Izzat Ibrahim ad-Douri

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Izzat Ibrahim ad-Douri (1 juli 1942) is een politicus en was een van de hoogste leiders van het Baath-regime in Irak naast Saddam Hussein.

Ibrahim kwam net als Saddam uit Tikrit, waar zijn vader ijsverkoper was. Hij heeft zijn lot sinds de zestiger jaren aan dat van Saddam Hoessein verbonden. Hij is samen met vicepresident Taha Yasin Ramadan en Saddam Hoessein zelf de enige die is overgebleven van de groep samenzweerders die bij de coup in 1968 de Ba'ath-partij aan de macht bracht. Hij werd in 1979 vicevoorzitter van de Revolutionaire Raad en later ook plaatsvervangend bevelhebber van het Iraakse leger. Zijn dochter was korte tijd getrouwd met Oedai Hoessein, de oudste zoon van Saddam.

Ibrahim dreigde de Koerden tijdens de Eerste Golfoorlog met een chemische aanval als ze 'problemen zouden geven'. "Als jullie Halabja zijn vergeten, wil ik jullie eraan herinneren dat we bereid zijn deze operatie te herhalen", zo refereerde hij aan de chemische aanval in 1988. In 1998 ontsnapte hij in de stad Karbala aan een poging tot moord.

Ibrahim vertegenwoordigde het regime regelmatig in het buitenland. Toen hij in 1999 voor een medische behandeling in Wenen was, kon hij als verdachte van misdaden tegen de menselijkheid maar net ontkomen aan arrestatie. Op de lijst van meest gezochte personen na de Amerikaanse invasie, het zogenaamde spel kaarten, nam hij de zesde plaats in. In september 2004 dachten de Amerikanen hem gearresteerd te hebben in Tikrit, maar het bleek te gaan om een familielid van hem. Tijdens de arrestatie werd de aanhang van de man, zo'n 70 man, doodgeschoten na hevig verzet.