisch
- Hattisch
[bewerken] Verwante begrippen
Bij gebarentalen zijn verschillende zogenaamde dorpsgebarentalen bekend. Deze talen zijn bij enige uitbreiding van het begrip "isolaat" ook te beschouwen als isolaten.

